Hoe helpt troost bij het overwinnen van innerlijke blokkades? Daarover gaat deze blog. In dat kader besprak ik in mijn vorige blog de mythe van Theseus en de Minotaurus. Ik legde daarbij het brandpunt bij de Minotaurus als ‘beschaamd monster’. En suggereerde dat de Minotaurus in Jungiaanse zin beschouwd kon worden als psychologisch symbool voor onze eigen wanhopige reactie op innerlijke blokkades.
Tevens suggereerde ik dat de draad van Ariadne wellicht symbool stond voor het mechanisme van troost. De draad van Ariadne als leidraad en aanmoediging om onze eigen innerlijke monsters op te zoeken. Ik wees in dit verband op de vermelding van de mythe van Theseus en de Minotaurus in Plato’s dialoog ‘Pheado’. Plato laat Socrates in ‘Phaedo’ immers niet voor niets een filosofische uiteenzetting doen, die tot doel heeft om diens vrienden, in het licht van Socrates’ aanstaande dood, te troosten.
Zou het kunnen, zo vroeg ik me in dat licht af, dat juist die troost hier centraal staat? En zou dus de draad van Ariadne, die zo belangrijk is bij het verslaan van de Minotaurus, dan misschien beschouwd kunnen worden als psychologische symbool van de troost? In deze blog leg ik dit idee – de draad van Ariadne als symbool van troost en de regulerende werking ervan bij het omgaan met innerlijke blokkades – verder uit.
Troost en hechting
In het dagelijkse leven besteden we opvallend weinig aandacht aan troost. Troost bieden, dat doe je maar ergens anders, waar niemand het hoeft te zien. Troost biedt je aan kinderen en dan nog vooral bij kleine kinderen, want een puber troost bieden is vaak schier onmogelijk (ieder troostend gebaar doorkruist daarbij immers de voor de jongere zo belangrijke psychologische strijd voor separatie en individuatie). In ieder geval lijken volwassenen weinig op te hebben met troost (tenzij het het spreekwoordelijke ‘bakkie troost’ betreft). Het áánbieden van troost heeft dan nog iets heroïsch. Maar het zelf vragen om troost? Dat doe je niet.
Het lijkt ook alsof mensen bij verdriet en tranen liever snel weg kijken. Alsof er een sociaal gebod bestaat dat voorschrijft dat we ons, in ieder geval in gezelschap, moeten schamen wanneer we troost nodig hebben. Troost zoeken: dat doe je maar alleen, lijkt de boodschap. (Denk ook aan films, waar vaak de hoofpersoon, wanneer deze moet huilen, kenmerkend juist wegvlucht van het gezelschap, om ergens anders, alleen, zijn of haar tranen te laten lopen.) Terwijl troost eigenlijk iets is waar mensen, in de basis, juist elkaar nodig hebben. Troost en de hechting zijn namelijk nauw verbonden.
Psychoanalyse en troost
In de psychoanalyse wordt niet veel geschreven over troost. De enige plek waar troost naar voren komt is in verband met de gehechtheidstheorie. In de gehechtheidstheorie ziet men troost als hoofdregulator bij emoties als angst en verdriet. In het boek ‘Empathie’ gaat psychiater-psychoanalytica Nelleke Nicolai, in haar essay ‘Troost, compassie en zelfcompassie’, uitgebreid in op dit onderwerp.
Troost, zo vertelt Nicolai, is een functie van de vroege ontwikkeling. Troost draait om het aanleren van het vermogen om emoties als angst en verdriet te kunnen reguleren. Algemeen geldt, zo schrijft Nicolai, dat hoe meer empathisch de verzorgende ouder is voor de gevoelstoestand van het kind, hoe veiliger de gehechtheid wordt. En hoe veiliger gehecht, hoe beter het kind zichzelf vervolgens – ook later, als volwassene – kan geruststellen en kan troosten.
Troost en zelfregulatie
Tegelijk benadrukt Nicolai dat er bij het kind vanaf het begin ook al sprake is van zelfregulatie. Kleine baby’s zijn al vanaf heel vroeg in hun ontwikkeling in staat om eigen gevoelens te reguleren. Ze gaan bijvoorbeeld zelf spontaan duimen of wenden de blik af wanneer een waarneming te indringend wordt. De regulatie van buitenaf, ingebracht door de verzorgers, is vooral noodzakelijk bij gevoelstoestanden die het kind zelf niet aankan, zoals bijvoorbeeld separatie.
