Reisverslag

“Onderweg…”
De tourbus staat nog stil. Ik staar vanuit de cabine naar buiten, de nacht in, neem peinzend het busplein in me op, waar mensen op- en aflopen, driftig onderweg naar van alles, naar het station, er van weg. Het is rond acht uur, vrijdagavond.

Ik heb de eerste vriendelijke begroetingen van vage bekenden schichtig ontweken, mijn reistas en slaapzak zo stil mogelijk onderin de bagageruimte gelegd en ben de bus ingeslopen. Ergens in het midden van de bus nestel ik me oncomfortabel aan de raamzijde op een bankje, gevoelsmatig een zo’n groot mogelijke afstand scheppend van waar de mensen zich lijken te concentreren: voorin en achterin de bus.

De meeste mensen die instappen ken ik niet. Maar ik heb ook de energie niet om op te staan en mijn hand uit te steken voor een kennismaking. Mensen om me heen zie ik vanuit mijn ooghoek de bus instappen en dapper een rondje maken, enthousiast handen schudden, gezellige kennismakingspraatjes houden. De vriendelijke interesse tonen in de medemens. Ze volgen de logica van ieder weldenkend, sociaal wezen. Ik zou dat ook moeten kunnen, dat weet ik.

Die wetenschap helpt me niet.

Ik neem het mezelf kwalijk dat ik niet opsta en het goede voorbeeld niet volg. Maar ik ben te intens moe, niet zozeer fysiek, maar vooral in mijn hart. Ik voel me niet in staat tot contact. In plaats daarvan trek ik mijn jas over me heen als deken en staar naar buiten, kijk verlangend naar die intimiderend brede en ongemakkelijk steile trap omhoog, die de weg terug belooft naar het Utrechtse station. ‘Ik kan nu nog terug,’ mijmer ik stilletjes.

Dan tikt een jongen die ik ken uit de sangha – de kleine meditatiegemeenschap – waar ik me sinds kort bij heb aangesloten, me vriendelijk op de schouder en vraagt of de plek naast me bezet is. De jongen die feitelijk al lang is, maar door de nauwe ruimte van de bus nog langer lijkt, kijkt me aan met zachte blik. Ik schud mijn hoofd ontkennend en schuif een eindje opzij. Daarmee voelt het alsof er geen ontsnappen meer aan is. Na nog kort wachten op de laatste reizigers zet de bus zet zich langzaam in beweging. Opgesloten in mijn hoofd, vertrekken we naar Plum Village. Onderweg naar Frankrijk, naar stilte, meditatie.

Voor mij: een reis naar mijzelf, onderweg naar niets.

meditate

“…naar nergens”
Ik hang in een ongemakkelijke houding op de stoel, schommel lichtjes met de bus mee, mijn voorhoofd hobbelt en trilt tegen het koude busraam. Depressief, gelaten, afstandelijk en verdrietig. Ik vraag me hartstochtelijk af waar ik aan begonnen ben. Waarom ik hier zit. De vraag echoot door mijn hoofd en wordt meegezogen in de wilde rivier van donkere gedachten die woest langs onheilspellende scenario’s stroomt. De vraag is zinloos kwellend. Natuurlijk weet ik waarom ik hier zit, op deze bank, hier in deze bus. Ik zit hier in de hoop dat deze reis me wegleidt van een pijn die ik maar niet uit mijn hart kan bannen.

Onderweg naar nergens. Het maakt geen verschil of ik hier zit, tussen al deze onbekenden, of thuis in een lege flat, omringd door muren die steeds dichterbij komen. Er is geen verschil in hoe ik mijn pijn ervaar, hier of daar, of ergens of nergens. Er lijkt geen ontsnapping meer mogelijk, het zit in me, genesteld in mijn hart, het reist met me mee, waar ik ook ben. Op de fiets, tijdens het koken, op het werk, bij het televisie kijken, bij het lezen, als ik naar bed ga. Het schrijnt. Het laat me niet los. Ik laat het niet los. Dus gonst het in mijn hoofd, zindert het door mijn lichaam.

De jongen naast me heeft zich inmiddels ongemakkelijk tussen de busbankjes gepropt, de benen min of meer opgevouwen zoals een bidsprinkhaan de poten buigt, de knieën steken omhoog in pijnlijke hoeken, alles lijkt uit verhouding – deze jongen is te groot voor de zitplek. Maar de lange reus straalt een zachte vriendelijkheid uit, een kalme en rustige energie, met half lang haar dat soms charmant voor z’n ogen valt. Met een zachte tongval spreekt hij me af en toe aan en we knopen een weinig diepgaand gesprek aan en praten wat onwennig over studie, onze achtergrond, het wel of niet hebben van een partner.

