Menselijke waardigheid

Voor het project ‘Werk & Identeit ben ik, samen met mijn drie collega-onderzoekers Jack Fila, Truus Janssen en Ingrid Lutke Schipholt, de afgelopen jaren bezig geweest om het vraagstuk ‘Zijn wij ons werk?’ te onderzoeken. Gezamenlijk, en ieder vanuit z’n eigen invalshoek, namen we deze vraag onder de loep. Samen interviewden we verscheidene mensen vanuit allerlei lagen in de samenleving over dit vraagstuk. Inmiddels zijn de essay’s en interviews verzameld op de projectwebsite www.werkenidentiteit.nl.

Menselijke waardigheid! Een essay over de vraag of de mens slechts een arbeidsmatig gebruiksmiddel is. Het voor de hand liggende antwoord zou ‘nee’ moeten zijn. Maar hoe komt het dan dat we onze kinderen wel vaak op die manier klaarstomen voor de arbeidsmarkt? Zijn wij – en onze kinderen na ons – slechts marktinstrumenten, waarbij onze functiebepalingen aangepast kunnen worden aan de heersende vraag op de arbeidsmarkt? En wat doet dat eigenlijk met onze identiteit? Valt daar nog iets te winnen? Nieuwsgierig? Lees vooral verder…

Menselijke waardigheid

Inleiding: kinderdromen lek prikken

Eind april 2016 publiceerde nrc.nl een kritisch artikel over de participatiesamenleving, met de titel ‘Zeg eens nee tegen al dat participeren.’ Het artikel begon met de verwijzing naar het beroepskeuzegesprek tussen ouder en kind en het voorstelbare scenario van ouder en kind, samen aan tafel. De koppen thee gezellig dampend tussen hen in, de studieboeken voor de tentamens nog opengeslagen, maar voor het moment terzijde geschoven.

Het was, met andere woorden, tijd voor de ouders om de kinderdromen over een carrière als sportman of muziektalent lek te prikken. En duidelijk te maken dat er een keuze gemaakt moest worden voor de ‘echte’ wereld: kinderen moeten kiezen voor een beroep waarmee geld verdiend kan worden. Het artikel wees erop dat de ouders in dit gesprek hoogstwaarschijnlijk vooral calculerende argumenten zouden inbrengen. Ze zouden proberen in te schatten welke beroepen op korte termijn worden weg-geautomatiseerd.

De meer onderlegde ouder zou, zo suggereerde het artikel, misschien zelfs het rapport ‘The future of employment’ uit 2013 hebben gelezen. Daarin wordt namelijk geprobeerd om van honderden beroepen vast te stellen of ze gedigitaliseerd zouden kunnen worden. En dus in de toekomst geen inkomen zullen opleveren. Te denken valt daarbij aan banen binnen de verzekeringswereld of de accountancy. Maar ook kinderen die willen kiezen voor het werkgebied van zorg en welzijn komen er wat betreft toekomstperspectief in het artikel erg slecht vanaf.

De gehele argumentatielijn van het artikel is vooral interessant vanwege het uitgangspunt dat de toekomst iets is dat als het ware wordt opgelegd aan de jongeren. Er wordt wel  gesproken over een ‘gesprek’ tussen ouder en kind rond de studie- en beroepskeuze. Maar eigenlijk is er helemaal geen sprake van een gesprek. Er is vooral sprake van overredingsdwang.

Er speelt natuurlijk oprechte, ouderlijke bezorgdheid over de toekomst van de kinderen. En uiteraard worden de argumenten voor of tegen bepaalde keuzes in alle redelijkheid gebracht. Maar uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, wordt de positie van het kind nauwelijks in ogenschouw genomen. En dat wordt hoogstwaarschijnlijk zelfs bewust door de ouders goed gepraat.

‘Ach,’ zullen de ouders tegen zichzelf zeggen: ‘Daar is hij of zij toch nog te jong voor.’ En: ‘Wij bedoelen het immers goed en hij (of zij) kan de toekomst nog niet overzien.’ Met andere woorden: bij de beroeps- en toekomstvoorbereiding lijkt het vooral de taak van de ouders om bepaalde dromen lek te prikken. Er moet realisme voor in de plaats komen. En dat ‘realisme’ wordt dan vervolgens bepaald door ‘harde’ cijfers, statistische prognoses, testresultaten en externe academische rapporten.

Dit is iets dat Gerard B., die als decaan op een middelbare school werkt, in een interview voor het boek ‘Werk en Identiteit’ bevestigt. Het is zijn taak om leerlingen te begeleiden bij alle keuzes die ze gedurende hun schoolcarrière moeten maken. Allereerst laat hij weten dat de leerlingen vaak de indruk hebben dat iedere schoolkeuze die ze moeten maken de belangrijkste uit hun leven is. En dat ze daarbij vaak denken maar één kans te hebben om de goede keuze te maken. Dat schept spanning. In werkelijkheid hebben de leerlingen natuurlijk veel meer keuzes en mogelijkheden. Maar dat neemt het gevoel van spanning voor de leerlingen niet weg. En de ouders spelen hierbij ook een belangrijke rol. Zij hebben een belangrijke stem in de keuzes die het kind maakt, vertelt Gerard. Ouders denken daarbij vooral aan de economische toekomst van de leerling.

Dat zet het kind soms klem. De studieresultaten kelderen dan, aldus Gerard. De spanning tussen studie en identiteit wordt te groot; het kind ervaart stress en komt er niet meer uit. Het ontbreekt ouders daarbij in sommige gevallen ook aan een realisme dat rekening houdt met de mogelijkheden van het kind. Vooral ouders uit de hogere sociaaleconomische lagen hebben daarbij vaak hoge verwachtingen van hun kind. Juist dan moet een decaan de leerling soms tegen zijn ouders in bescherming te nemen. Leerlingen lopen daarnaast ook regelmatig aan tegen maatschappelijke verwachtingen buiten de ouders om. Gerard erkent bijvoorbeeld dat een nieuwsitem als ‘Zittenblijvers kosten ons jaarlijks 500 miljoen’ niet bevorderlijk is voor het zelfbeeld van een leerling die een klas moet over doen.

Al met al illustreert bovenstaande goed hoe dwingend en bepalend de sociale omgeving is bij de keuzes die jongeren moeten maken bij de start van hun arbeidscarrière. De sturende hand van de ouders en de school bij het bepalen van de arbeidstoekomst van de jongeren wordt – in het beste geval – nog geleid door (enigszins) wetenschappelijk gebaseerd onderzoek. En – in het slechtste geval – door pure mediabeeldvorming. Opnieuw zijn dit sterk externe factoren. Er wordt nauwelijks gesproken over de interne motivatie van leerlingen. En als die wel ter sprake komt, dan is dat eigenlijk vooral om deze motivatie van het kind enigszins laatdunkend te bespotten. “Messi is een uitzondering lieverd, met voetballen kun JIJ je brood niet verdienen,” citeert het artikel van nrc.nl nog gekscherend.

Op allerlei manieren wordt op deze manier enigszins vernederend aangetoond dat de binnenkant – dat wil zeggen: de eigen waarden van het kind – bij de beslissingen voor het werken aan de toekomst, als secundair worden beschouwd. Primair geldt dan ook dat, op gebied van werk en identiteit, de sociale omgeving voor de jongere stuurt, beslist en eigenlijk het laatste woord heeft. Dat dit echter belangrijke gevolgen heeft voor de identiteitsontwikkeling – en sterker nog, dat hiermee wellicht zelfs iets zeer fundamenteels over het hoofd wordt gezien – wordt op deze manier genegeerd. Hoe dat zit, leg ik in het volgende deel van dit essay uit.

Identiteitsontwikkeling

Op het gebied van identiteitsvorming bestaan allerlei theorieën. Voor dit essay is vooral de theorie van de Gentse hoogleraar klinische psychologie en psychoanaliticus Paul Verhaeghe over identiteit interessant. Verhaeghe toont namelijk helder aan dat er een belangrijke leemte ontstaat, een soort ‘onbewuste denkfout’, wanneer de identiteitsvorming enkel gezien wordt als – en in de praktijk misschien zelfs in hoofdmaat bepaald wordt door – een sociaal constructieproces.

