Over verlangen naar het Sacrale in een giftige samenleving
Vanuit het raam van mijn studie-slaapkamer kijk ik schuin uit op het achterste gedeelte van een groot parkeerterrein. Niet het meest troostrijke uitzicht. Maar soms, tijdens een pauze tussen het schrijven door, kijk ik ernaar. Met een kopje koffie dampend in mijn handen, gedachteloos starend naar dat lege stukje asfalt. Zo oefen ik mijn geest net zo leeg te worden als dat stukje grauwe grond. Meestal lukt dat heel aardig. Zoveel zit er blijkbaar niet in mijn hoofd.
Het terrein hoort eigenlijk bij een XL-supermarkt. Het is gevuld met een ondoorgrondelijke saaiheid. Een stads stukje leegte, versierd door grauwe plukjes plastic afval. Het asfalt isoleert de aarde en verstikt de grond eronder. In de zomer, onder de strakke blauwe lucht, kun je de hitte er boven zien kronkelen. Een elektrische laadpaal steekt als een treurig verlichte vlaggenstok omhoog, symbool voor een verdwaalde poging tot duurzaamheid. Daarnaast nog zes grote containers, bestemd voor het recyclen van glas, kleding en blik. Kroonstukken van de tandeloze hoop dat we met een moedeloze kringloop de wereld zouden kunnen redden.
Een groot deel van het terrein zelf ligt buiten mijn zicht. Op de meeste dagen, zelfs tijdens de weekenden – wanneer de meeste huishoudens hun boodschappen doen, met de dralende 1.8 kinderen jengelend in hun voetspoor – is alleen het voorste gedeelte van het terrein ingenomen door auto’s. Dat deel van het terrein – bijna 80% ervan – wordt door grote laadruimtes met toegang tot de magazijnen van twee andere winkels – een Kruidvat, een Zeeman – aan mijn zicht ontnomen.
Leegte vullen met meer leegte
Zelfs in het weekend kijk ik dus een groot deel van het jaar uit op een leeg, meditatief stukje asfalt. Toch is er één periode waarin de dingen anders zijn. Een periode van het jaar waarin de grauwe leegte gevuld is met iets anders. Niet minder grauw. Eigenlijk gevuld met een veel grotere leegte. Het is wanneer het einde van het jaar nadert. (En, bijzonder genoeg, vaak in de paar dagen in aanloop naar Pasen. Wat dan natuurlijk weer over een heel ander symbolisch einde en begin gaat. Maar dat is een ander verhaal.)
Nu, terwijl ik dit schrijf, vindt de verandering weer plaats. Het is een kleine 20 minuten voor 09.00u in de ochtend. Het ontbijt net achter de kiezen. De grauwe lucht buiten is vol van mist. De schoorstenen worden omhuld door grijze nattigheid. Gedachteloos neem ik nog een slokje van mijn koffie, lui draaiend op mijn bureaustoel voor ik weer begin met mijn werkzaamheden. En ik kijk toe hoe een auto – groot, zwart, type ‘machoman’ – daar in mijn blikveld voor een tweede keer een rondje rijdt, op dat laatste stukje parkeerplaats.
De auto lijkt dringend op zoek naar een plekje. Langzaam volgt het zijn koers tussen alle andere reeds geparkeerde auto’s. En plotseling dringt het volledig tot me door. Zoals al jaren zijn het immers niet de dennenbomen, niet de lichtjes voor de ramen, niet de glimmende zilveren sterren, of zelfs maar de stollen in de aanbieding, die me herinneren aan deze periode van het jaar. Het is dit parkeerterrein – in omvang bijna net zo groot is als een klein voetbalveld – dat me eraan herinnert. Het is weer kerst. En het nieuwe jaar is in zicht.
Welkom bij Kerst en Nieuwjaar
Kerst. Het is voor mij het uitzicht op af- en aanrijdende auto’s op een overvol stukje parkeerterrein. Als ik naar buiten zou lopen, zo weet ik, zal ik om de hoek enkele gedrongen ruimtemannetjes driftig bezig zien, terwijl ze in felgekleurde, geel-oranje uniformen het toeterende in- en uitrijdende verkeer in goede banen proberen te leiden. Ze worden de laatste jaren speciaal door de supermarkt ingehuurd, vanwege de waanzin bij de stoplichten in deze periode. Dit uitzicht op consumptieve hebzucht en dorstige kooplust vormt al jaren een vaste traditie in de laatste week van het jaar.
