Luisteren

800px-Hanging_the_head

Het is alweer jaren geleden dat ik hem sprak. Hij was een wat schuwe jongen, de begeleiding die ik hem bood was gratis en stond in het kader van mijn eigen opleiding tot (rouw- en verlies)counsellor. (1)

Ik herinner me hem nog goed: magere schouders, opgetrokken als was het om zijn hoofd ertussen te beschutten tegen de wereld; kleren – soms een versleten trainingspak, af en toe een vale spijkerbroek met een los spijkerjasje boven een donkergrijs of vaalzwart hemd – loshangend rond zijn lichaam. Een hand als een magere klauw, waarmee hij me bij de begroeting altijd weer verrassend stevig, bijna pijnlijk vastgreep. Bijzonder intelligent, bedachtzaam, zwijgzaam.

De reden waarom hij met mij in gesprek trad had in eerste instantie slechts indirect te maken met mijn specialisme van rouwverwerking. Hij was student en begon bij de werkgroepen voor colleges tegen steeds zwaardere conflicten aan te lopen, dezelfde conflicten die hij ook op z’n werk tegenkwam en waardoor hij al verschillende malen van bijbaan was verwisseld: hij kwam voortdurend te laat, las notulen of werkinstructies niet door waardoor hij er vaak naast zat met zijn opmerkingen of werkzaamheden en leed onder het gevoel dat hem voortdurend verwijten werden gemaakt en dat mensen hem niet voor ‘vol’ aanzagen.

Zelf bracht hij zijn verstrooidheid in verband met een plots overlijden van een goede vriend van hem, enkele jaren geleden. Het was een dierbare vriend geweest, met wie hij was opgegroeid, met wie hij de basis- en middelbare school had doorlopen en met wie hij zelfs naar dezelfde studiestad was verhuisd. Een fataal ongeluk had de vriendschap abrupt doorgesneden. Een online zoektocht langs termen als rouwverwerking en stresshantering hadden hem naar mijn praktijk geleid.

Gekwetst?
gekwetst

Ik herinner me dat hij, bij de zesde of zevende sessie, briesend binnenkwam, mopperend en geïrriteerd. Eenmaal in de stoel geploft, vertelde hij wat er gebeurd was. Hij was tegen een gigantische ruzie aangelopen met een raadslid in een studentenvergadering. Dit raadslid was te laat gekomen en had niet de gelegenheid gehad zich voor te bereiden door de notulen te lezen. Toen hij daar een opmerking over had gemaakt, was dat hem niet in dank afgenomen en was hij door de medestudent nadrukkelijk gewezen op z’n eigen tekortkomingen.

Ik luisterde geduldig naar zijn geraas en zijn ergernissen en vroeg hem uiteindelijk wat hem, van alles dat hij noemde, het meest had gekwetst. Hij keek op en reageerde met openlijke verbazing: ‘Hoe kom je er nou bij dat ik gekwetst ben?’

Pas op dat moment realiseerde ik me dat ik inderdaad dat specifieke woord had gebruikt: ‘gekwetst’. Dat was onbewust gebeurd, want ik had hem eigenlijk willen vragen wat hem het meest boos maakte. Mijn onbewuste was echter blijkbaar op een ander spoor gedoken en had iets anders naar bovengehaald, iets dat op me vooruitliep en dat me, voordat ik het wist, was ontglipt.

Ik vroeg hoe hij z’n reactie anders zou omschrijven en hij schudde na een lange stilte zijn hoofd. Het had iets te maken met de banaliteit ervan, dat het te laat komen iets was dat hij zelf nooit zou doen. Toen ik hem verwonderd vroeg wat hij bedoelde, omdat te laat komen en de daarmee samenhangende conflicten immers juist één van de hoofdredenen was dat hij zich voor counseling bij mij had aangemeld, reageerde hij verontwaardigd: ‘Maar als ik had geweten dat het mensen zou kwetsen, dan had ik er wel wat aan gedaan!’

‘Herinneren, herhalen en doorwerken’
Bij de volgende sessie was hij opvallend meer teruggetrokken dan de voorgaande sessies. Er vielen verscheidene malen lange stiltes. Uiteindelijk doorbrak hij zelf de drukkende stilte in de kamer door in een erbarmelijk snikken uit te barsten.

Het duurde even voor hij weer tot rust kwam. Toen begon hij te vertellen dat hij zich na de vorige sessie plotseling had gerealiseerd dat zijn vriend heel vaak te laat kwam. Dat hij zich er vaak groen en geel aan geërgerd had. Dat het bijna een vast ritueel geworden was om bij afspraken alvast een kwartier tot zelfs een halfuur in te plannen voor wachttijd. Dat te laat arriveren een vast ingeslepen ingrediënt was geweest van hun vriendschap, iets dat hun band voor een deel ook bijna had gedefinieerd: hij kwam op tijd, z’n vriend kwam te laat.

Maar dat hij zich nooit echt had gerealiseerd dat er voor hem, onder het ‘te laat komen’, ook iets van een knagende onzekerheid onder verborgen lag. Onder het wachten op z’n vriend lag iets dat pijn had gedaan. Iets dat kwetste: er knaagde namelijk altijd de vraag of z’n vriend misschien toch echt een keer niet zou komen opdagen. Hem misschien wel echt in de steek zou laten. Zeker toen hij net naar de brugklas ging, was die onzekerheid tergend geweest.

Het was die kwetsing die hem bij de vorige sessie plotseling open en bloot in z’n gezicht had gestaard. Want de plotse dood van z’n vriend – en vooral de abrupte leegte, het meedogenloze van het plotselinge gemis – had die kleine, nooit werkelijk uitgesproken angst om door z’n vriend in de steek gelaten te worden, tot een waarheid gemaakt. Om zijn verdriet te kunnen hanteren – beter gezegd: om de werkelijkheid van het gemis te vermijden – had hij de dood van zijn vriend onbewust opgevat als een bevestiging van zijn angst. Hij stond, had hij zich na de vorige sessie plotseling gerealiseerd, nog steeds te wachten op iemand die al jaren te laat was en ook nooit meer zou komen.

onbewust -

Ik zat er die sessie bij, zat tegenover hem en kon maar één ding oprecht doen: bij hem zitten in z’n verdriet. Ik herinner me echter ook dat er van alles in me omging. Duidingen kwamen in me op: dat hij, door het gedrag van zijn vriend over te nemen, bij anderen de gevoelens van ergernis en kwetsing over had gebracht die hij al die tijd wel op onbewust niveau had ervaren, maar niet kon bewust voelen. En dat de boze reacties van anderen hem voortdurend wezen op dat stukje kwetsing door zijn vriend, dat echter niet verwerkt kon worden, omdat het (a) onbewust was, maar vooral ook omdat (b) degene die er al die jaren in werkelijkheid voor verantwoordelijk was geweest, er inmiddels niet meer was. Interpretaties gingen er door mee heen. Citaten van Freud kwamen er bij op, zoals: ‘‘Hoe groter de weerstand is, op des te grotere schaal zal het herinneren vervangen zijn door herhalen.”(2)

In plaats daarvan hield ik mijn mond.

Ze deden er niet toe, al die interpretaties en verklaringen. Het was niet nodig om iets te duiden. Sterker nog, iedere interpretatie die ik daar en toen zou hebben geuit, zou om mij en mijn ego hebben gedraaid, en niet om die ander die daar zat, met al zijn eigen pijn en verdriet. Wilde ik aan die ander recht doen, dan was alles wat ik op dat moment moest doen: er zijn.

Uiteindelijk namen we, relatief kort na die sessie afscheid. Er waren twaalf sessies overeengekomen, geen uitzonderlijk lang of kort traject. De conflicten waren in die tijd, en vooral na die doorbraak bij hem, aanzienlijk afgenomen. De herinnering aan zijn vriend had een duidelijke plek in zijn verhaal gekregen. De pijn was niet verdwenen, sterker nog: juist niet. Hij kon de pijn voelen. Maar dat was misschien wel de belangrijkste winst.

