Jaloezie en de blik van de ander

Afgelopen week bezocht ik de Zuidas, het internationale zakenhart van Amsterdam. Vanuit het station liep ik het immense plein op, een vlakte van grijze, zwarte en bruinkleurige tinten glinsterde me tegemoet. Rechthoekige betonnen plantenbakken stonden als soldaten in keurig gelid. De kantoortorens – die samen in totaal, zo schijnt het, plek bieden aan meer dan zevenhonderd ondernemingen op gebied van financiële, juridisch en zakelijke dienstverlening – staarden als marmeren reuzen op me neer.

24930431152_3ce731c038_z

Make-believe realism

In de schittering van de felblauwe lucht, geflankeerd door de zwarte, ondoorzichtige ramen van allerlei hoogbouw, kwam het gebied me nogal onherbergzaam voor. Als een plek waar ik als ‘gewoon mens’ eigenlijk geen plaats had. Ik liep naar het terras waar ik met een kennis had afgesproken en steeds meer bekroop me het gevoel dat ik met het betreden van de Zuidas de radicale, scherp omlijste wereld van ‘make-believe realism’ was binnengelopen.

Na een enthousiaste begroeting en eenmaal plaatsgenomen aan een terrastafeltje met een biertje in aantocht, vroeg mijn kennis met een lach op zijn gezicht en met een breed gebaar naar onze omgeving aan mij: “En? De Zuidas. Vertel ‘s. Wat roept het bij je op?” Ik lachte wat verlegen en uiteindelijk, zoekend naar een goede omschrijving, antwoordde ik, enigszins ongemakkelijk, maar naar waarheid: ‘Ik voel me hier wat afgesneden van mezelf.’

Toch, terwijl we verder praatten, realiseerde ik me dat er nog een woord was dat door deze plek bij me werd opgeroepen, een woord dat ik moeilijker voor mezelf kon duiden. Ik had er ook moeite mee om dat woord uit te spreken. Het woord dat de Zuidas bij me opriep was ‘jaloezie’.

15617432129_9a1acfed72_z

“Dat hoort niet bij mij!’

Jaloezie is nogal een taboe. Ik schreef al over deze lastige emotie (lees daarvoor deze en deze blog), waarbij ik ook benadrukte hoezeer we ons ongemakkelijk onder jaloezie voelen. Jaloezie is iets dat we het liefste radicaal afwijzen. ‘Dat hoort niet bij mij!’ roepen we het liefst, wanneer we er mee geconfronteerd worden. En zou je wel durven toegeven dat je lijdt aan jaloezie, dan loop je grote kans dat je afkeurend wordt aangekeken en te horen krijgt dat je je ‘wat meer volwassen’ moet opstellen.

Juist zulke reacties zijn goede manieren om iets potentieel giftigs uit te laten groeien tot iets dat een fundamenteel probleem wordt voor iemand. Daarom bleef ik me afvragen hoe het kon dat juist dit gevoel hier zomaar bij me opkwam. Ik kiepte, in een poging mijn nekspieren wat te ontspannen, mijn hoofd even in mijn nek en hing wat achterover op mijn stoel.

Zo staarde ik ondersteboven vanuit het terras omhoog, langs de spiegelramen van het enorme kantoor achter ons. Als ik heel goed keek en mijn hoofd net voldoende schuin achterover kantelde, dan kon ik een reflectie van mezelf daar zien zweven op de ramen, hangend in het luchtledige, tussen de weerspiegelde wolken, ondersteboven afgetekend. Klein en nietig, uitgerekt en misvormd door het spiegeleffect van de donkere ramen. Het was dit spiegeleffect dat me de handvaten gaf om verder na te denken over jaloezie en de Zuidas.

350937487_3436d68fb7_b-2

Jaloezie bij Kaïn en Abel

Eén verhaal dat vaak wordt aangehaald als we het hebben over jaloezie en de kwalijke gevolgen ervan is het Bijbelse verhaal van Kaïn en Abel. Kaïn was, volgens de overleveringen, een landbouwer,  Abel was een schaapherder. Beiden brachten offers aan God: Kaïn bracht offers van de vruchten van het land en Abel bracht het offer van één van zijn schapen. God zag, aldus het verhaal, gunstig neer op Abel, maar sloeg geen acht op het offer van Kaïn. De woede die Kaïn voelde op deze gevoelsmatige afwijzing van God was dusdanig groot dat hij Abel meelokte voor een wandeling en hem vervolgens aanviel en vermoorde.