In de optiek van Verhaeghe balanceert het sociaal constructieproces tussen twee polen. Voor de eerste pool gebruikt hij het woord ‘identificatie’ of ‘mirroring’. Vanaf de geboorte worden aan het kind voortdurend door de omgeving (te beginnen bij de ouders) woorden en beelden voorgehouden die hij overneemt. Deze woorden en beelden onderbouwen de identiteit. Het kind, cq. de mens, spiegelt zich ermee in de omringende anderen en herkent zich zo in de eigen omgeving. Grotendeels onbewust kijken we dan ook, aldus Verhaeghe, gezamenlijk in dezelfde – sociale – spiegel. Bij identificatie speelt de sociale omgeving dus een belangrijke en bepalende rol.

Voor de tweede, tegengestelde, pool van identiteit gebruikt Verhaeghe het woord ‘separatie’. Dit proces gaat in tegen de identificatie. Het duidt op de weigering om zaken uit onze omgeving aan te nemen. Al op zeer vroege leeftijd weigert het kind zaken van de ouders aan te nemen en wil het  eigen keuzes maken. Dit proces van separatie is in de volksmond een stuk bekender dan de identificatie. Vooral omdat het een proces is dat op twee momenten in de ontwikkeling van kinderen zeer sterk tot uitdrukking komt.

Allereerst in de peuterfase, waarin de woordje ‘ik’ en ‘nee’ worden ontdekt (en dan vooral in de combinatie ervan). En vervolgens in de tweede kenmerkende periode in het leven van de jongere: de puberteit, wanneer de jongere de eigen grenzen aftast door er zoveel mogelijk tegenin en overheen te gaan. De ouders, die voorheen nog zo sterk de sociale spiegel vormden waarin de jongere zich herkende, vormen nu het sociale object waar de jongeren zich tegen af moet zetten om een zelfbepalend individu in te worden.

Het antwoord op de vraag ‘wie we zijn’ – de constructie van identiteit – hangt daarmee als het ware midden in het spanningsveld van deze twee polen. Identiteit is dus vooral een evenwichtspositie tussen identificatie en separatie. Er is daarbij, aldus Verhaeghe, geen sprake van processen die elkaar afwisselen en afgerond raken. Maar identificatie en separatie zijn tegelijkertijd – en voortdurend – aan het werk, zij het in afwisselende mate.

‘Identiteit ontwikkelen’, betekent daarmee een bepaald evenwicht vinden in de spanning tussen enerzijds een verlangen dat naar de groep drijft, om zichzelf te herkennen in de sociale omgeving. En anderzijds een wens tot autonomie en zelfstandigheid, om de mogelijkheid te hebben eigen keuzes te maken.

Het is zeer aannemelijk dat in de relatie tussen werk en identiteit een zelfde soort van evenwicht bereikt moet worden: enerzijds de wens bij de groep van werkenden te horen en anderzijds daarin de eigen vorm te kunnen bepalen. De focus zoals die aan het begin van het artikel uit de NRC al gelegd wordt, is tekenend voor de verstoring van dit evenwicht. Het illustreert namelijk hoe jongeren vanaf het startpunt van hun studie- en beroepscarrière, op gebied van werk en beroepskeuze vooral gedwongen worden om te kiezen voor ‘wat de groep van hen verlangt’. En, nog schadelijker: er wacht voortdurend vernedering en afkeuring, als een jongeren kiest voor zelf-bepaling, voor autonomie, en een andere koers tracht te varen.

In essentie is er dus ronduit sprake van sociale dwang. Dat klinkt wellicht hard, want ouders bedoelen het immers goed. En er zal in de meeste gevallen ook sprake zijn van een diepe en oprechte bezorgdheid om de toekomst van het kind. Maar dat neemt niet weg dat eerst en vooral het verlangen, of beter: de eisen, van de groep aan hem of haar wordt opgedrongen.

Het gaat daarbij bovendien niet alleen om ‘een goede toekomst’ veilig te stellen. Bewust of onbewust gaat het er ook om in de sociale hiërarchie een plek te veroveren, te behouden of om in ieder geval de schaamte van het verliezen van die plek te vermijden. Onderliggend aan de studie- en beroepskeuze, dieper kijkend dan de oppervlakte van ‘ouderlijke bezorgdheid voor de toekomst van je kind’, schuilt een maatschappelijk voorschrift. Een voorschrift dat ook nog flink venijnig van aard is.

Er schuilt een onbewust voorschrift in dat men van productieve waarde moet zijn voor de samenleving. Deze eis is wellicht realistisch en legitiem, maar de eis zelf is echter in steeds mindere mate sociaal van aard. Zij heeft in steeds grotere mate vooral een economisch karakter. Dat wil zeggen: de eis is voornamelijk gericht op winstmaximalisatie voor het systeem. Het aspect van de separatie en individuatie bij de identiteitsvorming van de jongeren komt daarbij aanzienlijk in gedrang. En omdat het kind zich daarbij nog volop in het proces van de identiteitsconstructie bevindt, kan het zich hier ook niet of nauwelijks tegen verzetten.

Kantklossen en het Ikea-principe

Het artikel van nrc.nl waarmee ik dit essay begon, is gebaseerd op een meer uitgebreide en meer diepgaande oratie ‘Helpen als ambacht. Arbeidsdeling in de participatiemaatschappij’ van Margo Trappenburg, voorgedragen bij het aanvaarden van het ambt van bijzonder hoogleraar ‘Grondslagen van het maatschappelijk werk’ aan de universiteit van humanistiek. Trappenburg stelt daarin dat de omslag van de verzorgingsstaat naar de participatiesamenleving belangrijke gevolgen heeft voor de arbeidsverdeling.

Veel werk dat in de verzorgingsstaat werd gedaan door betaalde krachten, wordt in de participatiesamenleving op onbetaalde basis verricht. Trappenburg noemt dit de opkomst van het Ikea-principe: het Zweedse warenhuis bouwt immers niet langer meer de kast, maar levert de onderdelen. En verwacht vervolgens dat de koper zelf zijn kast bouwt. In zorg- en welzijnsland ziet Trappenburg hetzelfde ontstaan: de overheid biedt tools en kaders aan. En verwacht vervolgens dat de hulpvrager zelf zijn hulp realiseert, vaak met behulp van familie, vrienden en vrijwilligers. In dit Ikea-principe verdwijnt dus de klassieke opbouwwerker en sociaal hulpverlener en wordt deze vervangen door ‘sociaal managers’, vaak met een do-it-yourself toolkit. Of beter een help-yourself-toolkit.

Trappenburg stelt zich de vraag of het mogelijk is dat het sociale domein zich verzet tegen dit Ikea-principe. Haar antwoord luidt volmondig JA. Maar de redenering van Trappenburg bestrijkt slechts het beperkte werkveld van zorg en welzijn. Het Ikea-principe sijpelt namelijk ook door tot andere delen van de samenleving, in het bijzonder tot in de identiteitsvorming van jongeren. Als er nog verzet mogelijk is tegen het Ikea-principe, dan moeten we misschien dáár beginnen. Maar laten we eerst wat verder uitleggen wat Trappenburg bedoelt met het Ikea-principe en welk gevaar het precies vertegenwoordigt.

Voorafgaand aan het Ikea-principe bestaat er zoiets als  ‘het kantklosprincipe’. Dit is het verschijnsel dat sommige beroepen niet langer bestaan, omdat beroepen nu eenmaal komen en gaan. Het werk bestaat niet meer. En daardoor verdwijnt het beroep. De stadsomroeper bestaat bijvoorbeeld niet meer, want nieuws wordt inmiddels verspreid via televisie, radio en internet. En er is ook nauwelijks vraag meer naar geklost kant, dus kantklosser is geen beroep meer. Deze veranderingen zijn te vergelijken met de verandering in het weer: het gebeurt en je kunt er weinig aan veranderen: je zult ermee moeten leven.

Trappenberg waarschuwt echter dat juist omdat het kantklosprincipe iets onvermijdelijks heeft, de neiging ontstaat om alle verschuivingen in werk en beroep te zien als onvermijdelijk. Er ontstaat een bepaalde ‘retoriek van de onvermijdelijkheid’. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Het Ikea-principe is volgens haar een voorbeeld van zo’n niet-onvermijdelijke verschuiving: het is het mechanisme van de verdringing: het werk bestaat nog steeds. Maar het wordt nu uitgevoerd door andere mensen, tegen andere voorwaarden.

Ikea gaf naam aan deze verschuiving: kasten, banken en tafels die eerst in elkaar moesten worden geschroefd door een vakkundige timmerman, tegen een fatsoenlijk arbeidsloon, worden nu gratis in elkaar gezet, door de klant zelf. De Ikea-verschuivingen vormt echter geen noodzakelijke verschuiving. Het is een verschuiving die het een organisatie en werkgever mogelijk maakt om een heleboel mensen te ontslaan, het product en dienst goedkoper te maken en op deze wijze meer winst te bereiken. Het is slechts één mogelijk ‘businessmodel’, die vooral meer geld in de zakken van de werkgever belooft. Maar dat maakt het nog steeds geen noodzakelijkheid.

En, zo constateert Trappenburg, het Ikea-principe dringt ook door op allerlei andere plekken. Allemaal omdat de consument er om zou vragen. Managers, maar ook politici die overheidstaken teruggeven aan de burgers, signaleren een onvermijdbare maatschappelijke en technologische ontwikkeling, waar zij ‘natuurlijk’ pro-actief op moeten inspelen. Echter, die terminologie van de onvermijdbaarheid is hierbij sterk misleidend.

Het Ikea-principe is namelijk echt níet hetzelfde als het kantklosprincipe. Bij het Ikea-principe kan er een keuze gemaakt worden, om op andere waarden dan winstmaximalisatie of bezuiniging een koers te varen. De herverdeling van werk zoals die nu, bijvoorbeeld in de hulpverlening, plaatsvindt is dan ook géén noodzakelijke ontwikkeling. Waar Trappenburg zich richt op het werkveld van zorg en welzijn, gaat – zo denk ik zelf – haar argumentatie echter ook op voor de volledige arbeidsmarkt. Wat werkelijk verschoven is, zijn dan ook de voorwaarden waartegen werk verricht wordt. Zowel Trappenburg als Verhaeghe benoemen deze verschuiving.

Trappenburg gaat, om dat aan te tonen, ver terug in de geschiedenis. Ze verwijst onder meer naar de rechtvaardige samenleving volgens Plato. Volgens deze Griekse wijsgeer ontstaat een rechtvaardige samenleving als iedereen doet waar hij goed in en geschikt voor is. Mensen die goed kunnen weven, timmeren of metselen, worden wever, timmerman of metselaar; mensen die moedig en sterk zijn, worden soldaat en mensen die – door een combinatie van talent en een heel gedegen opleiding – goed kunnen filosoferen, moeten het land besturen.

Op die manier wordt volgens Plato als het ware (in een ideale, rechtvaardige staat) het werk gecreëerd bij het talent dat iemand bezit, vanuit een sociale en ethische visie op arbeidsverdeling. Trappenburg vergelijkt deze houding met die van Gerard B, de decaan uit het begin van dit essay, die de worstelende leerling in bescherming neemt tegen zijn ouders. En daarbij allereerst zegt: ‘Ga eerst maar eens ervaren wat je leuk vindt en waar je goed in bent. En dan zoeken we daar een functie bij.’

De mens als gebruiksmiddel?

Die houding is echter flink veranderd. De 18de eeuwse econoom en moraalfilosoof Adam Smith realiseerde zich aan het begin van de industriële revolutie dat arbeidsspecialisatie een enorme efficiencywinst kan opleveren. Deze winst wordt echter niet bereikt doordat de arbeiders allemaal iets doen waar zij zelf, persoonlijk, goed in zijn. Maar doordat zij allemaal één klein onderdeel van het productieproces uitvoeren, waarin zij vervolgens (en bijgevolg) heel erg goed in worden.

Werk is dus niet het gewenste en nagestreefde resultaat van het inzetten van de juiste talenten op de juiste plek. Het is andersom. Iedere onderdeel van het productieproces dicteert welke talenten ontwikkeld moeten worden. De werker zelf wordt in dit systeem inwisselbaar. Deze ontwikkeling heeft tot gevolg dat er een principe van bruikbaarheid kruipt in ons menselijk bestaan. Het maakt mogelijk dat mensen een middel voor een doel worden. Een doel bovendien dat door andere mensen wordt bepaald! Mensen worden niet meer gezien als mens met eigen talenten, maar als een in te ruilen gebruiksmiddel, dat op zo’n efficiënt mogelijke wijze ingezet kan (en moet) worden.

Verhaeghe beargumenteert dit denken nog radicaler en maakt het nog actueler. Dit denken is volgens hem niet langer ‘slechts’ een economisch denkmodel, maar is inmiddels doorgesijpeld tot in de essentie van onze identiteitsvorming. De spiegels op grond waarvan we onze identiteit vormen – onze normen en waarden – zijn gebaseerd op dit dominante economische model – het neoliberalisme. En de grondtermen van dat model zijn woorden als ‘succes’, ‘efficiency’, ‘competitiviteit’, ‘flexibiliteit’ en ‘individualisme’.

Verhaeghe komt tot deze conclusie doordat dat deze woorden tot in zijn spreekkamer als psychoanalyticus doorgedrongen zijn. Zijn patiënten worstelen steeds meer met identiteitsproblemen die hun kern vinden in de achterliggende eisen van het neoliberaal economisch model. Verhaeghe concludeert dan ook dat deze begrippen zich inmiddels zó diep hebben genesteld in onze identiteitsvorming, dat zij ons daarmee, in letterlijke zin, psychisch ziek maken.

Verhaeghe trekt daaruit zijn conclusies. Op maatschappelijk niveau veroorzaakt het neoliberalisme – en de daarmee gepaard gaande privatisering, bezuinigingen en het winstbejag – een toenemende ongelijkheid en een opdeling van mensen in winnaars en verliezers. Het veroorzaakt gevoelens van angst en schuld, waardoor mensen de omringende anderen gaan beschouwen als een constante bedreiging en concurrent. Iedereen die dan niet succesvol is, krijgt te horen dat hij het aan zichzelf te wijten heeft. Een vloedgolf aan angststoornissen en depressies is dan het gevolg.

Zowel Trappenburg als Verhaeghe bepleiten echter dat deze ontwikkelingen niet onomkeerbaar zijn. Het is geen kwestie van ‘slechts geschiedenis’. Trappenburg is van mening dat het door haar aangehaald Ikea-principe niet onvermijdelijk is, en dat het tij gekeerd kan en moet worden. En (hoewel spaarzaam) is ook Verhaeghe in zijn laatste boek, ‘Autoriteit’, enigszins hoopvol dat het ook anders kan.

(CC foto: Eric Fischer – Crossroads)

Tot dit punt volgt dit essay de lijn van argumentatie van de beide auteurs. Echter, vanaf dit punt wil ik toch enigszins afwijken. Verhaeghe verzet zich namelijk tegen een bepaalde vorm van streven naar de autonomie – dat hij vooral beschouwt als een inmiddels te ver doorgeschoten correctie van het dwingende patriarchaat van weleer. Hij zoekt het veel meer in een nieuwe autoriteitsvorm die vooral bij het collectief moet liggen. Zijn belangrijkste advies voor hervorming en redding van het neoliberalisme – vaak door hem met een enigszins ontwapenende glimlach gebracht – kan dan ook worden samengevat onder het motto: ‘Verenigt u.’

Ikzelf deel deze mening echter niet volledig. Verhaeghe’s advies om te verenigen, neigt naar mijn mening teveel op slechts één poot van de identiteitsvorming: het sociale aspect. Niet voor niets geeft Verhaeghe in zijn meest recente boek ‘Autoriteit’ namelijk aan dat we de ene pool van de identiteit – het proces van identificatie – wetenschappelijk redelijk goed begrijpen, met behulp van de psychoanalyse, de ontwikkelingspsychologie en door recent onderzoek naar de werking van spiegelneuronen (zie hiervoor ook het hoofdstuk ‘De werkeloze zondebok’).