In mijn ogen nam er dan ook een jongeman afscheid wiens magere schouders niet langer meer schuw omhoog stonden, als vormden ze de tanige beschutting voor een teruggetrokken hoofd, maar wiens slanke schouders nu rustig afliepen en waarop een hoofd rustte dat contact had met het gevoel. Een jongeman die klaar was om verder te gaan met z’n reis door het leven en die niet langer wachtte.

travelling

De waarheid van counseling

Voor mij maakte deze cliënt mij het eerst en het meest definitief duidelijk hoe ontzettend weinig ik eigenlijk zelf deed om te ‘helpen’. Hoe weinig ‘echte’ invloed ik heb op het proces. Als mijn cliënt niet zelf tegen die confrontatie tijdens een vergadering was opgelopen, dan was de behandeling misschien wel heel anders gelopen.

Er was ook geen sprake geweest van wijze raad of aanmoedigende uitspraken mijnerzijds. Er was geen grote wijsheid die uit mijn mond vloeide, geen sprake van slimme interventies. Dat betekent overigens niet dat het me kwam aanwaaien: het kostte me soms aanzienlijke moeite om me in te houden en niet te gaan duiden en te interpreteren of om sturende vragen te gaan stellen. De meeste arbeid die ik verrichtte tijdens deze counselingsessies was het uitoefenen van terughoudendheid.

En anderzijds: sommige dingen kwamen bij me op, opnieuw bijna los van mij, alsof ze geen onderdeel van ‘mij’ waren. Ze kwamen bij me omhoog, het waren ingevingen of impulsen die als luchtbellen in bruisend water omhoog werden gestuwd, onweerstaanbaar, maar ook zonder dat ze strikt ‘van mij’ waren.

Ik werd in die zin vaak min of meer ‘gestuurd’ door een vrij zwevend bewustzijn dat me aanwijzingen gaf, zonder dat ik daar zelf echt bewuste sturing in had. Voornamelijk werd ik gestuurd door de relatie die we opbouwden, door te luisteren naar wat het gedrag van hem bij mij ingaf. Het was de wisselwerking die het voornaamste werk deed. Mijn taak was het vooral, zo leerde ik, om die wisselwerking de vrije ruimte te laten, zodat de cliënt zichzelf kon helpen. Dat is de waarheid achter counselen.

Luisteren als betekenisgeving

Die waarheid laat zien dat ‘helpen’ soms vooral ook géén actief handelen is, geen ‘oplossen van het probleem’, maar juist bestaat uit luisteren naar ‘wat is’. Raad geven, adviseren, wijzen op alternatieven van gedrag (in dit geval bijvoorbeeld: op tijd komen), was in bovenstaande gevalsbeschrijving op geen enkele manier een ‘helpen’ geweest.

Onlangs las ik daarvan een prachtige illustratie in een oud artikel in het tijdschrift voor psychoanalyse, een citaat dat precies die ervaring van de waarheid van het helpen voor mij verhelderde. Er stond geschreven: ‘Een baby huilt omdat het pijnlijke sensaties in zijn buik heeft en niet om dit te communiceren. Pas als de moeder het gehuil als zodanig opvat, wordt dit communicatie.’

Precies dat is volgens mij de meest basale omschrijving van waarachtige betekenisgeving. Hoe absurd misschien ook, de meest helpende, meest primair vormende daad van de moeder is niet dat ze, in reactie op het huilen, de luier van de baby verschoond of de baby oppakt om het aan de borst te leggen. De ware, werkelijk helpende, bouwende, voedende daad van de moeder is het gehuil van de baby te beschouwen als betekenisvol en er op die manier naar te luisteren.

Dat is de waarheid van helpen: het ware helpen is soms juist niet te handelen, niet te ‘doen’. Maar juist stil te staan, te luisteren, er simpelweg te zijn voor de ander, zodat wat hij voelt de ruimte heeft om betekenis te krijgen.

En om je zo door de ander te laten leiden, dat die zichzelf kan gaan leiden.

leiden

 

(1) Omwille van de privacy zijn gegevens omtrent achtergrond, aanmeldproblematiek en omstandigheden uiteraard enigszins gewijzigd.
(2) Freud, S. (1914g) ‘Verdere adviezen over de psychoanalytische techniek (II): Herinneren, herhalen en doorwerken’, Werken 6: 423, 425-433


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie