Leegte. Het woord leek plotseling vanuit de diepte in me op te borrelen. Als ik mijn ogen sloot dan zag ik het voor me. Een niets. Lucht, adem, stilte, in een ruimte zonder afmetingen, gevuld met een oogverblindend en onaantastbaar niets. Leegte.
Het ’teveel’
Tegelijk met het opborrelen van het woord, ontwaakte in mij het besef van de alom aanwezige indruk van het tegenovergestelde, in mij en om mij heen. Niet-leegte. Vulling. En dan vooral te veel vulling. De indruk van een abstract, vormloos teveel, in mij, rond mij. Een te veel van alles. Te veel bezit, te veel spullen, te veel verlangens, te veel gedachten, te veel woorden.
Alles in mij en om mij heen leek gevuld met van alles en dat alles was tegelijk een brei van aaneensluitende, voortdurende, stuwing. Ik werd van binnenuit geduwd, leek gevangen in een maalstroom. Voorwaarts, voorwaarts, knaagde het in mijn hoofd, maar zonder focus, zonder richting, alle kanten op.
Verlangen
Er was ook verlangen. Ja, er was verlangen, maar dat verlangen was eigenlijk vooral een snauwend, grauwend krabben, in een onzichtbaar cementen muur waar ik met schouder en hoofd tegenaan beukte en waar ik maar niet doorheen kwam. Het leek de aanwezigheid van die muur die me vervulde, die me definieerde. Dat was een besef dat ik nog niet eerder had gehad. Dat krabben, dat beuken, die muur: dat was ik. Geen wonder dat er, ergens, voortdurend op de achtergrond, onder mijn huid, ergens in mijn ziel, een onbestemd, maar altijd aanwezig vermoeden van zinloosheid van het bestaan school. Hoeveel zin heeft het immers om tegen een muur te beuken?
Alle vulling, alle stuwing, al het duwen en alle verlangens, ze vulden me bovenal met kwaadheid. Er was de razernij van machteloosheid. Dat was ik. Er was de wanhoop van het ongerichte. Ook dat was ik. En daaronder, ver daaronder, school iets dat nog donkerder was. Een bodemloze duisternis van twijfel. En dat was ik ook. Ik stelde niet langer de vraag, maar was die vraag zelf geworden: Was ik dit? En was dit dan echt alles aan mij? Was er niet méér?
Minder willen
Ik wilde minder. Dat besefte ik plotseling, toen ik het woord waar ik naar smachtte uiteindelijk herkende voor wat het was. Ik wilde minder, ik wilde leegte. De ervaring dat het woord ‘plotseling’ naar boven was komen drijven werd daarmee ook minder hevig en verruilde zich voor het besef dat het woord al een tijdlang broeide onder mijn huid. Het vermoeden dat leegte als vorm wellicht méér inhoud zou hebben dan de vulling waar ik de hele tijd op joeg, was misschien eveneens altijd wel op de achtergrond aanwezig geweest, net zoals het voortdurende vermoeden van zinloosheid bij het beuken tegen een muur.
Ik had voor die vulling waar ik naar streefde, nooit echt verlangd naar veel geld of materieel bezit. Maar wat ik altijd wel heel graag wilde was erkenning. Gezien worden. Voor vol worden aangezien. Iemand zijn, iemand van naam, iemand die door mensen gekend werd en die gewaardeerd werd. Dat was altijd mijn vulling, dat was waar ik naar verlangde en waar ik naar streefde. Maar ergens in de loop van het afgelopen jaar werd de inhoudelijke twijfel steeds meer: wie ben ik dan eigenlijk? Wat zou ik overhouden, als ik mijzelf zou ‘strippen’ tot steeds minder van wat ik heb? Wie zou ik zijn, zonder iets? Zonder die erkenning? Wat zou er gebeuren als ik het allemaal gewoon zou opgeven?
“Ga weg uit hun midden”
Huis? Weg. Televisie? Weg. Laptop? Weg. Boeken? Weg. Wat zou er gebeuren? Wie zou ik dan nog zijn? Wat zou er over blijven? Op een bepaalde manier voelde ik mij verwant met Jozef van den Berg, die beroemde Nederlandse poppenspeler, toneelschrijver en acteur die zich, na een plotse ervaring die hijzelf beschrijft als ‘een ontmoeting met God’, afkeerde van zijn toneelcarrière en kluizenaar werd. Hij las de Bijbelse woorden: ‘Ga weg uit hun midden en scheidt u af (2 Kor 6:17)’ en hij ging en sloot carrière en gezinsleven af. Niet zozeer de ontmoeting met God sprak mij daarbij aan, maar vooral het radicale ervan. Het abrupte. Het doorknippen van de lijnen. Het omkeren en weggaan.
Nu inmiddels de rust weer een beetje teruggekeerd is in mijn hart, besef ik dat het doorknippen en het weggaan niet perse noodzakelijk is om te kunnen ontdekken wie ik ben. Om de twijfel te doen ophouden hoef ik ook niet perse – ten minste, dat denk ik – radicaal alle schepen achter me te verbranden. Leegte betekent immers – wat mij betreft in ieder geval (en je hoeft het hierbij niet met me eens te zijn) – niet perse een volledig leeg huis. Leegte betekent ook niet perse: geen vrienden, geen bezittingen, een kluizenaarsbestaan. Leegte hoeft, denk ik, niet per definitie absolute, afgedwongen, strikte discipline in stilte en afzien te zijn.
Leegte als ‘Zijn’
Veel meer betekent leegte misschien gewoon: minder. Wat minder boeken op de boekenplank die me voortdurend afleiden. Misschien kan de tv wat vaker uit. Misschien hoef ik wat minder inkopen te doen en kunnen mijn voorraadkasten iets leger. Misschien kan ik wat minder bezig zijn met voortdurend, driftig, plannen maken voor een toekomst die ik niet kan voorspellen en kan ik wat meer gewoon ‘zijn’, gewoon ‘bestaan’. Leegte is soms denk ik ook gewoon dat: zijn. Daarmee is leegte in essentie wellicht enkel dit: adem in en adem uit.
En dat is dan alles…
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.






