In mijn boekenkast staat naast een verzameling werken van Freud heel broederlijk een gedeelte van het verzamelde werk van Carl Gustav Jung. Heel broederlijk was de verhouding tussen Freud en Jung in werkelijkheid overigens nooit. Vanaf het begin was er sprake van een relatie van ongelijkheid, een relatie die – zoals welbekend – uiteindelijk escaleerde in een breuk tussen de twee.
Belangrijkste aanleiding tot deze breuk was het afwijzen door Jung van enkele basisideeën die volgens Freud tot de kern van de psychoanalyse behoorden. Een van deze ideeën was Freud’s opvatting van de droom als wensvervulling. Voor Jung was een dergelijke begrip van de droom een veel te beperkte weergave van wat de droom eigenlijk was. Wat was de droom voor Jung dan wel?
Om die vraag te beantwoorden is het misschien handig om te beginnen met een opvallend gegeven waarmee Jung zelf aanvangt, wanneer hij zijn opvatting over dromen uiteenzet in het essay ‘Over het wezen van dromen’ uit 1945. Jung heeft overigens vele andere teksten over zijn droomtheorie geschreven en deze korte samenvatting van slechts één tekst schiet in die zin dus ook schandelijk te kort, mede omdat Jung zijn theorie over de psyche en de droom met elke tekst verder ontwikkelt en nuanceert.
Causa efficiens en causa finalis: waarom en waartoe
Hoe het ook zij, Jung vangt in dit essay aan met een belangrijke klassieke begripsonderscheiding, namelijk die van de causa efficiens en de causa finalis, het onderscheid tussen waarom en waartoe.
Jung stelt namelijk dat het bij psychische zaken soms vruchtbaarder kan zijn om, in plaats van te kijken naar de vraag ‘Waarom gebeurt het?’, te kijken naar de vraag ‘Waartoe gebeurt het?’. Jung ziet de droom daarbij als een onwillekeurige psychische activiteit en sluit zich daarmee aanvankelijk ook aan bij Freud, in die zin dat Freuds’ stelling luidt dat er zonder dromen, als uitingen van het onbewuste, niet aan interpretatie begonnen kan worden. Ook voor Jung is de droom de meest veelvuldige en normale uiting van het onbewuste.
Freud ziet het onbewuste echter in eerste instantie als een soort ‘afvalbak’ van het bewustzijn, waarheen alle ‘niet-erkende’ wensen, driften en verlangens heen worden verdrongen, en pas in tweede instantie – met het verschijnen van ‘De Droomduiding\ – voorziet Freud het onbewuste van een plaatsaanduiding, waarmee het onbewuste enige zelfstandigheid ten opzichte van het bewustzijn verkrijgt. Voor Freud blijft het onbewuste echter vooral een ruimte binnen in de psyche.
Autonomie van het onbewuste
Jung gaat echter een stap verder: hij wijst het onbewuste een zelfstandige functie toe, die hij de autonomie van het onbewuste noemt. De functie van het onbewuste duidt Jung vervolgens als compensatorisch van aard: het onbewuste dient tot het tot stand brengen van een bepaald psychisch evenwicht, of in ieder geval dient het tot het aansporen tot een bepaalde aanpassing die tot evenwichtsherstel zou leiden. Daarmee geeft Jung een stevig antwoord op de vraag waartoe de droom dient. Met de droom als normale uiting van het onbewuste, is de droom, aldus Jung, gericht op het tot stand brengen van een normaal psychisch evenwicht.
De droom dient dus, aldus Jung, als een soort zelfregulering van het psychische systeem. Dit vormt tevens precies de reden waarom Jung de opvatting van Freud over de droom als wensvervulling te beperkt vindt. Aldus Jung kan de wensvervulling wellicht onderdeel zijn van wat noodzakelijk is om het evenwicht in het psychische systeem te herstellen, maar dat maakt de wensvervulling niet tot het wezen van de droom. Het wezenlijke van de droom ligt, aldus Jung, in de compensatorische functie ervan. Het verschil tussen Freuds’ wenstheorie en Jungs’ compensatietheorie is in die zin dus essentieel: het gaat om het verschil tussen ‘iets graag willen’ en ‘iets noodzakelijkerwijs nodig hebben’.
Psychisch evenwicht
Terug naar mijn droom, waarover ik hier uitgebreid schreef. Jung zou daarover, vanuit zijn droomtheorie, waarschijnlijk zeggen dat het weer terugkeren naar mijn stoffige innerlijk, naar het labyrint van mijzelf, geen onbewuste ‘wens’ van me is. Terug te gaan naar het verwaarloosde kind in mij en vervolgens, om bezig te gaan met het opruimen van al die kleine obstakels in mijn levens, is iets dat ik noodzakelijkerwijs moet ondernemen om mijn psychisch evenwicht te herstellen of te behouden.