Toch voel ik me niet in staat om contact te maken. Ik kan nauwelijks contact maken met mezelf, laat staan dat me dat lukt met hem. Het is een gevoel dat me eigenlijk de hele week nauwelijks zal loslaten. Maar langzaam zal het wel wat losweken van me, zoals bij de bloederige korst van een fikse schaafwond op je knie, die pas na weken van herstel los kan trekken, de rafelige randen opkrullend van je huid. De stilte en de kou zal werken als een reinigende spons. Het zitten en het richten op de ademhaling me zal helpen om steeds dieper in mezelf te duiken.

Reis en aankomst
Iets minder dan veertien uur in een bus. Pijn in je onderrug. Kramp aan de onderkant van je dijen. De nacht doorkruisend, opgevouwen in de busstoel met je jas over je benen als een geïmproviseerde deken (want uiteraard zit de deken die je speciaal voor dit soort omstandigheden hebt geleend in de bagageruimte onder je, even dichtbij als onbereikbaar ver weg). Een houten nek, stijve spieren. Gapend in de koude buitenlucht staan tijdens twee korte pauzes, om je benen te strekken een korte wandeling makend over de parkeerplaats, voornamelijk gericht op het ontwijken van ieder ander menselijk contact. Een landschap dat steeds meer verandert. De wegen: steeds smaller, steeds grover van kwaliteit. De omgeving steeds heuvelachtiger. Uitgestrekte weilanden strekken zich steeds meer in golvende bewegingen langs de zijwegen uit.

En uiteindelijk is daar dan Village des Pruniers, Plum Village. Een gemeenschap van mindfulness die zich niet op één plek blijkt te bevinden, maar in feite uit drie ‘hamlets’ bestaat. Hier wonen mannen en vrouwen, monniken en nonnen, in minigemeenschappen, gescheiden van elkaar. Hier leven ze op relatief kleine afstand van elkaar samen. En alhier nemen de jongens afscheid van de meiden, worden de hormonen weer van elkaar losgekoppeld, de verlangens uit elkaar getrokken.

plumvillage-landscape2

Voor mijzelf betekent deze scheiding van seksen dat ik weer een stukje pijn kan wegleggen. Toekijken hoe er iets moois aan het opbloeien was tussen de jonge vrouw en jongeman die vlak voor me zaten in de bus en naar wiens conversatie ik tergend gedwongen was te luisteren, deed me alles behalve goed. Oefenen in mindfulness is tot daar aan toe. Meditatieve oefeningen reiken ook maar tot zover.

Omdat ik geen muziek had om me af te sluiten en ingesloten zat naast een licht ronkende reus, kon ik me tijdens de busreis nauwelijks onttrekken aan de gespannen wisselwerking tussen die twee. Maar ik kon ze ook moeilijk vragen om op te houden te converseren. Ik misgunde ze hun geluk ook niet. Maar mijn ziel voelde zich bevlekt: ik ben zo menselijk, al te menselijk. Jaloezie – dat miskende, donkergroene monstertje knagend in mijn onderbuik. Onmacht, onvermogen, twijfel, boosheid…het kolkt en broeit in mijn hoofd. Ik sta naast die borrelende vijver in mijzelf en ik kijk er naar, zie mezelf verdrinken in die onrustige, verlangende brij.

Ik voel weinig medelijden.

De aankomst. Ik voel me ontheemd bij het uitstappen. Er is een koude, grijze lucht, weinig uitzicht. Ik voel me onrustig, beklemd. De mededeling dat we een half uur zullen moeten lopen naar ons ‘chalet’ doet me geen plezier. Ik begin me opnieuw af te vragen waarom ik hier ben. Maar het antwoord dringt langzaam tot me door. Ik ben hier om tot stilstand te komen. De modderstroom in mijn hoofd, die woest kolkt als een waterval van slijk en bruine drab: ik wil er een plek voor vinden. En dit is de plek waar ik dat wil doen.

Dus ik zwijg. Voeg me in de voorgegeven structuur van deze plek van verstilling en aandacht. Ik ontdek dat er ongemerkt tranen over mijn wangen lopen tijdens de eerste loopmeditatie. Ik merk het als een onbekende die naast me loopt, me zwijgend een papieren zakdoekje aanreikt. Ik merk dat ik vol frustratie en verzet zit tegen al die stilte en gezamenlijkheid om me heen. Dat ik me geïsoleerd voel in mezelf, opgesloten in een koude cocon waardoor ik nauwelijks meer contact kan kan leggen. Er is geen ruimte voor contact. Er is geen ruimte voor mij in mijzelf.

