Ik kwam haar tegen, enkele jaren geleden, in de supermarkt. Ik kende haar nog van mijn vorige opleiding, zelf was ik bijna afgestudeerd. Inmiddels was ik reeds bezig met de voorbereidingen voor mijn eigen praktijk voor counseling.
‘Het zal wel lastig zijn,’ zei ze, toen ik haar vertelde over mijn plannen. ‘Als je iemand zou behandelen zoals ik.’
‘Oh?’ Ik keek haar aan, afwachtend. Nieuwsgierig naar waarom ze dit zei, terwijl we daar zo stonden, midden in het gangpad, tussen de chips aan de ene zijde en de potten met augurken aan de andere.
‘Ja,’ knikte ze. ‘Ik weet namelijk wat er mis is met mij. Lastig dan om nog iets te analyseren, toch? Dat zul je niet vaak meemaken, denk ik. Iemand die met het grootste gemak kan aanwijzen wat de eigen zwakke punten zijn of precies kan uitleggen waar de klachten vandaan komen. Ik kan ze zo opnoemen. Ik weet dat allemaal al.’
Terwijl ze praatte zag ik hoe haar ogen langs de artikelen scanden. Haar blik was vooral gericht op alle passerende mensen, het was alsof ze slecht ten dele betrokken was bij het gesprek. Haar handen waren vol, in de ene hand had ze een rol koekjes en een flesje drinken, samengeperst tussen haar vingers. In de andere een klein bakje huzarensalade.
Ze had, in reactie op mijn vraag hoe het met haar ging, vlak daarvoor met veel armgebaren verteld dat ze zelf bijna afgestudeerd was. Ik herinnerde me dat ze zelf de lerarenopleiding had afgebroken en ze vertelde dat ze psychologie was gaan studeren. Die bacheolorstudie had ze afgerond, maar er was geen psychologiemaster die haar aan had gesproken. Daarom was ze aan een masterprogramma orthopedagogiek begonnen. Maar daarin ze was inmiddels al voor de tweede keer vastgelopen bij haar stage. En als ze niet oppaste zou dit haar ruim een jaar studievertraging opleveren. Ze was eigenlijk al gestopt met de stage en wist niet hoe ze nu verder moest.
Niet verbonden
Terwijl ze haar verhaal vertelde, merkte ik hoezeer ze dat op afstandelijke wijze deed. Haar ogen steeds druk met andere dingen, haar lichaam niet betrokken bij wat ze zei. Ze had haar ervaringen perfect geobjectiveerd, kon een nauwkeurige opsomming geven van wat haar was overkomen. Maar ik merkte hoe ze haar stage-ervaringen voornamelijk als onderwerp omschreef, van een afstand, alsof ze niet bij haar hoorden.
Ik vroeg me in gedachten, bijna ongemerkt wegdrijvend van wat ze vertelde, af hoe het zou zijn als ze haar stage als subject zou omschrijven, met alle emotionele ervaringen die erbij hoorden. Als ze alle teleurstellingen en successen, alle complimenten, maar ook nare feedback en haar reacties daarop zou beschrijven. Dan had haar verhaal er heel anders uitgezien. Haar verhaal maakte het me, zo merkte ik, moeilijk om haar daar te zien, op die school, aan de slag met leerlingen met gedragsproblemen.
Eerder deed haar beschrijving me denken aan een verslag van een cijfermatig onderzoek waar ik me maar moeilijk bij kon inleven. Ook de door haar aangereikte reden waarom ook haar tweede stage niet lukte – ‘Geen binding met de doelgroep’ – was voor mij moeilijk te verstaan.
Ik begreep uiteraard haar woorden wel. Maar tegelijk merkte ik dat me de betekenis ervan voor haar ontging. Ik voelde me nauwelijks betrokken, terwijl ik verstandelijk wist hoeveel er voor haar op het spel stond. Financieel zou ze een extra studiejaar nauwelijks kunnen betalen. En werken naast haar studie was, doordat het een voltijds studieprogramma was, ook nauwelijks mogelijk.
Verstandelijk kon ik me dus goed voorstellen dat ze bezorgd was, gestrest, misschien zelfs angstig. Maar ik voelde niets. Het was alsof ik aan de andere kant van een muur stond, terwijl ik naar haar luisterde. Het geluid drong niet door.
Aanwezig verstand, ontbrekend gevoel
Toen ik bij mezelf dat gebrek aan betrokkenheid constateerde, begreep ik al veel meer wat er aan de hand was. De onrust in haar ogen, haar driftige gebaren. Haar kleurloze verhaal en nietszeggende motivatie om een belangrijk leerproces voor haar stop te zetten.
Dit alles vertelde me dat deze jonge vrouw daar voor me, grondig bezig was haar eigen gevoel te ontkennen en haar belevingen te rationaliseren. Het verklaarde ook perfect wat ze bedoelde met ‘geen binding met de doelgroep’: ze ontkende haar gevoelens en innerlijke belevingen zozeer dat ze geen innerlijke nabijheid van de jongeren met wie ze werkte kon ervaren.
Was het werkelijk zo simpel? Nee, uiteraard niet. Maar toch zou het mijn eerste diagnose zijn: ernstige gevoelsafvlakking. Ze sprak met haar hersens, ik kon haar hart niet voelen. Kon zij dat zelf dan wel?