Welkom bij kerst. Het postmoderne maatschappelijke vreet-u-vol-feest. Voel je welkom bij dit theater van consumptie, waarbij de kloof tussen arm en rijk niet groter kan zijn. Waarbij de gescheiden moeder de kinderen voedt met kaas op een stroopwafel en een hardgekookt ei, met buikpijn vanwege de schulden vanwege de stijgende stookkosten door een oorlog ver, ver, verderop. Waar de angst vanwege cadeautjes die ze niet kon betalen wordt weggedronken. Welkom bij de broertjes en zusjes die ruzie maken over de nieuwe games, de PlayStation en tablet die ze net onder de kerstboom vandaan hebben mogen plukken.
Welkom tijdens deze dagen van feest. Waar afgepeigerde ouders het glas snel opnieuw vullen om de scherpe randjes van de afgedwongen gezelligheid wat te verzachten. Waar, tussen de dennenboom en de warme lichtjes, de bijna ondraaglijke stress broeit tijdens de uitpuilende familiediners. Waar oude gezinsconflicten hun hoogtepunt bereiken naast een plastic kribbe. Waar de geboorte van een klein wonder gevierd wordt met vraatzucht, hebzucht en overconsumptie. En waar het nieuwsoverzicht van het nieuwe jaar start met een inventarisatie van de schade en het aantal gewonden (en soms zelfs doden).
Saamhorigheid en overconsumptie
Iets maakt ons – als samenleving, maar ook als individu – blijkbaar door en door verward. We verwarren ‘saamhorigheid’ met tot de nok toe gevulde winkelwagentjes. We verwarren een boodschap van hoop en geboorte met een marketingtruc voor consumptie. Een symbool van verrijzenis en nieuwe kansen wordt weggelachen als bijgeloof. En ondertussen vieren we de verwarring op de terreinen van de supermarkt. Het feest wordt gevierd met een verknipte stoelendans met in plaats van stoelen, luxe auto’s. En met de onderbetaalde verkeersregelaars als nieuwe priesters van een verwarde samenleving.
Met de af- en aanrijdende auto’s in mijn blikveld moest ik denken aan de Zwitserse psychiater Carl Jung, die zelf eveneens in diverse essays uitgebreid reflecteerde op de interne verwarring zoals hij die tegenkwam. Zowel in het individu, als binnen de samenleving. Met name moest ik denken aan één van Jung’s observaties over de interactie tussen individu en cultuur. Zo stelt Jung bijvoorbeeld:
“In de patiënt treffen we altijd een conflict aan dat op een bepaald moment is verbonden aan de grotere problemen van de samenleving. Wat aanvankelijk het individuele conflict lijkt van de patiënt, onthult zich op den duur als een universeel conflict van diens omgeving en tijdperk. Neurose is op dan ook niets anders dan een individuele poging – hoe onsuccesvol ook – om een universeel probleem op te lossen.”
Overvolle winkelwagens als symptoom van ziekte
Het overvolle asfalt is dus eigenlijk niet veel anders dan een symptoom van een ziekte. Of beter gezegd, de overvolle winkelwagentjes, de stress, de overconsumptie en de scheiding tussen arm en rijk en tussen mensen zelf, vormen het syndroom van een giftige samenleving. De wanhopig rondrijdende auto’s, op zoek naar een plekje om te kunnen beginnen met hun blinde koopjacht, doen me op metaforische wijze denken aan de wanhopig zoekende mensen, wachtend op de juiste geestelijke zorg.
Hoe er mensen zijn die, op dit moment van feest, rustig vermalen worden op de wachtlijst van iets wat ‘gezondheidseconomie’ heet. Blind op zoek naar een uitweg, en ondertussen langzaam verbrijzeld en in stukken uiteengereten in de rekensom die zorg en gezondheid heet. Wie in de problemen komt door vooral (psychische) zorgproblemen en (geestelijke) gezondheidsproblematiek, mag daarbij moedeloos ergens achter op het parkeerterrein aansluiten.
Deze mensen zijn in afwachting van wat in 2025 een ‘verkennend gesprek’ genoemd zal worden. Geruststellend wordt daarover verteld dat dan er in ieder geval drie hulpverleners nodig mogen zijn om – gelukkig nog wel met de cliënt (maar zonder zou vast prettiger zijn) – de hulpvraag van de cliënt vast te stellen. Want, zo stelt het ZorgInstituut Nederland in al haar statistische wijsheid, de verwachting is dan dat met deze ‘verkenningen’ de wachtlijsten in de GGz zullen afnemen.
In mijn achterhoofd vraag ik me ondertussen af wat er ook alweer is gebeurd met het ‘doorslaande succes’ (voetnoot: dit is sarcasme) van het zogenaamde ‘keukentafelgesprek‘. Of ik haal nu dingen door elkaar? We zorgen er in ieder geval voor dat ‘zorgen voor elkaar’ flink ingewikkeld is. Zorg is eigenlijk geen zorg meer. Zorg is een administratieve handeling geworden.