Ik zou niet weten waar ik ben. Dus ik loop. Ik zit. Ik adem. Ik eet. Ik slaap. En ik kijk naar binnen. Steeds dieper leer ik aandacht te hebben voor wat er in mij krioelt.

Reinigend
Het ritme is reinigend. De stilte sijpelt heel langzaam bij naar binnen. ’s Ochtends opstaan om 05.00u om op tijd te kunnen douchen. Om 05.30u de ijzige ochtendkou in voor een wandeling door het donker. 06.00u mediteren in de grote meditatiezaal. Me klein voelen tussen al die mensen, me voelen opgaan in de in-en-uit-gaande beweging van de ademhaling van talloze mensen die rondom me zitten in lotushouding. Ik maak nu ergens deel van uit. Ik ken deze mensen niet, maar ik ben onderdeel van ze.

plumvillage-meditate

Het ontbijten in totale stilte, enkel het gekletter van bestek op porselein, elke hap proevend, aandachtig langzaam kauwend. Het licht zien worden. Tot stilstand komen met het luiden van de bel. Middageten in stilte. Avondeten in stilte. Avondmeditatie of ontspanningsritueel. Teruglopen in het donker, door de kou. En dan om 09.00u naar bed. Het ritme voedt me. De modder komt langzaam tot stilstand. De pijn ebt langzaam weg, van een laaiend branden naar een licht zinderen.

Het is maandagmiddag. Eindelijk heb ik de beslissing genomen om iets voor mij alleen te doen en te zeggen: ‘Ik loop in m’n eentje terug naar het chalet. Ik heb m’n rust even nodig.’ Is het die beslissing die me bevrijdt? Is het de zon in m’n rug? Is het de rust die langzaam binnensijpelt in mijn ziel?

Er komt iets in me los. Ik voel me bevrijd, voel een last van mijn schouders wegtrekken. Daar lopend voel ik me lichter worden. Ik merk dat ik lach, lopend in de heuvels. Ik voel mezelf ademen.

Hoeveel van je verleden kan je meenemen in het nu? Hoeveel aan herinneringen kan je visie op het hier-en-nu vertroebelen? Ik merk hoe ik ‘het toen’ letterlijk projecteer over ‘het nu’, uitstort over de jonge kerels rondom me, in het hier-en-nu uitstort op de groep mannen waar ik onderdeel vanuit maak en die zo ontzettend vriendelijk zijn. Ik merk hoeveel pijn ik mezelf daarmee doe. En hoeveel spijt het bij me oproept dat ik de jongemannen om me heen niet zie voor wie ze zijn: zichzelf.

Ontknopen
De dagen verstrijken. Mijn inzichten verdiepen zich. Ik merk hoe ontzettend ik vasthoud aan mijn pijn. Aan het verdriet van een relatie die enkele maanden geleden plotseling werd verbroken. Ik wil er geen afscheid van nemen, want het verlies verliest haar betekenis als ik loslaat. De pijn verliest haar betekenis als ik de schrik, het onbegrip en het verdriet erom loslaat. De kaders eromheen vallen weg, als ik het zie, zoals het is: een ‘voorbij’, een ‘niet-hier-niet-nu’.

Mijn vingers, ik zie hoe ze zijn verkrampt rond dat stuk glas in m’n hart. Ik koester die porseleinen scherf die mijn ziel zo dik laat bloeden. Als ik die wond laat herstellen, dan verdwijnt een stuk verleden dat ik wil behouden. Ik verzet me tegen een betekenisverlies, waar ik precies zie hoe betekenisloos dat verzet is. Het is immers al voorbij. Wat er was, is al lang en breed verloren gegaan. Dat gevecht is al lang geleden verloren. Dus waar vecht ik dan nu nog voor?

Mijn aandacht verdiept zich en ik zie hoe ontzettend ik in de knoop zit.

untieingknots

Er komt een prachtige lezing voorbij. ‘Dharmatalks’ noemen ze die hier, over verzoening als het blootleggen van knopen in jezelf. Hoe knopen ontstaan, hoe ze in stand worden gehouden en hoe ze weer weg kunnen ebben. En hoe je de gemeenschap om je heen, de sangha – je familie, je broeders – nodig kan hebben om die knopen te herkennen en te leren ontknopen. Langzaam klikt het inzicht in elkaar voor me. Ik zie in hoe dit werkt voor mij. Hoe de mannen om mij heen mij laten zien – in hun interactie, in hun loslaten, in hun stilzwijgende respect voor elkaar – hoe het nu niet vroeger is en het vroeger niet nu. Hoe momenten voorbij gaan. Hoe we niet kunnen vasthouden. Hoe dingen voorbij gaan.