Het is opvallend hoe gemakkelijk mensen bij dit verhaal een oordeel vellen over goed en kwaad. ‘Uiteraard’ is Kaïn hier de slechterik, dat licht voor de hand, toch? Einde discussie. Toch is die gevolgtrekking naar mijn mening te kort door de bocht; het ligt genuanceerder.

Jaloezie is hier de wortel, maar misschien niet perse de wortel van alle kwaad. Zo veronderstelde de psychoanalytica Melanie Klein, een belangrijke figuur in de ontwikkeling van de psychoanalytische beweging in de vorige eeuw en grondlegster van de objectrelatietheorie in de psychoanalyse, bijvoorbeeld dat er al zoiets als een primitieve jaloezie aanwezig zou zijn in het pasgeboren kind.

6107092258_33b82d39e2_z

Jaloezie als onderdeel van psychologische ontwikkeling

En dergelijke stelling kan nogal wat emotionele ontkenningen opwerpen (en heeft dat ook gedaan): de visie van het onschuldige kind botst hartgrondig met het beeld van het naargeestige groene monster van jaloezie. En toch: Augustinus van Hippo, theoloog, filosoof en kerkvader in de overgangsperiode van de derde naar de vierde eeuw na Christus, schreef eveneens al in zijn Belijdenissen over waargenomen jaloezie bij het kind. Augustinus schreef: “Ik heb zelf eens een baby gezien en meegemaakt die jaloers was: hij praatte nog niet en toch bekeek hij het kind dat samen met hem gezoogd werd, met een verbitterde blik uit een bleek gezicht.” 

Bovenstaande citaat voer ik aan om te illustreren dat Klein niet de enige was, die vooronderstelde dat jaloezie niet noodzakelijk iets zegt over iemands specifieke karaktereigenschappen en/of morele (on-)deugdelijkheid. Maar dat jaloezie misschien onderdeel is van hoe we in elkaar zitten als mens.

Het is zelfs hoogstwaarschijnlijk dat jaloezie een inherent ingrediënt is voor het psychologische ontwikkelingsproces van het kind. Jaloezie zou dan ook eens een integraal onderdeel kunnen zijn van ons als mens. Bij de één meer op de voorgrond aanwezig dan bij de ander. Maar altijd in potentie present, al in de wortel aan ons meegegeven.

4772763570_7e65533df5_z

Lacan over jaloezie als verlies van zelf-bevestiging

Mijn eigen misvormde spiegelbeeld in de torens bracht me bij Lacan, eveneens een invloedrijke psychoanalyticus uit de vorige eeuw, die een theorie naar voren heeft bracht over jaloezie. (Lacan bracht deze theorie over jaloezie overigens ook naar voren aan de hand van het fragment uit Belijdenissen van Augsutinus dat ik hierboven geciteerde.)

Lacan stelde dat jaloezie ontstaat vanuit het gevoel dat iemand heeft bij het idee de bevestiging van de eigen identiteit –  in de ogen van de ander – te verliezen. Het idee van Lacan (heel kort uitgelegd) was dat identiteit van een kind, van een persoon, ontstaat doordat het beeld dat het kind heeft van de eigen identiteit bevestigd wordt door de ogen een relevante ander.

Bij identiteitsvorming is de blik van de ander dus ontzettend belangrijk. Jaloezie ontstaat, aldus Lacan, op het moment dat de blik van de ander losraakt van het kind, van de persoon, en zich op andere objecten begint te richten.

Dat die blik zich op andere objecten en onderwerpen richt is tegelijk noodzakelijk, zowel voor de ander (de moeder) die zich met meer moet bezighouden dan alleen met het kind om alles reilende en zeilende te houden, maar ook voor het kind zelf, dat door deze fase heen moet om de wereld te kunnen betreden en daarom, om zich te kunnen ontwikkelen, moet leren dat het niet het allesomvattende brandpunt is in het universum van de Ander.