In die zin biedt Jung’s droomtheorie mij daarmee ook meer houvast. Waar ik bij Freud een beetje onwennig blijf staan met in mijn handen de duiding dat ik blijkbaar een onbewuste wens heb om iets te doen en een onbestemde angst heb om dat te doen, gaat Jung verder. Jung zegt: je hebt het nodig om het te doen. Hij biedt daarmee in feite de motivatie om tot handelen over te gaan, waar Freud de analysant in feite na zijn duiding aan zijn lot overlaat. Jung’s droomtheorie biedt daarentegen een doel, een ‘waartoe’: een bepaalde ‘zinnigheid’ om tot handelen te komen.
De angst en verontrusting die ik voelde bij het ontwaken zou Jung waarschijnlijk interpreteren als een relatief normale reactie die optreedt naar aanleiding van de aankondiging van, of motivatie tot, verandering. Angst is immers een normale reactie wanneer er sprake is van verandering en de compensatorische functie van de droom kondigt, aldus Jung, aan dat het onbewust op zoek is naar herstelmogelijkheden van het psychisch evenwicht door middel van bepaalde symboliek.
Individuatieproces
Jung gaat echter nog verder. In zijn essay koppelt Jung de compensatorische functie van de droom aan het individuatieproces. Jung is, naar eigen zeggen, tot de ontdekking van het individuatieproces gekomen door een groot aantal mensen te onderzoeken en hun dromen te bestuderen (hij schatte zelf dat hij rond de 80.000 dromen heeft uitgelegd). Het individuatieproces is, aldus Jung, een proces van psychische groei dat zich in een (lange) reeks opeenvolgende dromen kan uittekenen in een terugkerend patroon.
Individuatie is een proces waarbij het bewustzijn zich verenigt met inhouden van het onbewuste die aanvankelijk als onverenigbaar leken. Het is, aldus Jung, tevens een natuurlijk proces dat nooit volledig ‘af’ is, maar dat van zichzelf streeft naar volledigheid en heelheid van het zgn. ‘ik-bewustzijn’, van het Zelf. Hierdoor zou een mens steeds meer in staat zijn diegene te worden de hij ten volle is en steeds meer in staat zijn om zichzelf als een authentiek en uniek mens in de wereld te zetten.
Het individuatieproces is, aldus Jung, nooit af, maar kan wel versneld worden, wanneer de dromer tot bewustzijn wordt gebracht door de duiding van de dromen en de symbolische inhouden ervan. Deze koppeling tussen droom en individuatieproces door Jung impliceert dus dat ik – wil ik mij tot een completer mens, tot een vollediger Zelf, ontwikkelen – mijn droomduidingen kan gaan opvolgen. Mogelijkerwijs kan ik mij werkelijk toeleggen op die droomelementen: het terugkeren naar mijzelf, het zoeken van het kind in mij en het ‘doorsnijden van de insecten’, het opruimen van de obstakels en het ontleden van mijn gevoelsleven, om mij zo verder ontwikkelen, een heler mens worden.
Prospectieve functie van dromen
Jung gaat echter nog verder. Hij doet daarmee overigens misschien wel net een stapje te ver voor de gemiddelde lezer. In ieder geval waren het o.a. stappen als deze die maken dat het uiteindelijk tussen Freud en Jung tot een breuk komt. Immers, Freud is zich er scherp van bewust dat ‘zijn’ psychoanalyse voortdurend onder vuur ligt om afgeserveerd te worden als ‘pseudo-wetenschap’ en juist een bewering als die zo volgt, zou de geloofwaardigheid en wetenschappelijke aanvaardbaarheid van de psychoanalyse allesbehalve goed doen. Jung stelt namelijk dat de droom, naast de compensatorische functie, tevens een prospectieve functie in zich draagt.
Jung verwijst met deze prospectieve functie van dromen namelijk naar ‘een in het onbewuste optredende anticipatie op toekomstige bewuste prestaties’.[1] Kortom: dromen bevatten, aldus Jung, toekomstvoorspellende elementen.
Jung waarschuwt daarbij wel dat dromen niet profetisch van aard hoeven te zijn en dat de prospectieve functie zeker niet overschat moet worden, maar dat het vooral gaat om een soort ‘combineren van waarschijnlijkheden’ op onbewust niveau, niet veel anders dan een weersvoorspelling of een medische prognose dat voor andere onderwerpen doet.
Het is een van de meer vergezochte elementen in de droomtheorie van Jung, dat ontken ik niet. Toch vind ik het de moeite van het vermelden waard, juist omdat zich een curieus toeval voordeed – hoewel Jung hier waarschijnlijk zou spreken van synchroniciteit.
Mythologische symboliek
Interessant bij deze interpretatie is het namelijk ook om de mythologische symboliek van insecten in het achterhoofd te houden (het gebruik van mythologische symboliek bij de droomduiding is Jungiaans bij uitstek): insecten worden in de mythologie vaak gezien als heilige boodschappers. Dit in aanmerking genomen realiseerde ik me korte tijd geleden namelijk plotseling waar het doorsnijden van die dikke, bleke, sponzige lijven van die insectenlijkjes me aan deed denken.
De insectenlijfjes deden me denken aan de substantie van die Haribo snoepjes: Witte Muizen. Snoepjes gemaakt uit een soort spekachtige, mierzoete, sponzige substantie, spierwit van kleur, gekneed in de vage vorm van muizen met een lange staart. Dat waren die insectenlijkjes uit mijn dromen: snoepjes.
En het doorsnijden ervan in mijn droom deed me plotseling denken aan mijn vroegere verlangen dat ik als kind altijd al had, namelijk het verlangen om dingen uit elkaar te halen. Ik was altijd degene die al z’n speelgoed sloopte om het binnenwerk te zien, die wilde weten hoe iets functioneerde en die daarom dingen (stekkers, boeken, lampen, gereedschap en elektrische, op afstand bestuurbare autootjes) uit elkaar haalde.
En laat ik nu, maanden na die ene droom, ten eerste overgestapt zijn naar een andere functie waarbij ik me weer bezig kan houden met dingen die ik weer werkelijk leuk vind (snoepjes) en ten tweede bezig zijn met vraagstukken die van me vergen dat ik mijn hersens laat kraken en van me vragen dat ik het probleem analyseer, van alle kanten bekijk, in stukken opdeel, ‘doorsnijdt’ als het ware, en van binnenuit probeer op te lossen. In zekere zin heb ik dus ‘de heilige boodschappers’ van de droom ‘ontleedt’, hun boodschap tot me genomen en tot uitvoering gebracht…
Zou dan toch…?
Meerdere droomtheorieën
Wellicht dat juist een dergelijke laatste interpretatie van dromen een lezer net over de grens duwt, van lichte scepsis naar overtrokken cynisme. ‘Geloof je dit nu echt?’ wordt er dan met opgetrokken wenkbrauwen gevraagd, op schrille toon het vraagteken daarbij benadrukkend. Maar eigenlijk is er helemaal geen sprake van geloven. Er is sprake van kiezen.
Ik kies er namelijk heel bewust voor om de aanname dat dromen zin hebben, relatief serieus te nemen. Ik zeg daarbij relatief, want het serieus nemen van verschillende theorieën betekent daarbij niet dat ik ze klakkeloos aanneem, eerder het omgekeerde: serieus nemen betekent volgens mij het spoor van de voorgestelde redenatie durven te volgen, maar daarbij ook kritische vragen durven te stellen. Ik kies er, in het verlengde hiervan, dan ook voor om me te verdiepen in meerdere droomtheorieën en deze theorieën mee te nemen in mijn kenniskader.
Echter, zoals in een eerder blog al aan de orde is gekomen: ik beschouw mezelf als een romanticus. Dat houdt in dat ik er bewust voor kies de voorkeur te geven aan theorieën die neigen naar bezieling en zingeving, terwijl ik me tegelijk bewust ben dat het heel goed mogelijk is dat ik verkeerd kies en dat de wereld geen ziel heeft en het leven geen zin of betekenis heeft. Maar nergens is er daarbij sprake van simpelweg ‘geloven’. Het is een voortdurend en bewust kiezen voor een bepaalde levensvisie.
Overigens hoeft er, om een droom te hebben, ook helemaal niets ‘geloofd’ te worden. Je herinnert je een droom, of je herinnert je een droom niet. Vast staat echter wel dat iedereen die ooit een droom heeft gehad die hem of haar is bijgebleven, zich hoe dan ook – onafhankelijk van welke theorie over dromen dan ook – zal aansluiten bij de volgende afsluitende woorden, die ik ontleen aan de filosoof Paul Ricoeur:
‘De droom geeft te denken…’
[1] Jung, C.G. (1995) ‘Algemene gezichtspunten over de psychologie van de droom’, p.136. In: ‘Psychologie en praktijk‘ (derde druk). Lemniscaat, Rotterdam
Foto ‘why’, cc: Jeanette Ecchevaria; Foto ‘snowflake’:, cc: Julie Jablonski
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.








One thought on “Droomanalyse (ii): Jung”