Emotie als beweging
Ik moest, terwijl ik luisterde naar haar verhaal over hoe zij dacht dat haar gedrag in elkaar zat, zelf denken aan een verslag van Carl Jung. Die vertelt daarin over een gesprek dat hij tijdens een van zijn vele reizen naar verre, exotische landen, voerde met een Pueblo-Indiaan.
Deze indiaan verklaarde volgens Jung westerlingen voor gek, omdat die beweerden dat ze met hun hersenen dachten. Jung vroeg hem, in reactie hierop, waarmee zij dan dachten.
‘Wij denken hier,’ sprak de indiaan, en wees naar zijn hart.
Het probleem van deze jonge vrouw, die op de figuurlijke drempel stond van studie naar de werkende wereld en daar was vastgelopen, was dan ook niet haar denken. Het was niet dat ze te weinig kon nadenken, haar problemen zaten ook niet in haar intellectuele vermogens. Veel meer zat haar probleem in haar gevoel. Of beter geformuleerd: haar probleem zat in een geblokkeerd, of niet voldoende ontwikkeld, contact met haar gevoel.
Uiteraard wist ik niet hoe ze zich voelde. De enige die immers kon voelen wat ze voelde was zij zelf. Wel leek de manier waarop ze stond, de onrust in haar blik, de weidse gebaren, haar heftig knikken, vooral aan te geven weg te willen. Weg van het onderwerp, weg van de onrust in haar lichaam, weg van het probleem. En vooral: weg van de emotie.
Interessant is daarbij het volgende. De Latijnse achtergrond van het woord emotie is movere, dat ‘bewegen’ betekent. Emoties zijn in dat opzicht energieën die ons bewegen, die ons voortdrijven. Wat levert het symbolisch op als iemand weg wil bij de eigen beweging, bij de eigen voordrijving? Iemand die weg wil bij beweging, die komt tot stilstand. En dat was precies de situatie waar deze jonge, bijna afgestudeerde orthopedagoge zich in bevond: ze bevond zich in een positie van stilstand. Ze kwam niet vooruit, ze zat klem. Zou ze, als ze weer terugkwam bij haar gevoel, misschien weer in beweging komen?
Toen ze me in een onbewaakt ogenblik, daar tussen alle levensmiddelen vroeg: ‘Oké, dus wat zou jij zo iemand dan adviseren? Wat zou je vragen?’, hoefde ik dan ook niet lang na te denken.
Ik zocht even naar de woorden en zei toen: ‘De eerste vraag die ik met jou zou gaan onderzoeken, zou zijn: wat voel je, in het hier-en-nu.’
Gevoelsangst
Was het een fractie seconde dat er iets van een schaduw over haar gezicht trok? Een minuscuul moment dat ik méér zag dan alleen wat ze wilde laten zien, meer zag dan slechts die vlotte, goedgebekte en slimme masterstudente?
In ieder geval zag ze precies op dat moment iemand in de richting van de kassa lopen die ze kende. Er was een enthousiaste roep en terwijl ze met het rol koekjes en het flesje in de ene hand driftig naar de betreffende passant zwaaide, lanceerde ze met haar andere hand het bakje huzarensalade. Het bakje zweefde kort met een keurig boogje door de lucht en gleed nog even door toen het neerkwam op de tegels van de supermarkt. De deksel was een beetje open, er stak wat salade uit.
Dat weerhield haar er echter niet van om achter het bakje aan, een paar stappen vooruit te doen, snel te bukken en in één beweging het bakje van de grond te plukken, nog kort naar me te zwaaien en even te roepen: ‘Nou, ik moet gaan hoor, leuk je weer even te spreken, tot ooit…’ En weg was ze.
Ik heb haar sindsdien nooit meer gesproken of gezien. Ik weet niet of ze daadwerkelijk schrok en of ze ooit nog iets met die ene vraag van me heeft gedaan. Maar recent moest ik weer aan haar denken toen ik onlangs bezig was met eigen onderzoek naar menselijke gedragingen en motivaties voor verandering.
Bij dat onderzoek las ik hoe Jung het volgende vertelde: een zeer begaafde, jonge academicus kwam op een dag naar hem toe en overhandigde hem een manuscript ter grootte van een promotieonderzoek. Het omvatte de onberispelijke en helder beschreven geschiedenis van de neurose van de academicus. Toen hij het werkstuk aan Jung overhandigde, zei hij erbij: ‘Maar mijn neurose heb ik nog!’
Dat kon ook niet anders. We lijken immers vaak het idee te hebben dat gedragsveranderingen teweeg worden gebracht door een begripsmatig inzicht in situaties. Met andere woorden: als we maar weten waarom we iets doen, dan kunnen we onszelf veranderen. Als we maar weten wat we denken, dan kunnen we ons gevoel veranderen. Maar in werkelijkheid is het precies andersom.
Verandering is slechts mogelijk als het gevoel hiertoe aanspoort. Pas als we anders voelen, kunnen we anders gaan denken en doen. Het zijn onze emoties die leidend zijn bij gedragsveranderingen. Daarom is het noodzakelijk dat iemand die psychisch lijdt of die graag het eigen gedrag wil veranderen, niet alleen wordt geleerd om te achterhalen welke gedachten er schuilen achter dat lijden of achter het gedrag. Maar vooral leert om contact te maken met het eigen gevoel. Leert om de eigen gevoelsangst te overwinnen.
Dan komt de verandering als vanzelf…
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