‘Onbehagen’ als maatschappijkritiek
Wie mijn blogs een beetje leest en volgt, weet dat ik me al jaren bezighoudt met een vorm van maatschappijkritiek zoals die eigenlijk z’n oorsprong vindt bij het psychoanalytische werk van Sigmund Freud en, in het bijzonder, zijn in 1923 gepubliceerde ‘Het onbehagen in de cultuur’. Daarin stelde Freud de theorie voor dat de samenleving in feite tot doel heeft ontwikkeld om meer geluk te vinden. Maar dat precies die samenleving zelf er paradoxaal genoeg voor zorgt dat we juist óngelukkiger worden.
Zoals Freud het stelt:
De beschaving (…) vermaant ons slechts dat, hoe moeilijker het is om het voorschrift te gehoorzamen, hoe verdienstelijker het is om dat te doen. Maar iedereen die in de huidige beschaving zo’n voorschrift volgt, benadeelt zichzelf alleen maar, vergeleken met degene die het negeert. Wat een krachtig obstakel voor beschaving moet agressiviteit zijn, als de verdediging ertegen net zoveel ongeluk kan veroorzaken als agressiviteit zelf! De ‘natuurlijke’ ethiek, zoals ze genoemd wordt, heeft hier niets te bieden, behalve de narcistische voldoening om zichzelf beter te kunnen vinden dan anderen.”
Had Freud hierin gelijk?
Verontrustend genoeg laat veel onderzoek in de sociale wetenschappen inderdaad het gelijk van Freus zien. Over de afgelopen eeuw – en misschien al veel langer – is de aanwezigheid van psychische ziekte, verslaving, zelfmoord en angststoornissen op dramatische wijze toegenomen. Hetzelfde blijkt uit veel crossculturele, epidemiologische en gezondheidswetenschappelijke studies.
Alarmerende toename van psychische ziekte in de samenleving
Zo concludeert het CBS in een onderzoek uit 2021 naar zelfdoding in Nederland bijvoorbeeld alleen al, dat er vanaf 1950 gemeten, de zelfdodingscijfers inderdaad stijgen, ook wanneer rekening wordt gehouden met de omvang en opbouw van de bevolking. Zo is het aantal jongeren dat uit het leven stapt sinds de jaren 50 toegenomen van 0,9 per 100.000 inwoners, naar 3,1 gevallen per hetzelfde aantal inwoners in 2020. Een gemiddelde stijging in 70 jaar dus, van 900 naar 3100, per 100.000.
Ook uit onderzoek van de School for Public Health Research uit 2023 blijkt dat de afgelopen 20 jaar het aantal gevallen van depressie, angst en stress is toegenomen (overigens opnieuw, vooral onder jongeren). Niet voor niets bijvoorbeeld ook het succes van een boek als ‘Generatie Angststoornis’ van Jonathan Haidt (Dit is overigens een boek dat wetenschappelijk zeker niet zonder kritiek gelezen moet worden. Maar dat is een andere blog.)
Ik vind het daarbij ook belangrijk om aan te geven dat ik dit schrijf in het besef dat bovenstaande onderzoeken natuurlijk geenszins representatief zijn voor (of zelfs maar in de buurt komen van) wat je zou kunnen beschouwen als ‘wereldwijd onderzoek’. Ik ben enkel een schrijver, geen wetenschapper. En het is inderdaad lastig om echt gedegen onderzoek te vinden dat de intuïtie wetenschappelijk onderbouwt dat er werkelijk iets aan de hand is met de psyche van de wereld.
Toch blijft het niet heel erg moeilijk om met wat geduldig online zoekwerk voldoende – en verontrustende – resultaten tegen te komen die kunnen leiden tot deze conclusie: Freud had niet alleen gelijk. Het is eigenlijk veel erger dan Freud bijna honderd jaar geleden al dacht.
Voorbij het simplistische dualisme: de Sociale Instincten
Die conclusie sluit ook aan bij de meer volwassen psychologie van Freud. Wanneer hij voorbij gaat aan zijn eerste seksuele theorieën, en waarin hij stelt dat de sociale drijfveren en de drift tot gemeenschap en hechting tenminste net zo belangrijk is voor de instinctieve verlangens van het individu en de neiging van de beschaving om deze te onderdrukken. Uiteindelijk gaat de hele observatie van een giftige samenleving dan ook voorbij aan het simplistisch dualisme van ‘individu versus cultuur’.
