‘Abstracties: mazen waar de werkelijkheid doorheen zakt’ (Vasalis)
Ergens halverwege 2013 was ik aanwezig bij een debat, getiteld: ‘Het beste medicijn tegen moderne armoede’. Bij opening van het debat gaf de debatleider aan: ‘We gaan ons vanavond niet bezig houden met de vraag wat armoede is. We gaan niet zeggen dat armoede ondefinieerbaar is. Of dat armoede altijd relatief is, omdat mensen het in andere landen veel erger hebben.’
Geen slecht uitgangspunt, meende ik in eerste instantie. Een discussie over wat de definitie van armoede moest zijn, vormde inderdaad alleen maar een afleiding van het debat zelf. Het debat moest gaan over het mogelijke medicijn, niet over waartegen precies een medicijn gevonden moest worden. Toch bekroop me, gaandeweg het debat, alsnog een wat onbestemd gevoel.
Armoede als abstractie
Merkwaardig genoeg was dit gevoel (Wat was het? Weerstand? Afwijzing? Afkeuring?) hetzelfde gevoel dat ik had, eigenlijk iedere keer als ik nadacht over ‘armoede’. Het was dezelfde vage notie die boven kwam drijven, steeds wanneer ik de aanduiding ‘de arme’ las. Misschien kwam het doordat ik, elke keer wanneer we spraken over ‘armoede’, moest denken aan het begrip ‘abstractie’. En in het verlengde daarvan steeds moest denken aan de dichtregel van Vasalis over abstracties. ‘Abstracties: mazen waar de werkelijkheid doorheen zakt’.
‘De arme’ was blijkbaar een anonieme, gezichtsloze figuur. Een vage schim op afstand die weinig met onszelf te maken had. Het was te vergelijken met de ervaring de je ook hebt wanneer je een gesprek met iemand voert en je gesprekspartner kijkt je niet aan: er was geen echt contact. Alsof we, door van te voren af te spreken het niet te hebben over de definitie, we er tegelijk voor hadden gekozen om geen echte relatie met het onderwerp aan te gaan.
De enige die er wat mij betreft wel in slaagde om een echte relatie te leggen met het onderwerp, was de zogenaamde ‘armoedeprofessor’, Godfried Engbersen. Als hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit raakte deze Engbersen wat mij betreft het onderwerp van ‘armoede’ doordat hij zijn betoog aanving met de kritische vraag:
‘Is het gerechtvaardigd om mensen die leven van een sociaal minimum ‘arm’ te noemen?’
Het was een interessante discussievraag, die direct ook merkbaar de gemoederen raakte. Wellicht zat de relatie en de emotie vooral in de vraag naar rechtvaardiging. Immers, met de vraag naar rechtvaardiging zette Engbersen alsnog precies die vanzelfsprekendheid van het begrip ‘armoede’ op het spel, waarmee de debatleider het debat opende: ‘We gaan het niet hebben over wat armoede is.’ In het verlengde van die opening zat eigenlijk de boodschap verborgen: ‘We weten al wat armoede is’.
‘Nou?’, zo stelde Engbersen met zijn kritische vraag impliciet onze zekerheid ter discussie. Is dat zo? Is het zo dat we met de term ‘sociaal minimum’, refereren aan ‘de arme’? Is het zo dat daar armoede begint? En is het daarom gerechtvaardigd om vanuit die uitgangspositie de discussie te beginnen?
Sociaal minimum als bovengrens
Nee, zo gaf Engbersen vervolgens zelf het antwoord. Daar begint het namelijk juist niet. Het sociaal minimum is niet de ondergrens, in feite is het een bovengrens. Het sociaal minimum is een sociaal vangnet. Dat betekent echter niet dat er zich onder dit vangnet niks bevindt. En het betekent zeker niet dat er geen mensen door de mazen van dit vangnet vallen.
In tegendeel zelfs, er is van alles gaande onder het sociale vangnet. Mensen vallen door de mazen van het vangnet (denk hierbij opnieuw aan dichtregel over ‘abstracties’ door Vasalis: de mazen waar de werkelijkheid doorheen valt). Het is immers niet zo dat het leven onder het vangnet plotseling ophoudt. Het is dáár waar de armoede begint, onder het vangnet, voorbij het systeem. Daar begint de werkelijkheid van de armoede.
Engbersen gaf met zijn vraag wat mij betreft aan armoede een plek en plotseling werd de hele discussie een stuk concreter. Deze ‘plaatsaanduiding’ van armoede door Engbersen bracht mij tevens op het idee om eens te kijken naar de etymologie van ‘de arme’. Om eens te kijken of ik iets over die plek terug zou kunnen vinden in de oorsprong van het woord.
De armoede van Job
Het idee hiervoor kwam bij me op doordat, iedere keer wanneer ‘de arme’ genoemd werd, ik moest denken aan dat oudtestamentische verhaal over Job. Ik heb me Job, die beproefde en gekwelde figuur uit de Bijbel, namelijk altijd voorgesteld als een figuur die, in al zijn ellende, ook nog eens verstoten werd naar de afvalhopen buiten de grenzen van het dorp.