Het is voorbij. Ik besef het nu pas. Er is geen toen meer. Er is alleen maar een nu. Er is de ademhaling: in – uit. In – uit.

En die liefde? Zij? Wat wij waren? Wat er eens was? Als het er al was in de vorm die ik me herinner? Al die vragen. Geclusterd rond een punt in de tijd waar ik me al niet meer bevind. Ik ben daar niet meer. Ik hou me krampachtig vast aan een monument dat in de tijd van me wegglijdt. Het is voorbij.

En met dat besef wordt de knoop in mijn hart losser. Ik kan mijn vingers nu rond de lussen leggen. Voor nu is dat voldoende.

Vreugdevuur
Avond van oudjaar. Er brandt een vreugdevuur, waar we na de loopmeditatie, aan het einde van de middag, uiteindelijk rondom eindigen. We vormen een kring, een gemeenschap rond het vuur. Met tere stemmen vangen de nonnen en monniken een lied aan en in de kou meegedragen op de breekbare klanken van het gezang staren we gezamenlijk in de vlammen.

bonfire-plumvillage2

In mijn jaszak brandt een brief aan mijn voormalig geliefde. Ik had haar lief, op zo’n andere manier dan zij  mij bezag. Ik weet niet of zij mij ooit gezien heeft, ooit zelfs geweten heeft hoe ik haar zag.  We bleken dimensies van elkaar verwijderd te zijn, waar het voor mij zo dichtbij voelde. Hoe kunnen werelden zo ongemerkt, zo ver uit elkaar liggen? Ons beiden viel uiteindelijk niets te verwijten. De dingen liepen zoals ze liepen. Soms is dat gewoon alles dat er is.

Ik knijp de brief fijn tussen mijn vingers, krampachtig wil ik de letters op dat papier behouden. De eerste aanwezigen stappen naar voren en werpen hun voornemens, hun hoop en hun afscheid en hun mooie woorden en hun verdriet, in het vuur. Ik wacht en wacht. Voel mensen langs me heen stappen. Ik weet niet of ik het kan.

Maar uiteindelijk gooi ook ik mijn brief in de zinderend knapperende goudgele gloed.

Sommige mensen huilen, de een in stilte, de ander met hartstocht en diepe uithalen. Ik kijk in het vuur. Onverwacht tikt een groepsgenoot met op de schouder. Het is een Duitsprekende jongeman, iemand met wie ik instinctief voortdurend in het Nederlands praat, tot hij me telkens en geduldig in beleefd Engels onderbreekt en me vriendelijk verzoekt om te switchen van taal, omdat hij me anders niet kan beantwoorden. Deze jongeman staat op respectvolle afstand en opent zwijgend zijn armen, biedt me een omhelzing aan. Ik merk dat mijn wangen nat van zijn tranen en grijp hem vast, klem hem vast in mijn armen, omhels hem als een reddingsboei in de nacht.

Hij houdt me vast, stevig, en ademt voor me. Ik voel zijn borstkas in dat levensritme rijzen en dalen, inademen en uitademen. Hij, die vreemdeling, die jongen met wie ik nog nauwelijks gesproken heb, brengt me weer tot rust, terwijl achter me de brief verbrandt, zwart blakert en de woorden van spijt, van pijn, van verlangen, uiteenvallen en tot as vergaan.

In aanloop van het moment van overgang van oudjaar in Nieuwjaar volgen ludieke optredens, gevolgd door een ontspanningsmeditatie (waarbij, zoals gebruikelijk, diverse mensen in slaap vallen). Uiteindelijk gevolgd door een prachtig ritueel waarbij met luid getrommel het nieuwe jaar naar binnen wordt gehaald.

Wanneer de nieuwjaars-omhelzingen volgen, merk ik dat ik stilletjes naar buiten glip. Ik trek mijn schoenen aan en loop langs talloze mensen die in zachte omhelzingen verwikkeld zijn. Zoveel liefde, zoveel mededogen met elkaar. Ik loop de nacht in, alleen, in de richting van het chalet. Even geen knuffels voor mij. Alleen ikzelf en de nachtelijk kou om mij heen. In de verre verte zie ik in de duisternis de vlammen van diverse vreugdevuren die elders zijn aangestoken. Er is geen knal te horen, het is doodstil. Ik loop in m’n eentje het nieuwe jaar binnen. Het voelt goed om het op die manier te doen.