Want juist die andere pool van het proces van separatie begrijpen we namelijk nog nauwelijks. En laat dát proces nu net zo belangrijk zijn voor het uniek individuele aspect van het proces van identificatie. Daarmee komen we uit bij die vraag van Gerard, de eerder genoemde schooldecaan: ‘Wat vind je ZELF leuk? Waar ben JIJ goed in? Waar ligt JOUW talent?’

Menselijke waardigheid!

Op bovenstaande vragen zal de leerling in eerste instantie waarschijnlijk geen concreet antwoord hebben. Al was het maar omdat het hem nog aan echte eigen levenservaring ontbreekt. Toch zijn dit wel de wezenlijke vragen die het uitgangspunt vormen voor de zoektocht waarmee een jongere tot eigen keuzes komt. Het zijn vragen die leiden tot kennis van wie iemand is als individu. En daarmee zijn het vragen die leiden tot autonomie en tot separatie van de groep.

De antwoorden op deze vragen vormen dan ook belangrijke ankerpunten op de weg door het leven. Ze zijn koersbepalend en bieden houvast. Je kunt er je waardigheid aan ontlenen, ook als alles om je heen langzaam wegvalt. Het streven naar deze vorm van waardigheid – en een poging tot een vorm van opvoeding tot die waardigheid – vormt daarmee mogelijkerwijs ook een uitgangspunt dat een hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek als Trappenburg wellicht zou kunnen aanspreken.

Het gevoel en het behoud van waardigheid is ook op het terrein van de relatie tussen werk en identiteit van wezenlijk belang. Op gebied van autonomie – en dus op gebied van de versterking van de separatie – is het vooral van belang dat mensen onderwijs krijgen ín, en opgevoed worden tót, volwaardig mens. Ik bedoel daarmee dat mensen onderwijs krijgen in hoe ze een mens kunnen zijn die weet wat het betekent om waardig te leven voor zichzelf (en dus niet langer ‘voor het sociale geheel’). Studie- en beroepsmaximalisatie zijn in dat uitgangspunt secundair.

In het boek ‘Een manier van leven: over de vele vormen van menselijke waardigheid’, schrijft Peter Bieri, een auteur die zich vooral heeft toegelegd op de filosofie van de levenskunst bijvoorbeeld:‘Werk draagt niet alleen door zelfstandigheid en erkenning bij aan waardigheid. Het gaat er ook om dat we ons met onze talenten kunnen ontplooien en ons daardoor als hele persoon ontwikkelen.’

Een dergelijke visie roept de klassieke Platoonse idealen weer in gedachten. Door op die manier te gaan zoeken naar wat een studie of wat een passende toekomstige baan zou kunnen zijn, zou het wellicht tot een heel ander gesprek kunnen komen tussen de ouders en het kind. Waarbij het voorzichtig bijsturen in een richting die niets te maken heeft met het kind, maar alles met de wensenlijst van de samenleving, vervangen kan worden door een oprechte houding van interesse in de talenten van het individuele kind. En waarbij ook niet langer lichte spot en het door cijfers bepaalde realisme de boventoon voert. Maar waarbij de waardigheid van het kind belicht wordt.

Zodat het later, als volwassene, zelfs in tijden van werkeloosheid kan voortbouwen op de eigen talenten. Dit uitgangspunt van de menselijke waardigheid zou ook een goed startpunt zijn voor de volwassene die zijn werk door omstandigheden kwijt is geraakt. Of die al langer werkeloos is, voor de reflectie op de eigen waarde. Of zelfs voor iemand die mensen begeleidt in de richting van werk: als basis van een open, luisterende houding.

Om op deze wijze de toekomst van een mens samen vorm te geven, gericht op het talent en de waardigheid. Op die manier wordt het mogelijk dat de relatie tussen werk en identiteit niet langer wordt bepaald door winstbejag en productievermogen. Maar dat ook werk en identiteit doordrongen raken van de principes van de menselijke waardigheid!


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

2 thoughts on “Menselijke waardigheid

Geef een reactie