In mijn verbeelding kreeg Job, doordat zijn lijden – en vooral de vragen die zijn lijden opriepen – te onverdraaglijk waren om aan te zien voor de gemeenschap, een plek toegewezen buiten die gemeenschap. (Het Bijbelboek maakt hier overigens geen melding van, het is mijn eigen associatie bij Job als ‘de uitgestotene’, als ‘de verdrevene’.)
Toen ik het etymologisch spoor van het begrip ‘arm’, in de betekenis van ‘behoeftig’ daarom volgde, bleek dit te lopen van het Middelnederlandse ‘a(e)rm, erm’, naar het Oudnoorse ‘armr’ (in de betekenis van ‘ellendig’), naar uiteindelijk het Oudindische ‘ãrma’, dat betekent: bouwvallige plaats, of puinhoop.[1]
Armoede bleek dus, etymologisch gesproken, inderdaad niet alleen een ervaring van behoeftigheid te omschrijven, maar was ook letterlijk ooit een plaatsbepaling. Het was een ‘zich bevinden op een puinhoop’. Armoede als ‘het rondzwerven op een bouwval’. Armoede als de plek onder het systeem, de plaats waar de samenleving niet meer kijkt.
De referentie van ‘bouwvallige plaats’ en ‘puinhoop’ bij armoede was, om bij Engbersen te blijven, ook bijzonder van toepassing. Want, zo stelde de armoede professor, om te komen tot een medicijn tegen armoede, is het nodig om te komen met structurele oplossingen. Zoals je een bouwval opknapt door weer structuur aan te brengen, zo zou ook de armoede eveneens bestreden moeten worden, aldus Engbersen. Niet door steeds ad hoc maatregelen te nemen, waarmee problemen tijdelijk opgelost worden. Maar door te kijken naar de fundering.
Structurele problemen vragen om structurele oplossingen
Om te komen tot structurele oplossingen, moet er, aldus Engbersen, gekeken worden naar de structurele problemen. Daarvan wees Engbersen er een aantal aan, te weten: (1) het ontbreken van (de middelen tot) een goede gezondheid, (2) het ontbreken van werk, of eigenlijk: het aanbod van de deeltijdvariant van werken, waarmee stelselmatig te weinig uren worden geboden om tot een structureel inkomen te kunnen leiden, (3) het ontbreken van een goede kinderopvang, waardoor er of niet, of enkel in deeltijd, gewerkt kan worden en (4) het ontbreken van goede opleidingsmogelijkheden, waardoor er weinig kans is op ontwikkeling die kan leiden tot een ontworstelen aan de puinhopen van de armoede.
Hoe kunnen deze problemen nu worden opgelost?
Nu werd het debat georganiseerd in de vorm van een ‘social innovation laboratory’, een poging om het publiek op productieve wijze te laten bijdragen aan de discussie. Dit door mensen in groepjes aan de eigen tafel te laten meedenken over oplossingen voor het probleem.
Omdat ik destijds zelf werkzaam was bij een organisatie die zich bezighield met sociale innovatie door de inzet van digitale media, kon ik dan ook de verleiding niet weerstaan om eens een balletje op te gooien. Zou de inzet van social media wellicht een medicijn kunnen vormen voor armoede?
Sociale media en armoedebestrijding
Hybris, natuurlijk: pure overmoed. En, net als bij Bellerophon – die aan de oorsprong ligt van de uitspraak ‘hoogmoed komt voor de val’ – stak een kleine vlieg (in de vorm van een irritante schrijfster) mijn ‘Pegasus’, mijn vliegende paard, pijnlijk in de hals, steigerde mijn mythische rijdier en stortte mijn idee roemloos ter aarde. De onmiddellijke associatie bij social media was immers de populariteit ervan, de vluchtigheid en de snelheid van de huidige cultuur. Social media stond voor the next generation, voor oppervlakkigheid en reclame. Er kon bijna niet anders worden gereageerd dan met enigszins laatdunkendheid.
Immers, er geldt een soort ‘social media-moeheid’. En niet alleen dat, er geldt vooral ook een soort ‘sociale media-kritiek’. Die kritiek gaat inmiddels zelfs zo ver dat soms gesteld wordt dat de social media symptomatisch zijn voor armoede. Grof gesteld: als je geen werk hebt, dan kun je je voltijds bezighouden met social media.
Daarbij wordt echter het ontstaan en de oorspronkelijke functie van social media totaal vergeten. De social media vinden hun oorsprong bij het CBBS, het Computerized Bulletin Board System, een programma waarmee computerhobbyisten informatie met elkaar konden delen. In de kern zijn social media dus simpelweg neutrale informatiedelers.
Precies hieraan ontbreekt het vaak in de toestand van armoede, op die plek onder het vangnet, zoals het ook ontbreekt wanneer men rondzwerft op de uitgestrekte terreinen van een bouwval. Het ontbreekt aan richtingaanwijzers. Het ontbreekt aan informatie (los van de voor de hand liggende informatie: u bevindt zich ‘hier’, op een bouwterrein, u leeft in armoede, u hoort er niet bij, ga hier weg).
Dit verschaffen van informatie(toegankelijkheid) lijkt mij dus een belangrijke factor bij een werkzame bestrijding van armoede. Het argument daarbij dat ‘social media’ juist niet toegankelijk zijn ‘onder het vangnet’, gaat daarbij overigens niet op: de gemiddelde werkloze jongere beschikt minimaal over een smartphone, de gemiddelde bejaarde die enkel van zijn AOW moet rondkomen zit tegenwoordig niet langer achter de geraniums, maar vooral achter de pc/tablet/ipad.
Daarnaast is de inzet van social media op nóg een manier van belang als medicijn voor armoede. Dit belang van de social media heeft dan vooral te maken met ‘armoede’ als plaatsbepaling, als aanduiding van ‘bouwvallige plaats’ of ‘puinhoop’. Vanuit psychoanalytisch standpunt is dit namelijk een bijzondere interpretatie van armoede.
Niet alleen is armoede blijkbaar een ‘toestand van behoeftigheid’, een situatie van extreme afhankelijkheid. Het is tevens een maatschappelijke aanduiding voor de plek onder het vangnet, de plaatsaanduiding van de sociale bouwval en puinhoop. Het psychoanalytische perspectief op deze plaatsaanduiding zou dus zijn dat armoede de plek is voor het maatschappelijk onbewuste.
Armoede vanuit psychoanalytisch perspectief
Armoede lijkt, beschouwd vanuit de psychoanalyse, de maatschappelijke plek waar de samenleving de eigen gevoelens van schaamte heen verdringt. Het is de plek aar we onze angsten heen verbannen, waar we ook de elementaire, maar oh zo ongewenste, menselijke conditie van relationele afhankelijkheid in wegzetten. In armoede vindt, in Freudiaans perspectief, datgene plaats wat we het liefste zouden willen ontkennen.
De social media hebben hier, vanuit psychoanalytisch standpunt, een betekenis van formaat. In essentie zijn de social media voor de maatschappij de bemiddelaars tussen het bewuste weefsel van de sociale cohesie en de chaotische, ordeloze drift van het sociale onbewuste, zoals de droom in feite voor het individu de bemiddelaar is tussen het psychische bewuste en onbewuste.
Het psychoanalytische uitgangspunt volgend, draait het in feite ook niet om wat het bewuste het onbewuste te zeggen heeft: het is juist andersom. Het gaat om wat het onbewuste te zeggen heeft tot het bewuste. De kerncommunicatie vindt plaats van beneden naar boven. Het is hier waar de hechting (een uitermate belangrijke factor in de persoonlijkheidsontwikkeling en het aangaan van sociale relaties) en de relationele interactie plaatsvindt.
Door de social media weer te beschouwen als informatiedragers en zo eerst te luisteren op de plek van armoede zelf, door de digitale wijkfora te bezoeken waar wordt geklaagd en door mensen zelf over oplossingen voor de eigen situatie wordt gedacht, door op twitter te kijken naar wat mensen bezighoudt, kortom: door te luisteren naar wat er leeft in het maatschappelijke onbewuste, kan er precies met social media misschien de geschikte cocktail van medicijnen tegen moderne armoede worden gevonden.
Want zoals Freud al wist, super-ego en Id zijn nauw aan elkaar verbonden. Juist de social media openen dan ook niet alleen het top-down kanaal – van het maatschappelijke superego naar het Id van de samenleving – maar vormen, door hun neutraliteit, tevens het bottom-up kanaal, van Id naar super-ego. En het is in dit bottum-up kanaal waar niet alleen de problemen, de verstoppingen en tegenstrijdigheden van de samenleving zijn verborgen, maar waar vaak ook de eigen oplossingen, de creativiteit en de levenslust van de mensen zelf borrelen. De plek van sociale verdringing is in die zin niet alleen een plek van armoede, maar zeker ook een plek van grote rijkdom op gebied van inventiviteit en vindingrijkheid.
Helaas ben ik overigens niet volledig naïef. Ik vermoed namelijk dat er naar een dergelijke oplossing met reden niet gekeken wordt. Want in feite geldt voor een dergelijke oplossing hetzelfde als voor ‘de armoede’ of ‘de arme’ geldt. Het is zoals de debatleider al aangaf: ‘We gaan het niet hebben over wat armoede is’.
We willen immers liever niet luisteren naar ons onbewuste, wij willen het vooral verdringen. Zoals we ook het liefste willen dat armoede abstract blijft, een maas waardoor de werkelijkheid valt. Laat ‘de arme’ maar zonder gezicht blijven, veilig en ver van ons bed. Laat vooral geen akelige dromen onze slaap verstoren. Dan hoeven we het tenminste niet te hebben over een definitie van armoede.
En kan ‘de arme’ zonder plek blijven…
[1] Etymologisch woordenboek (1993) Van Dale Lexicografie, Antwerpen/Utrecht
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