Nicolai omschrijft separatie ook als ‘de grootste angst van de mens’. Let hierbij op, want separatie is precies de straf die de Minotaurus in de mythe ondergaat voor de zonden van de vader. Vaderkoning Minos verbande zijn half-dierlijke stiefzoon tot het labyrint, weg van al het menselijk contact, omdat de koning zich schaamde voor zijn stiefzoon. Daar waar het kind de ouder het meeste nodig had, werd het buitengesloten. Zo ontstond de woeste wanhoop.
‘Gemarkeerd spiegelen’
Nicolai vertelt verder. Later in de ontwikkeling, vanaf een maand of twaalf, reguleren ouders de emoties van hun kinderen in toenemende mate door ‘gemarkeerde spiegeling’. Deze term ontleent Nicolai aan Peter Fonagy, een Britse psychoanalyticus en klinisch psycholoog en grondlegger van het belangrijke psychologische concept ‘mentalisatie’. ‘Gemarkeerd spiegelen’ houdt in dat de verzorger in staat is om een door het kind ervaren emotie onder woorden te brengen, zonder dat deze ouder deze emotie zelf ook overneemt.
Dat een verzorger hiertoe in staat is, lijkt voor de hand liggend. Toch komt het regelmatig voor dat een ouder juist met boosheid reageert op de boosheid van het kind. “En nou moet je ophouden,” wordt er bijvoorbeeld geïrriteerd gesnauwd naar de boze kleuter. Zo’n reactie lijkt onbeduidend. Maar het kind krijgt, als het stelselmatig gebeurt, in deze intimiderende, boze terugkoppeling van de ouder, de boodschap mee dat de boosheid die het kind voelt, blijkbaar kan overslaan op de ouder.
Een dergelijke terugkoppeling maakt boosheid voor het kind tot een gevaarlijke en onveilige emotie om te hebben. Bovendien: blijkbaar is boosheid een emotie die niet van het kind zelf mag blijven. Immers (in de ogen van het kind,) raakt de ouder ‘besmet’ door de boosheid van het kind en neemt deze die over. Zo is gemarkeerd spiegelen, waarbij de ouder aan het kind erkenning geeft van het gevoel van het kind, zonder dat de ouder deze gevoelens overneemt, van wezenlijk belang voor een gezonde ontwikkeling.
Gemarkeerd spiegelen heeft inderdaad meerdere positieve effecten, aldus Nicolai. Het zorgt ervoor: (1) dat het kind leert het eigen Zelf te onderscheid van de Ander en (2) maakt dat het kind zich begrepen en getroost voelt. Bovendien zorgt het ervoor (3) dat het kind in toenemende mate het creatieve vermogen ontwikkelt om zichzelf te troosten.
‘Mind-mindedness’
Het vermogen tot gemarkeerd spiegelen blijkt, aldus Nicolai, te berusten op de ‘mind-mindedness’ van ouders. Met ‘Mind-mindedness’ wordt bedoeld: het vermogen om de ander, (in het geval van verzorging: het kind) te zien als een wezen met eigen gevoelens, gedachten en intenties, los van zichzelf.
‘Mind-mindedness’ berust zo op twee sporen van empathie: enerzijds het emotioneel inleven in de ander. En anderzijds het onderscheiden van Zelf en Ander. Nicolai benoemt deze twee sporen respectievelijk de affectieve pool (de emotionele inleving) en de cognitieve pool (het kunnen onderscheiden van Zelf en Ander).
De vaardigheid te kunnen troosten komt dus voort uit:
- (1) gemarkeerd spiegelen, d.w.z.: emoties in woorden uitdrukken, zonder zelf met de emoties samen te vallen) en
- (2) mind-mindedness, d.w.z.: emotioneel kunnen inleven in de ander en daarbij de eigen beleving kunnen scheiden van die van de Ander.
Wanneer deze vaardigheden tot ontwikkeling komen is het kind, ook als volwassene, goed in staat om zichzelf te troosten.
Innerlijke dader
Bij de Minotaurus ontbreekt dit vermogen echter: het kan de eigen emoties niet uidruken in woorden, valt samen met de eigen woede en leeft zich niet in bij zijn slachtoffers. In plaats daarvan valt de Minotaurus volledig samen met de eigen negatieve, innerlijke woede. Er is als het ware een ‘innerlijke stem’ die het wezen voortdurend schuldig verklaart en aanspoort tot zijn wanhopige schaamte. Die innerlijke stem is echter afkomstig van buitenaf. De stem behoort niet tot het monster zelf, maar tot koning Minos, die zich intens schaamde voor zijn stiefzoon.
Nicolai omschrijft een dergelijke negatieve verinnerlijkte stem als ‘daderintroject’. De Minotaurus is een innerlijke dader geworden. Deze innerlijke dader – ‘inner perpetrator’ – is, aldus Nicolai, het gevolg van een innerlijke splijting, een psychologisch proces dat in de jaren ’40 vorige eeuw werd beschreven door de psychoanalyticus Ronald Fairbairn, die aan de wieg stond van de objectrelatietheorie.
Basisaanname van Fairbarn was dat een kind dat onderworpen wordt aan wreedheid, het beeld van de troostende verzorger niet kan integreren. De momenten dat de verzorger razend is, slaat of scheldt, kan het kind niet rijmen met die andere momenten dat de verzorger in rust, of misschien zelfs aardig is. Er is, voor volledige psychologische integratie, een verzorger nodig die het kind helpt met nadenken over de eigen gevoelens en emoties. Een verzorger dus die mind-minded is.
‘Better a bad me in a good world, than a good me in a bad world’
Wanneer deze mind-minded verzorger echter ontbreekt en het geweld chronisch van aard is, dan wordt het beeld van de slechte verzorger verinnerlijkt. Het eigen Zelf wordt beleefd als slecht, stom en schuldig, als antwoord op het geweld van de ouder. Deze spiegeling van het gedrag van de ouder wordt het enige antwoord dat het kind innerlijk kan verdragen als zelf gekozen verklaring voor het geweld waar het geconfronteerd mee wordt.
Fairbarn vatte dit, aldus Nicolai, samen in het motto: ‘Better a bad me in a good world, than a good me in a bad world.’ (‘Beter een slechte ik in een goede wereld, dan een goede ik in een slechte wereld.’) Dit innerlijke en onbewuste ‘mantra’ van het kind om houvast te krijgen op hoe de wereld in elkaar zit, vormt de oorsprong van de verinnerlijkte dader.
Wrede herhaling
Tegelijk wordt het beeld van de goede verzorger geïdealiseerd en geëxternaliseerd. De ‘goede verzorger’ wordt op die manier zowel onbereikbaar (kenmerkend voor een ideaal) als buiten het Zelf geprojecteerd (externalisatie). Op die manier ontstaat er een verlangen naar iets dat altijd buiten iemand ligt. Precies dat wat iemand nodig heeft om de eigen gevoelens van schaamte, onrust en verdriet te troosten – de regulerende functie van de goede verzorger – ligt zo steeds buiten bereik.
Individuatie – ‘psychologische integratie’, of, in Jungiaanse terminologie, ‘heelwording’- wordt op deze manier een onmogelijk opdracht. De ‘goede verzorger’, die met behulp van ‘gemarkeerd spiegelen’ en ‘mind-mindedness’ verinnerlijkt zou moeten worden om een geheel te kunnen worden, wordt voortdurend buiten het eigen ik gezocht.
Ondertussen is de binnenwereld van het kind een wrede herhaling van de zelf gepercipieerde straf, voor een schuld die het denkt te moeten dragen. De ervaring van ‘zelf schuldig zijn aan’ vormt de verklaring die het kind zichzelf op onbewust niveau geeft. Om zo de spanning die de innerlijke gespletenheid opwekt te kunnen verlichten voor zichzelf. Zo ontstaat het labyrint, de gevangenis van herhaling, waarin de Minotaurus als verinnerlijkte dader woest ronddwaalt.
Verzachting van de agressieve innerlijke dialoog
Van belang is te vermelden dat natuurlijk niet iedereen die klem zit in het leven, altijd ‘mind-minded’ ouders heeft gemist. Verdwaald raken in het leven betekent niet altijd dat er geweld in het verleden heeft plaatsgevonden. De oorsprong van de ‘inner-perpetrator’ ligt niet altijd in een verleden van mishandeling. Het mechanisme tot innerlijke dader ligt besloten in ieder moment dat we in de spiegel kijken en ons zelf op de kop geven omdat we iets gedaan hebben dat we zelf onvergefelijk vinden.