5160196141_0a1ae34223_z

Jaloezie als poging tot ordening

Tegelijk is dat moment – dat moment dat de blik van de relevante ander zich richt op iets anders – een traumatisch ogenblik. Het roept bij het kind het gevoel op niet langer zichtbaar te zijn, verloren te raken. Afgesneden te raken van de relevante ander, incompleet te worden. Om de eigen ordening weer terug te kunnen krijgen en weer vat te krijgen op de wereld, zo luidt de theorie van Lacan, kan het dan zijn dat iemand de conclusie trekt dat blijkbaar de blik van de ander gericht is op iets anders dat méér waardevol is dan hij of zij dat is.

Blijkbaar, zo luidt dan de gedachte bij iemand die lijdt aan jaloezie, aldus Lacan, is er een andere persoon of een ander object dat een kenmerk bezit om de blik van de relevante ander te veroveren. Dat kenmerk lijkt dan de sleutel te zijn om die blik weer terug te veroveren. En in de drift van jaloezie zal iemand dan ofwel alles doen om dat kenmerk voor zichzelf te vergaren, ofwel zal iemand de ander die dit kenmerk bezit, pogen te vernietigen.

Bijzonder interessant hierbij is echter dat de sleutel tot de ervaring van het gebrek, in de theorie van Lacan niet  zit in de reële ervaring van gebrek. Het gebrek hoeft niet noodzakelijk werkelijkheid te zijn. De sleutel zit slechts gevangen in die afgewende blik van de relevante ander. Of, nog dieper gravend, de sleutel tot jaloezie zit in de irreële, eigen interpretatie van de afwending van de blik van de ander.

3232876729_d86d6dff15_o

Jaloezie als interpretatie

Terug naar het verhaal van Kaïn en Abel. Ook in dit verhaal wordt de jaloezie van Kaïn in feite getriggerd door het gevoel van Kaïn dat de blik van God niet op hem valt, maar op zijn broer. Belangrijker nog, Kaïn interpreteert ook die blik die naar zijn broer gaat. ‘Mijn broer heeft iets dat ik niet heb,’ denkt hij. ‘En dáárom is God hém wel goedgezind en mij niet.’

Het is hier niet relevant of de ervaren God wel of niet bestaat. Waar het om draait is de enorme machteloosheid die schuilt áchter die interpretatie. Het wanhopige gevoel dat door die gedachte gewekt wordt – het gevoel verloren te zijn en niet meer te bestaan in de ogen van de relevante Ander, in de ogen van God, omdat een andere persoon die blik heeft kunnen ‘afpakken’, door dat ene kenmerk dat hijzelf blijkbaar mist. Dat gevoel laat Kaïn uiteindelijk uitbarsten in zijn jaloerse woedeaanval. En brengt hem tot moord.

Jaloers op een leegte

Maar er is nog iets aan de hand! De betekenis van de Bijbelse naam ‘Abel’ is tamelijk specifiek. Abel is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘Habel’, dat ‘leeg handelen’ of ‘ijdel worden’ betekent. Of van het Hebreeuwse naamwoord ‘Hebel’, dat ‘zonder substantie’ of ‘nevel’ betekent.

Metaforisch gezien vermoordt Kaïn dus in uit jaloezie iets ‘inhoudsloos’; hij vernietigt een ‘habel’, iets dat ‘zonder substantie’ is. Waar, wordt op die manier de vraag opgeroepen, richt de woede van Kaïn zich dan eigenlijk op? Wat is het onderwerp van jaloezie werkelijk?

Was het Abel als persoon? Of was de woede eigenlijk gericht op iets anders? Op iets ín Kaïn? Want hoeveel zin heeft het om een nevel, iets ontastbaars te doden? En kán dat eigenlijk wel? Het is goed mogelijk dat Kaïn Abel wel vermoordde, maar dat de jaloezie bleef bestaan. Het Bijbelverhaal zelf brengt dus misschien al in de eigen verhaalelementen vragen met zich mee die jaloezie in een eigen perspectief plaatsen.

2218669374_444c2942d8_o

Voorbij de jaloezie ligt rouw

Onderwijl, van het verhaal van Kaïn en Abel, terug naar Lacan. En uiteindelijk weer terug naar mijn eigen misvormde gelijkenis die ik daar zo hoog in de torens schuin en ondersteboven op de ramen weerspiegeld zag. Plotseling vroeg ik me af: is dat inderdaad hoe ik mijzelf, in mijzelf, zie in de ogen van de ander? Als misvormd? Is dat mijn interpretatie van de blik van de ander? En vooral, was de relevante vraag: is het noodzakelijk dat ik die blik op precies die manier blijf interpreteren?

Lacan geeft in zijn theorie over identiteitsvorming en de spiegelfase het volgende antwoord: het kind zal zich, met de realisatie dat het niet het exclusieve brandpunt is voor zijn moeder, enerzijds bevrijd voelen. Maar het kind zal zich anderzijds ook moeten verhouden tot een gevoel van leegte en onbestendige angst. Omdat de wereld met het wegdraaien van de blik van de moeder, nu eenmaal ook een plek blijkt te zijn waar het kind dus – zo blijkt uit dat wegdraaien van de blik – ook nooit (meer) volledig onderdeel zal zijn van de ander. Het paradijs van de zuigeling is daarmee definitief voorbij.

Accepteren wat niet te veranderen is

Wil het kind zich verder ontwikkelen, dan zal het, aldus Lacan, in zichzelf een evenwicht moeten vinden tussen die enerzijds vreugdevolle bevrijding en die anderzijds afscheidende rouw. Dat evenwicht kan het kind vooral vinden doordat het op den duur het verschil tussen ouder en kind accepteert. En doordat het kind niet langer probeert zichzelf te identificeren met de Ander.

Het evenwicht zit er feitelijk in dat het kind de eigen plek leert kennen (en steeds opnieuw moet leren kennen in de ontwikkeling tot volwassene). En zo steeds meer zichzelf leert kennen en daarmee leert om de wereld op eigen wijze te verdragen. De oplossing ligt er dus in te accepteren wat niet te veranderen is. Ik kan niet veranderen dat ik niet die ander ben. En ik heb er evenmin invloed op dat die ander niet is zoals ik ben.

8727078400_08925ac032_k

Aanvaarden van jezelf

De sleutel ligt erin op te houden mijzelf te (willen) identificeren met de ander. Het is mijn eigen interpretatie van deze omgeving die het me moeilijk maakt. Het zijn mijn eigen twijfels over hoe ik denk dat de Ander mij ziet, die maken dat ik me incompleet voel. Dus wil ik ‘ik’ durven te zijn, dan moet ik mijzelf los durven te schakelen van de ander. Moet ik mijn eigen plek weer aanvaarden. En zo mijzelf accepteren zoals ik ben: als compleet, met al mijn gebreken.

Ik rukte mijn blik los van het misvormde spiegelbeeld boven me en richtte me weer op de rest van ons gesprek. Ons tweede biertje werd aangeleverd, we proostten erop. En terwijl ik een slok nam, gleed mijn blik langs al de gebouwen, weg van de ramen, omhoog, omhoog, steeds verder, naar die alomvattende kalme blauwe lucht, waar de wolken vredig en liefhebbend op me neerkeken, vrij en zonder oordeel.

Daar school geen blik van een Ander die ik vreesde. En als die blik er wel was, dan bracht die me vooral tot rust. Genietend van de zon voelde iets van me afglijden, een gevoel van druk verdwijnen. Er stak een briesje op. Ik genoot van de verkoeling. Ademde diep de frisse lucht in, daar op dat grijze plein op de Zuidas. En wat ik voelde overviel me.

Ik voelde liefde….

4214814589_a979b006c2_o

(De uitleg over theorie van Lacan over jaloezie is door mij grotendeels ontleend aan het artikel ‘Lacanian Theory’s contribution to the study of workplace envy’, van Bénédicte Vidaillet, gepubliceerd in ‘Human Relations’, vol. 60 (11), 1669-1700 (2007))

Foto’s: CC LF – Eyes, Jean-Luc LavalCraig Sunter, Kit, Matthieu Sévère, dr_Zoidberg, RoelandP, Gary Lund, Stefano Corso, Lucy Maude EllisJes


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie