Geluksfabel

Er was eens een boerendochter, in een land hier ver vandaan. Haar vader was een herenboer die over vele landerijen heerste en een drukbezet man was, haar moeder was een herenvrouw die een heel huishouden moest runnen en niet geloofde in moederliefde. De boerendochter was niet erg gelukkig en ze blééf niet erg gelukkig en eigenlijk was ze gewoon óngelukkig. Zo ongelukkig zelfs, dat ze zich op den duur begon af te vragen: ‘Hoe word ik dat eigenlijk, gelukkig?’

snow-1217124_640

Op een dag besloot de boerendochter op zoek te gaan naar het antwoord op die vraag. Ze pakte haar spulletjes, deed wat ze had in een kleine rugtas, hing die op haar rug en ging naar haar vader, die tussen allerlei belangrijke papieren, achter een immens groot, glimmend eikenhouten bureau, in vergadering was met allerlei grauw kijkende mannen in donkere pakken.

De boerendochter zei tegen haar vader: ‘Vader, ik ga op reis om uit te vinden hoe ik gelukkig word.’ Haar vader keek verstoord op uit de papieren, keek haar aan alsof hij zich afvroeg wie ze ook al weer was en zei toen: “Denk je dat je geld verdient met gelukkig worden?”

write-593333_640

De boerendochter keek haar vader aan en besefte toen dat deze wedervraag niet gemeen bedoeld was: voor haar vader was geld verdienen belangrijker dan gelukkig worden. Maar de vraag of ze geld zou verdienen met gelukkig worden was voor de boerendochter niet belangrijk. De vraag hoe ze gelukkig kon worden was dat wel.

Dus keek ze haar vader aan en gaf hem een knuffel – hoewel haar vader haar al snel van zich afduwde en wat ongemakkelijk naar de stuurs kijkende mannen rond de tafel keek. Toen keek ze hem aan, haalde haar schouders op en antwoordde: ‘Ik weet niet of ik geld verdien met gelukkig worden. Maar als ik gelukkig ben, dan laat ik het je weten.’

Vervolgens ging de boerendochter naar haar moeder, die druk bezig was met wassen, koken, naaien, zich over alles-en-niets zorgen maken en sociaal doen. De boerendochter zei tegen haar moeder: ‘Moeder, ik ga op reis om uit te vinden hoe ik gelukkig word.’

Haar moeder keek haar ronduit geïrriteerd aan en zei: ‘Vrouwen zijn er niet om gelukkig te worden. Wij zijn er om onszelf op te offeren voor de mannen in ons leven. Dus vergeet dat gelukkig worden en ga koken. Of wassen. Of naaien. Of ga sociaal doen.’

wash-1254109_640

De boerendochter keek haar moeder aan en besefte dat ook dit antwoord van haar moeder niet perse gemeen bedoeld was. Dit was wat haar moeder kende, het was haar leven. De vraag hoe gelukkig te worden was óf nooit bij haar opgekomen óf had haar moeder diep in zichzelf begraven, zo diep dat ze zich misschien niet eens meer herinnerde dat ze de vraag ooit had gesteld.

Dus gaf de boerendochter haar moeder een dikke klapzoen op de wang – waarbij haar moeder verbaasd en lichtelijk geïrriteerd achteruitdeinsde – en zei ze tegen haar moeder: ‘Ík ben er, moeder, en ík wil gelukkig worden. En ík ben een vrouw, dus vrouwen zijn er óók om gelukkig te worden. Ik wil mijn leven niet opofferen aan een man in mijn leven. En ik wil mijn leven niet opofferen: ik wil het wijden aan geluk. Ik weet alleen nog niet hoe ik dat moet doen. Dus ga ik op reis.’

En de boerendochter ging op reis, op zoek naar hoe ze gelukkig kon worden. Omdat ze, wanneer de zon scheen, een gevoel had dat volgens haar misschien wel in de buurt kwam van hoe ‘gelukkig’ aanvoelde, besloot ze de zon achterna te reizen. Onderweg vroeg ze een paar keer aanwijzingen, dan vroeg ze aan een herbergier of een toevallige passant hoe ze gelukkig kon worden. De meeste mensen haalden hun schouders op in reactie op haar vraag en liepen verder, alsof ze niks gevraagd had. Dan voelde de boerendochter zich heel erg alleen en onbegrepen. Maar ze wist dat de vraag belangrijk was en dus reisde ze verder.

one-way-street-1317579_640

Sommige mensen gaven wel antwoord. Ze gaven er dan allerlei aanwijzingen bij, bijvoorbeeld: ‘Om gelukkig te worden moet je hier rechtdoor, dan links, dan twee keer rechts, draai drie rondjes, en dan kom je er wel.’ Of ze zeiden’: ‘Om gelukkig te worden moet je twee keer de radslag doen, een stuk rennen, twee keer huppelen en dan op je hurken drie keer op en neer springen.’ Weer anderen wezen bijzondere voorbeeldfiguren aan en zeiden: ‘Om gelukkig te worden moet je naar de man met de lange baard, of moet je naar de zwevende vrouw in de mist.’