Waar het om gaat, is dat iemand die vast is geraakt in zijn eigen patronen, vaak het vermogen (tijdelijk) verloren is, om zichzelf te kunnen troosten. En soms, in plaats van zichzelf te troosten, overgaat tot een vorm van innerlijk psychisch geweld. Uit een onvermogen om nog afstand te kunnen nemen van de eigen gevoelens en die te duiden en woorden te geven.
Innerlijke blokkades die gepaard gaan met een gevoel van woeste, ongerichte wanhoop, gaan op die manier vaak gepaard met een venijnige, meedogenloze, agressieve innerlijke stem. Het is een stem die op dat moment niet staat is om onder woorden te brengen wat er werkelijk door het Zelf gevoeld wordt aan verdriet, angst, hopeloosheid, hulpeloosheid of schaamte. Het is een stem die slechts de percipieerde boosheid van de buitenwereld naar binnen projecteert en alle troost buitensluit.
Het omgieten van de eigen gevoelens in woorden en het zo (helpen) kanaliseren en reguleren van die overweldigende gevoelens: dat is troost. Troost is het omzetten van de agressieve innerlijke dialoog naar woorden die ondersteunen om de weg naar buiten weer te vinden. Troost kan helpen om de eigen ratio terug te vinden, daar waar emoties alles overheersend zijn geworden.
De Minotaurus lijdt. Hij lijdt onder de schaamte van zijn stiefvader. Hij heeft geen woorden voor wat hij voelt. De Minotaurus verzet zich woest tegen iets buiten hem dat hem heeft gekwetst, om redenen die hij niet begrijpt. Juist dat niet-begrijpen maakt het monster nog razender. Troost maakt het mogelijk voor Theseus om het beschaamde monster te vinden. En om daarna de enorme agressieve innerlijke dialoog te verzachten, juist door de primaire emoties te scheiden van de menselijke beleving.
Afstand van de eigen emoties
Het zwaard, aan Theseus geschonken door Ariadne, staat hier, zoals eerder ook al voorbijkwam, voor het vermogen om scheiding en afstand aan te brengen. Bij de Minotaurus is er sprake van een zelfverinnerlijking van gevoelens van schaamte en zelfkritiek. Die gevoelens zijn soms, aldus Nicolai, zo sterk aanwezig zijn dat empathie van de ander nauwelijks aankomt.
Zoals een gewond dier kan bijten naar de handen die het dier verzorgen, zo kan een troostend gebaar juist averechts leiden tot agressie en wantrouwen. Troost kan een vorm van mededogen zijn dat pas wordt verdragen als er enige afstand is van de eigen emoties. Hier komt het zwaard van Theseus om de hoek kijken.
Om toegang te krijgen tot troost, is het noodzakelijk dat emoties beleefd kunnen worden van een afstand. Zodat er niet langer sprake is van een tierend dwalende Minotaurus die als half dier een-en-al emotie ís. Maar van een tot stilstand en rust gebracht mens, die in staat is om afstand te nemen van het eigen, brede spectrum aan emoties en die naar die gevoelens kan kijken om ze te benoemen.
Het getrooste monster
Om dat te bereiken is scheiding nodig tussen emotie en Zelf. De stierenkop moet gescheiden worden van het mensenlichaam. Emoties moeten niet volledig samenvallen met het ‘ik’. Waar Jungiaanse individuatie tot stand komt, moet ook separatie plaatsvinden. Die separatie: dat is waar het zwaard voor staat. Er moet iets of iemand zijn die zich verzet tegen de verinnerlijkte dader. Er moet iets zijn dat helpt om de innerlijke agressieve dialoog af te kappen. Voor dat verzet, voor het onderscheid tussen Zelf en de emotie waar het Zelf op drijft: daar staat het zwaard voor.
De gouden draad van Ariadne staat op deze manier voor de troost die het mogelijk maakt dat de echte pijn van het monster gevonden kon worden. Troost die het mogelijk maakt dat ook het monster tot rust komt en zich geaccepteerd voelt. Want innerlijke monsters versla je uiteindelijk nooit met het zwaard. Je verslaat ze door ze op te zoeken. Door ze te omhelzen.
Innerlijke monsters versla je door ze te troosten…
Foto’s CC: Dawn Ashley – comfort, Lulu Lovering – comfort me with moonlight, Nicmei-spiegel, Flavio Lorenzo Sánchez – spiegel, JustCallMe_Bethy – comfort in schadows, Javier Morales – agressive, Lulu Lovering – How to disappear
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.