Zelfs de vroege psychoanalytische erkend al dat onze menselijke instincten veel verder reiken dan simpele verlangens tot seks en geweld. Maar dat we ook worden voortgedreven door een sterk verlangen tot sociale verbinding en hechting: onze Sociale Instincten. Carl Jung met zijn analytische psychologie werkte bijvoorbeeld verder op deze observatie door het belang te benadrukken van de mythologie, spiritualiteit en de creatieve verbeeldingskracht van de menselijke geest.
Mythologie, spiritualiteit en creativiteit vormen in feite universele uitdrukkingen van onze Sociale Instincten: het verlangen om verhalen te vertellen, om te verbinden met een groter geheel en om dit in beelden aan elkaar uit te drukken. Daarmee wijst Jung ons erop dat de oplossing voor dit hele probleem ook niet ligt in het ‘simpelweg’ samenbrengen van enerzijds de verdringing van de cultuur en anderzijds de basale instincten van de menselijke soort.
Het verkeerde probleem
Op zichzelf genomen zou bovenstaande al een enorm ingewikkelde oplossing zijn. Maar het is tevens het verkeerde probleem. De dichotomie tussen samenleving en individu is niet de reden dat we lijden. Waar het om gaat – en waar die volgepropte parkeerplaats aan het begin van deze blog symbool voor staat – is dat we meer angstig, onrustig, depressief, suïcidaal en verslaafd zijn geraakt dan een kleine eeuw geleden, omdat onze hele cultuur vergiftigd is.
In plaats van ons te voeden met ideeën waar onze psyche van groeit en van waar het tot ontwikkeling raakt, holt onze cultuur ons uit. Willens en wetens vergiftigen we onszelf, door onszelf te laten voeden met een cultuur van angst, onrust, boosheid en agressie. En ondertussen krijgen de middelen tot onze verslaving aangereikt in de nieuwe overgangsvoorwerpen van de postmoderne tijd: de mobiel en alle sociale media. Zo wordt onze psychologie langzaam vergiftigd door hetgeen het meest nodig heeft: de cultuur zelf.
Ons gebrek aan sociale verbinding, aan verhalen die ons verder helpen en die ons ondersteunen, is daarbij geen klein detail. Het raakt ons van binnen, tot in de kern van ons psychische, emotionele hart. Ons verlangen naar verbinding is archetypisch van aard: het is de essentie van onze menselijke natuur. En doordat we dit sociale kernpunt missen, blijven we zwemmen in een giftige zee van een lege cultuur – zwerven we moedeloos rond op een overvolle parkeerplaats en rijden we doelloos rondjes op het asfalt, blind en uitgeput de winkelmandjes vullend, terwijl we in feite enkel zieker en zieker worden.
Affectieve neurowetenschap en verslaving
Ik verwees in dit kader in een eerdere blog naar het werk van Jaak Panksepp en zijn boek Affectieve neuroscience (lees daarvoor mijn blog ‘Hoe onze emoties te begrijpen’).
Panksepp legt in zijn werk uit hoe ons emotionele systeem eigenlijk biologische systemen zijn, die hoe dan ook hun ingeboren biologische imperatieven proberen te vervullen. Onze innerlijke systemen doen dat door elk middel dat ze maar tot hun beschikking hebben.
Iets doet ons pijn – emotioneel pijn – en omdat dit te dempen, vluchten we in gedrag dat eigenlijk het beste gezien kan worden als wat experts zouden aanmerken als ‘verslavingsgedrag’.
En terwijl verslaving bijvoorbeeld nog steeds gezien wordt als een individueel probleem – en vaak ook nog eens als een moreel individueel probleem – is het vanuit de bril van Panksepp en Jung bekeken, een emotionele reactie op een samenleving die ons vergiftigt.
Dus, wat als de verslaving veel dieper ligt dan enkel de verslaving aan de aantoonbare middelen – drugs, alcohol, roken, gokken? Wat als verslaving eigenlijk gaat over de afleiding zelf – afleiding in eten, pornografie, games. Afleiding in de verleiding, in status, in het streven naar macht, in de consumptie. Hoewel er natuurlijk individuele, biologische factoren zijn die samenhangen met verslavingsfactoren, denk ik steeds vaker dat ook de samenleving zelf verslaafd is.
Cultuur van verslaving
We leven volgens mij in een cultuur die verslaving zelf in de hand werkt – en we veroordelen vervolgens onszelf en de mensen om ons heen. Terwijl we in feite allemaal ten gronde gaan aan diezelfde verslaving. Dit proces valt dan precies goed te verklaren als reactie op het inmiddels ondraaglijk geworden gevoel van ‘onbehagen’ zoals Freud dat al een kleine 100 jaar eerder voorstond. Niet voor niets verzuchtte Freud in zijn essay hierover:
“Het leven, zoals wij dat ervaren, is te zwaar voor ons; het brengt ons te veel pijn, teleurstellingen en onmogelijke taken. Om het te kunnen dragen kunnen we niet afzien van verzachtende maatregelen. Er zijn misschien drie van zulke maatregelen: krachtige afleidingen, die ervoor zorgen dat we onze ellende licht opnemen; vervangende bevredigingen, die het verminderen; en bedwelmende middelen, die ons er ongevoelig voor maken.”
Het is overigens niet voor niets dat ik hier dit thema van verslaving aanraak. Op neurologisch, biologisch niveau van de mens bestaat er namelijk een aantoonbare link tussen enerzijds het neurale systeem dat ons prosociale gedrag ondersteunt en dat leidt tot hechting en verbinding. En aan de andere kant het biologische-neurologische systeem dat verbonden is aan verslavingsverschijnselen: ons eigen endogene (d.i.: ‘van binnenuit onstane’) peptoïde systeem – waar onze eigen biologische endorfine, dopamine, oxycotine en serotine – en dus onze eigen, lichamelijk aangemaakte, gelukshormonen, onder vallen.
Connectie sociale verbinding en verslavingsgedrag
Er is duidelijk een reden dat er steeds meer onderzoeken opduiken op die specifiek kijken naar het verband tussen enerzijds het ‘verlies van sociale verbinding’ en anderzijds ‘verslavend gedrag’.
Zo was er bijvoorbeeld in 2016 een studie waarbij het effect van Naltrexone, een opiaat-antagonist dat gebruikt wordt bij de behandeling van verslaving aan opioïden en alcohol, werd getest in relatie tot de ervaring van sociale warmte. Daarbij bleek inderdaad dat bij het gebruik van dit middel verstoringen optreden in de beleving van sociale warmte en verbinding. Dit onderzoek (klik hier voor de pdf) onderbouwt de conclusie dat verdovende middelen niet alleen fysieke pijn dempen. Maar ook de sociale pijn die wordt ervaren door sociale uitsluiting, gevoelens van isoloatie en afwijzing en eenzaamheid.
Er blijkt dus – aantoobaar/empirisch – een neurochemische overlap te bestaan tussen enerzijds het psycho-neuro-chemische mechanisme achter opioïde-afhankelijkheid (d.i: verslaving). En de psycho-neuro-chemische structuur van de sociale verbinding. Wat dat betreft is het dus ook helemaal niet vreemd dat 12-stappenprogramma’s als Alcoholic Anonymous en Narcotic Anonymous zo populair zijn op gebied van herstel. En vaak zelfs een verplicht onderdeel vormen van de behandeling door afkickklinieken.
Sociale verbinding als helend element in herstel
Of deze programma’s nu ‘echt’ (dat wil zeggen: ‘echt’ in de zin van ‘evidence based’) werken of niet (lees bijvoorbeeld dit inzichtelijke artikel over de effectitiviteit van de verschillende herstelprogramma’s): de achterliggende kern van het programma sluit immers precies aan op onze Sociale Instincten. Dit soort programma’s bieden namelijk precies de verbinding en de gemeenschap waar de deelnemers in hun herstel vaak zo naar smachten.
Bovendien zijn er ook een aantal belangrijke sociaal-helende aspecten die intrinsiek verbonden zijn aan dit soort programma’s. Bijvoorbeeld de rituelen, die zo fundamenteel zijn voor het ontstaan van verbinding (denk aan de meetings zelf, het sereniteitsgebed, de 12 stappen als ontwikkelingspad.)
Volgens één onderzoek uit 2013 die het belang van het gevoel van sociale verbinding en sociale identiteit bij herstel van verslaving onderzocht, gaat dit zelfs zo ver dat het concludeert dat de subjectieve ervaring zelf van het (weer) onderdeel te mogen zijn van een sociale groep, hier actief onderdeel van is. En op die manier dus actueel bijdraagt aan het herstel van verslaving.
Jung, Rowland H en Bill W:
Metanoia in 12 stappen
Opvallend genoeg heeft de analytische psychologie van Carl Jung hier eveneens een bijdrage aan geleverd. Carl Jung en diens spirituele theorieën is in feite één van de oorspronkelijke drijvende krachten geweest achter het ontstaan van de AA. De oprichters van AA – Rowland Hazard en Bill Wilson – werden in feite door niemand anders dan door Carl Jung zelf geïnspireerd tot het opzetten van hun 12-stappenprogramma.
Rowland Hazard was in 1931 een patiënt van Jung. Hij stopte met drinken gedurende zijn analyse. Maar viel al snel terug na diens analytische behandeling. Rowland keerde terug naar Jung voor hulp, maar die weigerde Rowland opnieuw te behandelen. Jung gaf toe dat alcoholisme als psychologisch Complex in feite te krachtig was om geïntegreerd te worden binnen de psyche door middel van analyse en begrip. In plaats daarvan zei hij dat niets anders Rowland zou kunnen helpen dan de blootstelling aan de ervaring van een oprechte religieuze bekering (Metanoia).
Rowland keerde vervolgens terug naar de Verenigde Staten en sloot zich aan bij de Oxford Groep, waar hij vele alcoholisten hielp bij hun herstel van hun verslaving. Hij onderging daar zelf inderdaad een spirituele ontwaking en bleef nuchter. Rowlands invloed zou uiteindelijk ook, deels, leiden tot de oprichting van AA.
Bill Wilson zelf correspondeerde in 1961 met Jung nadat hij Jung’s ‘Modern man in search of a soul’ had gelezen. Wilson werd door het boek met name geïnspireerd tot het idee dat de principes van AA misschien wel zouden kunnen worden uitgebreid naar andere vormen van verslaving, reikend voorbij alcoholisme. Jung antwoordde en gaf aan dat de zucht voor alcohol eigenlijk een equivalent was voor de spirituele dorst naar heelheid. Alcohol was, volgens Jung, eigenlijk een valse sluipweg in een poging om eenheid met God te bereiken.
Verslaving en het ‘oceanische gevoel’
De ervaring van een-wording zoals die vaak – hoe wazig ook – voortkomt uit het gebruik van middelen of gedrag, is natuurlijk een illusionaire heelheid, zo erkende Jung. Het was een valse spirituele ervaring. Maar het onderliggende verlangen, de zucht die er onder aanwezig was voor het numineuze, die draaide om het verlangen naar het ‘oceanische gevoel’, zoals Freud dat omschreef. Het effect van het gebruik van middelen was echter dat deze ervaring hoe dan ook altijd weer oploste in de akelige kater nadien. Het vervaagde met het uitwerken van de middelen.
Het is dan ook niet zonder reden dat ik hier zo lang stil sta bij het idee van verslaving. In reactie op die blik op een overvolle parkeerplaats, vol winkelwagentjes die tot de nok toe gevuld zijn met manifestaties van kooplust, genotszucht en consumptiehonger, kan ik bijna niet anders dan denken aan dat idee van verslaving. Ik trek deze vergelijking dan ook verder in de conclusie dat de giftigheid van onze cultuur verscholen zit in het idee van een verslaafde samenleving.
Volgens mij is al heel lang niet het individu meer verslaafd. Het is de omgeving zelf die verslaafd is geraakt.
De verslaafde samenleving
Dit idee van een verslaafde samenleving is niet heel origineel. Ik ben bovendien ook zeker niet de enige die dit idee steeds meer begint te krijgen. Ik wijs bijvoorbeeld naar de boeken van Gabor Maté (lees bijvoorbeeld: ‘Hongerige Geesten’ en ‘De mythe van Normaal’ – Over trauma, ziekte en heling in een toxische maatschappij). Om Maté te citeren:
“Verslavingen zijn in het begin de verdediging van een organisme tegen lijden dat het niet kan verdragen. Met andere woorden, we kijken naar een natuurlijke reactie op onnatuurlijke omstandigheden, een poging om de pijn van (..) opgelopen verwondingen en aanhoudende stress in de volwassenheid te verzachten.”
Maar ook een boek als ‘Dopamine Nation’ (met de schitterende subtitel: Why our Addiction to Pleasure is Causing us Pain) van psychiater Anne Lembke illustreert dat het idee van een maatschappij die gedreven wordt door verslaving eigenlijk niet uniek is. (Ik verwees ook al eerder naar het boek ‘Dopamine Nation’, waarin Lembke laat zien hoe wij mensen in onze samenleving voortdurend op jacht zijn naar onze persoonlijke dopamine-shots. Lees daarvoor mijn blog ‘De brandende mens in een palliatieve samenleving.’)

Onbehagen bij de gedachte aan een verslaafde samenleving
Hoe dan ook roept het idee van een ‘verslaafde samenleving’ vaak een gevoel van onbehagen op. De gedachte roept regelmatig zelfs zoveel weerstand op, dat we het gewoon maar liever vergeten, negeren, onderdrukken. Of, als het dan echt niet anders kan, liefst zelfs rechtstreeks afweren en het afdoen als onzinnigheid.
Dat laatste is echter jammer. Want dat betekent ook dat we al heel snel weer het zicht missen op een pad naar een mogelijke uitweg. Het is bovendien een pad dat ons al jaren wordt voorgegeven door programma’s die al jaren mensen helpen bij het herstel van verslaving. We missen het uitzicht op wat nog heilig voor ons zou kunnen zijn. We missen, negeren, vergeten of wijzen gewoonweg af, de directe ervaring van het Numineuze.
Het numineuze: de directe ervaring van het Sacrale
Het woord ‘Numineus’ is afkomstig van Rudolf Otto, die het woord beschrijft in zijn boek “Het idee van het Heilige” uit 1917. Hij gebruikt het woord (feitelijk ‘sacraal’) om de unieke kwaliteit te beschrijven van de ontmoeting met het Heilige. Otto had het idee dat het woord ‘Heilig’ eigenlijk de originele betekenis ervan verloren had. Heilig, dat was een soort gevoel van ‘morele zelfingenomenheid’ gaan inhouden.
Maar Otto wees erop dat uit het directe contact met het Heilige een bijzondere vorm van ervaring voortkwam die eigenlijk de basis van alle religie vormde. Hij beschreef deze ervaring door de Latijnse zin te gebruiken ‘Mysterium tremendum et fascinans’ – een mysterie dat zowel doet beven, als dat het aanzet tot fascinatie.
Deze ervaring bracht het gevoel voort van wat we noemen ‘het Geheel Andere’. We voelen ons geraakt, verbijsterd en tegelijk vervuld met een gevoel van wonder. Omdat we geraakt worden door iets dat volledig NIET tot onze basale, dagelijkse wereld behoort. Het gaat daarbij om iets wat moeilijk onder woorden te brengen is. We kunnen bovendien ook afgeschrikt worden door de ervaring, omdat de simpele kracht ervan ons overweldigd en ons het gevoel geeft eigenlijk heel klein te zijn. Of we voelen ons er juist door geborgen en getransformeerd.
Het Numineuze en de ervaring van Eenwording
Contact met de ervaring van het numineuze (wat het dan ook is dat deze ervaring voortbrengt) kan ook een gevoel van saamhorigheid, van eenheid of eenwording voorbrengen. Een gevoel van eenwording met de wereld en met andere mensen. Soms voelen we ons onwaardig, of juist gezegend. Een andere mogelijke reactie kan de realisatie zijn dat hetgeen waar we ons zorgen over maken eigenlijk heel triviaal is.
We raken gefascineerd door ons contact met het Numineuze, omdat het een soort spiritueel verlangen in ons veroorzaakt. Een verlangen tot het Heilige, tot het Sacrale – en tot de belofte van liefde en vrede die het beloofd. Als we er niet te bang voor worden, verlangen we er juist opnieuw naar. Daarbij is een belangrijk punt dat de ervaring van het Heilige vaak op bijzondere wijze voortkomt. Vaak op manieren die niet corresponderen met de verwachtingen van traditionele religies.
In Bijbelse verhalen wordt bijvoorbeeld verteld over Mozes met de brandende struik waardoor God tot hem spreekt. En over Paulus die getroffen op weg naar Damascus wordt door een verblindend licht met een boodschap van God: “Waarom vervolg je me.” Beide ervaringen zijn zo reëel dat ze de illusie voorbij gaan: ze zijn een realiteit die de mens die ze doormaken volledig veranderen. Maar het Numineuze kan ook ervaren worden in dromen. Of in de natuur zelf. Of in het lichaam. Of binnen de relatie.
Dit mysterie van de verbinding met anderen, de ervaring van ‘heelwording’, is hoe dan ook wezenlijk. Het is het brandende samenvallen met het volledig ander Levende.
Tussen het triviale parkeerterrein en de Sacrale Eenwording
Het Numineuze kan een gevoel van rust en kalmte veroorzaken in de ontmoeting met de Andere Mens. In de intieme liefdesrelatie herkennen we dat misschien het gemakkelijkst. We ontmoeten iemand, er is een blik, een vonk, een uitwisseling in een fractie van een seconde, en ‘bam’ – daar is de chemie. De absolute eenwording in het moment. In dat moment weet je het: dit is die Ene (zelfs al zijn er talloze andere ‘eenen’ geweest). En in feite ben je vanaf dat moment iemand anders dan je was vóórdat moment. Daarna is niets anders meer van belang.
Dat is het Sacrale in de ontmoeting. Het Absoluut Heilige. Het Volstrekt Andere.
Een groot deel van deze blog ging daarbij in feite over de weg die we als mens bewandelen tussen enerzijds de onrust, en anderzijds ons streven om precies die onrust tot stilstand te brengen. We ervaren een immense leegte en een groot gevoel van onbehagen op dat metaforische ‘parkeerterrein’ bij de supermarkten. En we streven, blijven verlangen, naar die ontmoeting met dat Volstrekt Andere. Want dat is de onrust. Het onbehagen. We weten niet wat er precies anders kan zijn. Maar we voelen tegelijk dat het er is, net buiten ons. Dat is het onverdraaglijke.
Het asfalt en de supermarkt: analyse van een symbool
Als we het geheel op symbolische wijze ontleden, dan zien we het volgende metaforische beeld ontstaan. Er is de mens, die geïsoleerd is geraakt van de aarde zelf. En in plaats van de verbinding te herstellen, blijven we wandelen over dat het asfalt. We weten dat er iets niet klopt, maar we blijven gescheiden van de wereld die ons voedt, afgezonderd van de natuur die we verdringen met het metaforische parkeerterrein.
Als mensen ervaren we het onbehagen van de leegte en weten tegelijk niet goed hoe deze invulling te geven. Dus bezoeken we de supermarkt – de cultuurvoorziener – die ons voedt met alles wat we niet nodig hebben, met de etalages vol toetjes, snoepjes, suikers, een consumptieve waanzin aan weergaloze overvloed waarmee we uiteindelijk enkel de leegte zelf voeden.
Laten we voor het gemak de supermarkt even blijven gebruiken als cultureel symbool voor onze verslaving aan consumptie, prestatie, stress, het adagium van ‘meer is beter, meest is best’. Allemaal gesymboliseerd door die overvolle winkelwagentjes met lege koolhydraten en afvalstoffen die we maar blijven vullen. En de af en aan rijdende auto’s, in een volstrekt lege kringloop van meer, meer, meer, om die leegte maar te vullen.
Spiritualiteit en de innerlijke leegte
Maar het blijft een leeg gat, terwijl we radeloos werken om maar meer van de leegte te vullen. Verslaving is in feite niets anders dan een poging om het lijden van de isolatie, van het afgesneden zijn van de verbinding, te dempen, te negeren. Het is een poging om een innerlijke leegte te vullen.
Dus wat is nu deze innerlijke leegte? Die leegte is onze behoefte aan spiritualiteit. Het is het innerlijke smachten naar de ervaring van dat Numineuze. Let daarbij op: ik heb het hier niet over religie. Onze innerlijke behoefte aan vervulling gaat over de reden waarom religie überhaupt ontstaat: het gaat om de invulling van de leegte door de ervaring van Heelwording – van eenwording.
Want dat is wat het Numineuze is: het is de ervaring van heelheid, van éénwording, van het samenvallen met iets wat groter is dan onszelf. Tussen het asfalt en het Numineuze bevindt zich momenteel de psychische ziekte van de mens. Het is de mens die voortdurend denkt dat wij en aarde van elkaar gescheiden zijn. Deze illusie van afgescheiden zijn, leidt tot een voortdurende en steeds groter wordende concurrentie, competitie en strijd.
In feite vertelt de ervaring van het Numineuze ons nu precies het tegenovergestelde: we zijn door en door verbonden. We zijn gerelateerd aan elkaar en aan de wereld om ons heen. Maar in ons streven naar het individuele meer – meer winst, meer prestatie, meer productie, meer consumptie – vergeten we het collectief van het GENOEG.
Het verlangen naar verbinding tussen asfalt en het Numineuze
Dit vergeten maakt onze psyche niet alleen ongezond. Het maakt ons ziek. Natuurlijk weet ik daarbij dat de oplossing voor deze ziekte niet in één gemakkelijk essay op te lossen is – het is zoals Gabor Maté het zegt: “Verslaving is een complex psychologisch, emotioneel, fysiologisch, neurobiologisch, sociaal en spiritueel proces.” Maar ik geloof wel dat we één onderdeel van de oplossing bijna altijd willens en wetens uit de weg gaan.
Spiritualiteit heeft nog steeds iets te zeggen. En doordat we het hebben verstoten uit onze maatschappij als een vreemd, raar en dubieus verschijnsel, hebben we denk ik meer schade aangericht aan onszelf en onze vorm van samenleven dan we denken. Maar het zweeft nog steeds tussen ons. Het raakt ons nog steeds. Het is waar ik naar kijk, als de rust weer terugkeert en de parkeerplaats weer leeg wordt.
Tussen het asfalt en het Numineuze zie ik het brandende verlangen naar verbinding – de spirituele wortels van onze ziel.
Disclaimer: Deze blog is zonder inmenging van ChatGTP, Gemini, Claude of welke andere vorm van kunstmatige intelligentie tot stand gekomen. Mijn teksten zijn altijd het werk van persoonlijke inzet en schrijversambacht. Het is geschreven door mijzelf, zonder assistentie of hulp van AI. Alle informatie, bronnen en illustraties zijn door mijzelf verzameld, nagekeken en beoordeeld.
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.






