‘You have arrived’
Donderdag krijg ik eindelijk het gevoel dat ik land, arriveer op de plek van aankomst. Eindelijk zijn de woorden die zo hartstochtelijk in spreuken zijn gekalkt op de ramen in diverse ruimtes: ‘You have arrived’ ook voor mij van toepassing. Ik ontspan een beetje.

I-have-arrived

Het besef van het afscheid nadert met rappe schreden. Toch spijt dat besef me niet. Er komt steeds meer rust in mijn hart. De pijn is er nog steeds, maar de rivier wordt steeds helderder. Ik besef steeds meer de aanwezigheid van een kind in mij, genesteld in die pijn. Besef steeds meer hoe weinig compassie ik al jaren heb gevoeld voor die tere jongen in mijn ziel. Hoe ontzettend dat kind in mijn hoofd en mijn hart op en neer stuitert. Hoe weinig aandacht ik dat kind kan schenken.

Ik kan mijn hand nog niet uitsteken naar dat kind om het te troosten. Maar tenminste zie ik die verlangende ogen, langzaam in de mist van mijn gedachten opduiken. Ik begin te voelen hoezeer die blik van toen mijn blik als volwassene op het nu vertroebeld. En voor nu is dat voelen meer dan voldoende.

Terugreizen

Plumvillage-in-ice
Vrijdag. Dag dat de terugreis weer begint. Er ligt die ochtend een prachtige laag ijs over het landschap, de takken zijn bedekt met een witte laag rijp, de lucht is helderblauw. Ik zit aan tafel een kop thee te drinken, genietend van de stilte, één in het moment.

Buiten zie ik twee monniken met elkaar spelen. De één trekt een dunne tak, bedekt met een dikke laag rijp, naar beneden en lanceert dan de druppels ijs naar de ander die lachend probeert de striem van koude druppels te ontwijken. Lachend plagen ze elkaar, leggen ze koude handen in elkaars nek, proberen ze elkaar af te troeven. Ik zie het plezier op hun gezicht en kan niet anders dan glimlachen om hun plezier. Dat is deze plek ook. Het is een plek van stilte en aandacht, maar vooral ook van spel en van blijdschap.

Ik neem nog een slok van mijn thee en besef me dat ik aan mijn moeder denk. Vraag me af hoe het zou voelen om haar na al die tijd, als dat zou kunnen, na al die intense kwetsingen, nog te kunnen omhelzen. Om niets te zeggen, maar daar gewoon te staan en in onze gezamenlijke ademhaling weer vrede bij elkaar te vinden.

Mijn hart opent zich. Een kiertje. Ik voel me melancholisch. En grinnik bij mezelf. Voor nu is het voldoende. Er zijn een boel ‘voldoendes’ deze week. Knopen die heel langzaam wat losraken. Niet te veel moeten. Stapje voor stapje. Elke stap een begin.

De reis terug. Er is nog steeds pijn. Maar de pijn is minder zeurend nu. Ik kan het nu vasthouden, als een kind in mijn armen, als een ouder kan ik de pijn koesteren. Ik was bang dat ik, toen ik mijn brief in de vlammen zou gooien, dat ik daarmee ook mijn liefde zou verbranden. Dat ik de pijn niet weg zou branden, maar dat die ín me zou branden. Maar ik verbrandde slechts de laag van stof die de liefde omsloten hield. Het vuur en de stilte, ze hebben me lucht gegeven.

In de tourbus op de terugreis voel ik me langzaam warm worden. Niet alleen lichamelijk, maar ook in mijn hart. Ik lach en luister naar al die enthousiaste stemmen. Nog steeds ken ik niet iedereen met wie ik op reis ben. Maar in het afscheid voelen al die mensen niet langer als een stekelige samenraapsel van vreemdelingen, waar ik me naar moet voegen. Ze voelen als een gemeenschap – een familie – waar ik onderdeel van ben.

De mannen met wie ik deze week heb gedeeld, ook al neem ik afscheid van ze en zal ik ze voorlopig niet terugzien, voelen als een deel van me. Ik neem ze mee in mijn hart, met iedere omhelzing van afscheid neem ik iets mee van ze, iets van hun passie, van hun kracht, van hun wijsheid en ervaringen. Ze vormen nu kleine ankers in mijn ziel, zodat ik minder afdrijf in mijn hoofd.

Ik ben nog steeds op reis. Op reis naar nergens. De stofdeeltjes van verdriet waaien nog steeds van mijn schouders.

Maar steeds meer laat ik ze los…

 

(foto’s van Plum Village met dank aan o.a. Suzanne de Waard (bonfire) en Omer Pelman (overige foto’s) )


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie