Onlangs sprak ik iemand die me vertelde dat hij zich voortdurend schuldig voelde. Schuldig over van alles. Schuldig tegenover zijn ouders, omdat hij afstudeerde tijdens hun vakantie. Schuldig tegenover vrienden, omdat hij niet eerlijk tegen ze was en ze niet vertelde dat hij zich eigenlijk ongelukkig voelde. Schuldig tegenover het lege restaurant, waar hij niet zat, terwijl hij wel ergens anders zat te eten. Schuldig. Hij wist, in zijn hoofd, dat het niet waar was. Maar in zijn hart?
Nou ben ik zelf niet iemand met wie je over schuld moet praten. Niet, omdat ik het niet ken, maar juist omdat ik het maar al te goed ken. Ooit ging ik gebukt onder het gevoel van schuld. Waar was ik eigenlijk niet schuldig aan? Ik had mensen in de steek gelaten. Ik had mensen gekwetst. Ik had zo lang in mijn eentje doorgezet, zo lang mijn tanden op elkaar gezet, gezwegen, dat uiteindelijk alles leek te breken. Ik wás schuldig. Maar inmiddels heb ik die gedachte min of meer losgelaten. Voor zover je je verleden kunt loslaten. Ik denk er niet meer zoveel aan. Maar ik praat er nou ook weer steeds niet graag over. Ik hou niet zo van schuld
Maar toch. Diegene die dat daar tegen mij zei – ‘Ik voel me voortdurend schuldig’ – zette me wel aan het denken. Want op een vreemde manier besefte ik plotseling dat ik, als ik er goed over nadacht, gewoon niet wist wat hij bedoelde. Wat is dat eigenlijk, je schuldig voelen? Hoe voelt dat, schuld? Wat voelde ik er zelf precies bij? Is ‘schuld voelen’: beseffen dat je iets verkeerds hebt gedaan? Maar wat deed je dan precies verkeerd? En hoe verkeerd moet iets eigenlijk zijn om je schuldig te voelen? Is schuld soms het gevoel dat je verantwoordelijk ergens voor bent? Maar waar ben je dan verantwoordelijk voor? Waar moet je je voor ver-antwoorden? En aan wie eigenlijk?

Confiteor
Het ‘Confiteor’, het ‘Ik beken’, schoot me daarmee plotseling te binnen. ‘Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa’, zo sprak mijn vader soms half spottend, de woorden van dat oude gebed waarin iemand zijn zonden tegenover God bekent. Mijn vader spotte, maar ik nam de woorden weldegelijk serieus. Toen al. Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld. Ik werd verdrietig toen ik aan dat oude Rooms-katholieke gebed van zo lang geleden dacht en me de eigenaardige aantrekkingskracht herinnerde die die woorden voor mij hadden. Zelfs toen ik nog kind was, voelde ik mij schuldig. Hoe kon dat toch?
En ik werd vooral verdrietig voor diegene die tegen mij zei: ‘Ik voel me voortdurend schuldig.’ Hij was op zoek naar een waarom, waarom hij zich schuldig voelde, en mijn verdriet verdiepte zich, toen ik met een schok besefte dat zelfs die ‘waarom’ die hij zocht, in feite een nieuwe aanklacht was, een nieuwe aanklacht om zich schuldig over te voelen. Het vinden van een waarom zou de spanning van de schuld niet ontladen, maar zou de schuld enkel opnieuw grond geven, het zou een nieuwe reden zijn om zich schuldig te voelen. (‘Zie je wel, ik hoef me helemaal niet schuldig te voelen, waarom voel ik me schuldig, stomme idioot!’) Als hij niet zou oppassen, zou het zoeken naar waarom, een zoeken worden naar een verwijt, dat enkel de cirkel van schuld in stand zou houden.
Plotseling besefte ik, met dat gevoel van verdriet en die herinneringen, dat het gevoel van schuld waarover diegene sprak, misschien vooral ook een gevoel betrof van onmacht. Schuld impliceert immers niet enkel het verlangen naar (of de fantasie van) de macht om iets ongedaan te maken, maar vertegenwoordigt vooral ook de kwelling van de onmacht om dat te kunnen. En daarmee realiseerde ik me tevens dat diegene niet zozeer over schuld sprak, maar veel meer over een gevoel van verlangen, over het gevoel iets te willen, maar daarin niet gehoord en erkend te worden. En dat hij, door te spreken over ‘schuld’, eigenlijk sprak over het gevoel dat dat verlangen verkeerd was, dat dat niet mocht. Dat dat gevoel er niet mocht zijn en dat daarom híj er niet mocht zijn.

Schuld: “Ik voel. Maar het is verkeerd om dit te voelen”
En dus, te zeggen dat dat gevoel hem kwaad maakte, dat hij misschien wel een trap tegen de auto van zijn ouders wilde geven, omdat hij zich in de steek gelaten voelde, en dat hij misschien zijn vrienden door elkaar wilde schudden en in hun gezicht wilde schreeuwen dat hij ze haatte, omdat ze niet zagen dat het slecht met hem ging, dat was simpelweg onmogelijk. Dat is immers het gevoel van schuld. Zo voelt schuld. Het wel voelen, en tegelijk voelen dat dat niet mag. Dat er geen plaats voor is.
Schuld voelt als: ik voel, maar het is verkeerd om dit te voelen en daarom ben ik schuldig. Maar, zo vraag ik me dan af, wat is er zo verkeerd aan voelen? Waarom was er geen ruimte om te mogen voelen? En zou ik ooit tegen diegene kunnen zeggen: ‘Vertel me wat je voelt, en wat het ook maar moge zijn, ik zag zeggen dat het oké is. Dat het goed is. Dat het niet erg is, dat je dat voelt. Voelen maakt je tot mens.’ Zal ik dat ooit kunnen zeggen en zal ik dan door de ander gehoord worden? Of, nog belangrijker, zal diegene dan zichzelf kunnen horen? En het kunnen verdragen zichzelf te horen?
De echo van schuld reikt ver en diep, en misschien is schuld zelf eigenlijk gewoon een vals begrip. Schuld is verbonden aan een niet, aan een niet-mogen, aan een niet-kunnen, aan een niet-willen. Maar over niet kun je niet praten. Je kunt alleen praten over wat je wel wilt, wat je wel voelt, wat je wel verlangt. Maar misschien begraaft schuld juist dat ‘wel’, precies omdat voor het ‘wel’ geen ruimte is, geen plek is, geen oor is. Schuld maakt dus in wezen monddood.
Ik ben enkel blij dat diegene toch sprak. En dat ik, ook al was het voor slechts korte tijd, mocht luisteren.
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