Hoewel de boerendochter meestal wel de aanwijzingen volgde, voelde de aanwijzingen vaak leeg en meestal vergat ze de aanwijzingen na een tijdje en reisde ze verder, zonder dat ze wist hoe ze gelukkig werd. Vaak ging ze ook op bezoek bij die anderen die werden aangewezen als de mensen met de antwoorden op de vraag hoe ze gelukkig werd.

Zo kwam ze eens bij een vriendelijk oude man terecht, een oude man met een hele lange baard, zo lang dat hij helemaal tot aan zijn voeten kwam. De man had een gerimpeld gezicht, hij had scherpe, diepdoordringende, maar vriendelijke ogen. De oude man droeg een donker bruin pak en hij zat tussen bomen verscholen in een donker bos, zo diep tussen de bomen dat hij soms wel deel leek uit te maken van de takken en  de bladeren.

Toen de boerendochter bij deze vriendelijke bosheer kwam en aan hem vroeg: ‘Meneer, hoe word ik gelukkig?’, vroeg de man aan haar: ‘Waar kom je vandaan, meisje? Want om te weten hoe je gelukkig wordt, moeten we samen kijken naar het verleden.’

forest-1225983_640

En de boerendochter begon te vertellen over waar ze vandaan kwam, waar ze was geboren, hoe ze was opgegroeid, over haar vader en haar moeder en over haar jeugd. En ze vertelde en vertelde en de oude vriendelijke man luisterde en luisterde, tot de boerendochter dacht: ‘Ik voel me lichter worden, ik zie nu waar ik vandaan kom, ja, de dingen krijgen een orde. Maar ben ik gelukkig?’

En ze stond op, stofte de bladeren van het donkere bos van zich af en zei tegen de oude man: ‘Dank u voor het luisteren naar mijn verleden, ik weet nu waar ik vandaan kom en ik begrijp nu veel meer van mezelf, ik heb mijn herinneringen op orde, maar ik ben nog niet gelukkig. Ik denk niet dat u het antwoord hebt. Ik reis weer verder.’ De oude man knikte, lachte vriendelijk en stak een pijp op, terwijl hij zich terugtrok tussen de takken en de bladeren.

De boerendochter reisde verder en kwam toen een vriendelijk uitziende vrouw tegen. De vrouw was niet jong en niet oud en liep lichtvoetig over wolken, was gekleed in vrolijke kleuren en ging gehuld in de geur van kaneel en vanillethee.

Toen de boerendochter bij deze vrouw kwam en vroeg: ‘Mevrouw, weet u hoe ik gelukkig word?’, vroeg de vriendelijke vrouw aan haar: ‘Waar wil je naartoe, meisje? Want om te weten hoe je gelukkig wordt, moeten we samen kijken naar de toekomst en je dromen. Wat wil je worden?’

Dat was een vraag waar de boerendochter nog niet eerder over had nagedacht. Ze was al heel lang op reis, maar waar ze eigenlijk naar toe wilde, dat had ze zich niet afgevraagd. Ze wilde gelukkig worden, maar was dat een plek? Of was dat iets wat je deed? Wat wilde ze eigenlijk worden? Haar vader, ja, die wilde dat ze geld zou verdienen. En haar moeder wilde dat ze sociaal deed. Maar wat wilde ze eigenlijk zelf?

De vriendelijke vrouw zag de innerlijke verwarring op het gezicht van de boerendochter en pakte haar hand. ‘Niet bang zijn,’ zei de vriendelijke vrouw tegen de boerendochter. ‘Niemand weet meteen wat hij of zij zelf wil. Sommigen weten niet eens dat er een ‘zelf’ bestaat, laat staan dat dat ‘zelf’ misschien iets te willen zou hebben. Maar als je een antwoord wil, dan moet je dansen.’

human-750920_640

En de vriendelijke vrouw begon met de boerendochter te dansen op een muziek die alleen de vriendelijke vrouw hoorde en ze zei tegen de boerendochter: ‘Dans, meisje. Begin met dansen en kijk welke dans bij je past – probeer alle ritmes, dans uit het ritme, mis een pas, het maakt niet uit, je hart hoort je ziel vanzelf wel zingen, als je maar lang genoeg probeert te dansen. Dus luister en probeer je eigen lied te vinden en dans daarop.’

En de boerendochter begon te dansen, eerst heel wild, maar dat was te vermoeiend, en toen heel sierlijk en gestructureerd, maar dat was te streng en te strak, en toen danste ze kleuren op haar weg en leerde ze dat haar ritme in vorm en kleur en beeld en gevoel zat. En langzaam, zonder dat ze het merkte, liet de vriendelijke vrouw de boerendochter los in haar dans en de boerendochter danste verder. En ze leerde steeds beter haar eigen ritme te vinden, leerde steeds beter vorm, kleur en beeld te gebruiken om andere mensen te leren dansen in het leven.

En toch voelde de boerendochter zich nog wat leeg. Alsof er een blinde vlek was, vlak in haar linkerooghoek, een plek van zichzelf waar ze nog niet was geweest. En ze besefte dat ze nog steeds niet wist hoe ze gelukkig moest zijn.

Dus ging de boerendochter weer op reis, op zoek naar hoe ze gelukkig moest zijn, omdat het verleden haar had geleerd waar ze vandaan kwam en haar toekomst haar had geleerd waar ze naar toe wilde. Maar ze wist nog steeds niet wanneer ze er was.

buddha-1395313_640

Toen kwam ze, in de bergen, tussen sneeuw en rotsen, een man tegen die niet oud of jong leek. Hij was vooral rond: hij had een rond, kaal, hoofd, een ronde buik, ronde ogen en een serene, nogal ronde glimlach op zijn mond. Deze ronde man zat in lotushouding in de wind en de boerendochter ging naast hem zitten en vroeg: ‘Ronde man, hoe word ik gelukkig?’ De ronde man gaf haar echter geen antwoord. Hij zat en was enkel.

De boerendochter ging naast hem zitten, nam dezelfde lotushouding aan als de ronde man en bleef zo zitten. De ronde man zat. De boerendochter zat. De ronde man stond op en ging naar een tempel. De boerendochter volgde de ronde man, stond op en ging naar de tempel, waar ze samen aten. De ronde man ging slapen en de boerendochter ging slapen.

De volgende dag volgde de boerendochter de ronde man weer: hij stond op, at, ging in lotushouding zitten in de bergen, stond dan op, ging eten en sliep. En de boerendochter stond op, at, ging in lotushouding zitten in de bergen, stond dan op, ging eten met de ronde man en sliep.

Dat deden de ouden man en de boerendochter een lange tijd, tot de boerendochter de ronde man, toen ze ’s ochtends weer naar de bergen liepen om weer in lotushouding te gaan zitten, opnieuw vroeg: ‘Ronde man, ik volg u nu al lange tijd: we slapen, we staan op, we eten, we gaan zitten in lotushouding, dan staan we weer op, we eten en dan slapen we. Maar hoe word ik gelukkig?’

De ronde man stond stil, draaide zich om naar de boerendochter en keek naar haar. Toen spreidde hij zijn armen en zei, met een zachte melodieuze stem, zo zacht dat ze het nauwelijks kon horen: ‘Boerendochter, dit is hoe je gelukkig word. Eet. Slaap. Zit. Adem. Geluk is alleen hier-en-nu.’

De boerendochter keek om zich heen, keek naar de bergen, luisterde naar de wind, keek naar de tempel en keek toen weer naar de ronde man die weer was gaan zitten op zijn bergtop, in lotushouding. Ze schudde haar hoofd en zei: ‘Maar ik snap het niet.’

De ronde man antwoordde niet. En de boerendochter dacht: ‘Maar dit ben ik niet. Ik wil meer in het leven. Ik heb mijn eigen ritme, mijn eigen dans.’ Dus pakte ze weer haar spullen, gaf de ronde man, die nog steeds in lotushouding op de bergtop zat, een dikke zoen op zijn ronde, kale hoofd, en daalde weer af naar de wereld.

Daar, in de wereld, begon de boerendochter weer te dansen, vol van kleur, vorm en beeld. En ze begon mensen te helpen door te schilderen, te boetseren, door te praten over wat gevoelens waren.

girl-1429776_640

De boerendochter danste en ontmoette een schone man, een schrijver en denker, iemand die totaal anders was als zij, maar die tegelijk net als zij een eigen ritme had gevonden en zijn eigen dans danste.

Samen vonden ze een huisje, maakten ze hun eigen leven, kregen ze twee honden en twee geiten en een konijn en samen maakten ze nog een leven: een nieuw boerendochtertje, dat pittig groeide en haar eigen dromen achterna rende, zoals alle dochtertjes dat eigenlijk behoren te doen.

En de boerendochter, die inmiddels een kunstenares en eigen vrouw was, schilderde op een avond aan een schilderij, toen haar boerendochtertje naast haar ging ze staan en met haar meekeek en toen vroeg: ‘Moeder, hoe word je gelukkig?’

De boerendochter liet haar penseel zakken en glimlachte. En ze zei: ‘Dochter, mijn lief, luister goed naar me. Om gelukkig te worden moet je naar je verleden kijken en kijken waar je vandaan komt. Maar vergeet ook dit niet: kijk ook naar de toekomst en probeer te dromen. En dans dan, dans zoveel mogelijk dansen, en kijk welk ritme bij je past. Het maakt niet uit als een ritme je niet past, probeer dan een nieuw ritme, want je hart vindt zijn eigen lied wel. En vooral, vergeet dit niet. Eet. Slaap. Adem. Neem de rust om te genieten van je omgeving. Geluk is alleen hier-en-nu.’

En ze gaf haar dochter een grote dikke knuffel.

painting-1242867_640

 


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie