De werkeloze zondebok

Voor het project ‘Werk & Identeit‘ ben ik, samen met mijn drie collega-onderzoekers Jack Fila, Truus Janssen en Ingrid Lutke Schipholt, de afgelopen jaren bezig geweest om het vraagstuk ‘Zijn wij ons werk?’ te onderzoeken. Gezamenlijk, en ieder vanuit z’n eigen invalshoek, namen we deze vraag onder de loep. Samen interviewden we verscheidene mensen vanuit allerlei lagen in de samenleving over dit vraagstuk. Inmiddels zijn de essay’s en interviews verzameld op de projectwebsite www.werkenidentiteit.nl.

Wil je begrijpen hoe het kan dat de werkzoekende vaak ongestraft als sociale zondebok weggezet kan worden? En hoe het mogelijk is dat de werkenden zich daarbij juist – soms vol overtrokken trots – de positie van de ‘Grote Winnaars’ aanmeten?

Lees vooral verder….

zondebok-aan-de-muur

DE WERKELOZE ZONDEBOK

“Ik wil graag winnen. Succes hebben en scoren.” Het lijkt goed voor te stellen dat een manager een dergelijk antwoord geeft op de vraag naar diens zelfbeeld. Tijdens een interview voor het project werk&ideniteit vertelt een manager bijvoorbeeld ook: “Iemand zei tegen mij: ‘Wat jij begint, wordt een succes…’ Dat was een inspiratie voor mij.”

Succes is blijkbaar erg belangrijk voor deze manager. De gedachte een winnaar te zijn, is vormend voor het idee van zijn identiteit. Falen is voor deze manager geen optie. En uiteraard is hij daarin niet alleen. Een groot deel van ons werkende leven en van hoe wij onszelf (en elkaar) zien, lijkt te draaien om het succes dat we hebben in ons werk.

Succesvolle mensen en bedrijven bepalen ons beeld. Succes ín je werk is wat mensen willen. Ben je directeur, dan ben je succesvol in het leven. Ben je schoonmaker: not so much. Dat lijkt in ieder geval voor een groot deel het grote verhaal dat leeft in onze samenleving.

Algemeen aanvaarden mensen het idee dat er een nauwe samenhang bestaat tussen enerzijds de mate van succes in het werk. En anderzijds de mate van trots die je mag toevoegen aan het beeld van jezelf.  Die algemene aanvaarding illustreert dat er hier sprake is een ‘verhaal’. Een ‘verhaal’, in de stijl van de Grote Verhalen die voorheen mensen verbonden in religie.

Een kleine zeventig jaar geleden zou iemand als inspiratiebron wellicht nog de Bijbel genoemd hebben. Dan zou een manager misschien hebben gezegd: “Iemand citeerde ooit Sirach 7:15 aan mij: ‘Heb geen hekel aan zware arbeid, of aan werken op het land; het is door de Allerhoogste ingesteld.’ Dat was een inspiratie voor mij.” In plaats daarvan is nu succes en winnen in werk een inspiratiebron geworden.

‘Succes’ en ‘winnen’ is echter een relatief nieuwe inhoud van wat wij maatschappelijk zien als  inspiratie. Blijkbaar is er iets bijzonders gebeurd. Werk – en het verhaal dat rondom werk is ontstaan – heeft een ander karakter gekregen. Het (ver)krijgen van werk en je positie afbakenen in je werk – een loopbaan scheppen – heeft een structuur gekregen van een heldenverhaal. En het verkrijgen van werk lijkt bijna iets heiligs te worden.

‘Heilig’, dat wil in dit geval zeggen: iets dat je onderscheidt van anderen. In de tijd van werkeloosheid worden diegenen die werk hebben als het ware gezien als ‘uitverkorenen’. En in een bepaald licht is dat ook zo. Want het arbeidsselectieproces is ingericht op precies die ervaring. Uit een gemiddelde stapel van 200 sollicitatiebrieven wordt precies jíj uitgekozen om op gesprek te komen. En vervolgens heb jíj het ‘gewonnen’ van de vier of vijf andere kandidaten. Je hebt die felbegeerde baan: dus je bent in zeker zin letterlijk ‘de uitverkorene’ boven al die anderen.

En diegenen die hoog op de arbeidsladder staan, in exorbitant gesalarieerde management- of bestuursfuncties? Zij worden – verhaaltechnisch – verheven tot het leidmotief in dit verhaal. Zij zijn niet langer mensen van vlees en bloed, maar representeren iets. Als symbolen vormen zij het steeds terugkerende element in dit verhaal dat dient om de gedachten van de toehoorders in een bepaalde richting te leiden. In dit geval is die richting: dat zij de grote voorbeelden zijn waar naar gekeken moet worden. En zelfs wanneer je zegt: ‘Ik kijk niet naar dat succes’, dan nog zijn zij het, die je de rug toekeert. Het is het beeld van hun succes, dat voor een breed publiek centraal blijft staan.

14691065010_03475e280d_z

De grote omkering

Bovenstaande lijkt misschien een cynische observatie. Maar het krijgt pas echt scherpe kaders wanneer je de geschetste hedendaagse houding ten aanzien van werk vergelijkt met de ontwikkelingsweg die het door de geschiedenis heen heeft afgelegd.

We denken misschien dat we werk áltijd hebben gezien als iets dat je móet hebben. Anders tel je niet mee en heb je geen recht van spreken. Maar dat klopt niet. Wie werk heeft werd namelijk niet altijd als succesvol gezien. Sterker nog, de klassieke Grieken zagen werken – ‘loonarbeid’ – als iets afschuwelijks.

Hans Achterhuis[1] spreekt bijvoorbeeld zelfs over een volledige ‘omkering van alle waarden’. Het Griekse denken over arbeid blijkt op de meeste punten precies het tegenovergestelde van de moderne manier van denken over werk. Aan de hand van teksten van Plato en het denken van Aristoteles illustreert Achterhuis hoezeer er door de Grieken neer werd gekeken op arbeid.

In ‘De Wetten’ stelt de Griekse filosoof Plato bijvoorbeeld dat staatsburgers zich niet mogen begeven in handel, industrie of ambacht. Deze werkzaamheden werden zo laag gewaardeerd, dat ze maar aan slaven of vreemdelingen overgelaten moesten worden.

In ogen van Aristoteles, een andere grote klassieke filosoof, ligt de afkeuring er nog iets dikker bovenop. Arbeid zou  de mens zelfs verlagen en hem van z’n deugd af houden. “In de best geregeerde staten (…) mag aan niemand (van de burgers) toegestaan worden om een mechanisch werk te verrichten of in de handel te gaan,” schijft Aristoteles onder meer, “daar deze activiteiten in staat zijn de deugd teniet te doen.”

Deze Oud-Griekse visie is het tegenovergestelde van een hypermodieuze uitspraak van iemand die bijvoorbeeld zegt: “Ik ben heel tevreden over mijn werk. Alles valt daarin samen waar mijn talenten liggen.” In die uitspraak ligt juist trots besloten. Er wordt eigenlijk vooral mee gezegd dat de deugdelijkheid van deze mens ín zijn werk besloten zit.

Achterhuis volgt het spoor verder naar de Middeleeuwen. Ook daar heeft arbeid geen hoge positie. De vita activa – het actieve wereldse leven, waarmee men zich voorzag van de dagelijkse noden en behoeften – werd als ondergeschikt beschouwd aan de vita contemplativa, de contemplatieve levenswijze. Arbeid stond in de Middeleeuwen ten dienste van het religieuze leven.

Ook het Benedictijnse ‘ora et labora’ (bid en werk) moet op die manier begrepen worden. Het eentonige en regelmatige werken met de handen diende enkel om de geest vrij te maken voor de contemplatie. Lichamelijke arbeid werd bij uitstek geschikt geacht om de geest rein te maken. Er werd in die zin ook met minachting neergekeken op handwerk, handel en betaalde diensten. Een uitspraak als die van een manager die in zijn relaas over zijn relatie met klanten zegt: “Ze zijn synoniem aan vrienden, zo voelt dat,” zou in de Middeleeuwen simpelweg niet kunnen bestaan.

Uit divers historisch materiaal laat Achterhuis zien hoe er in de tijd in Europa tegen loonarbeid werd aangekeken. Waarbij hij ook onderstreept dat het niet enkel een onderscheid was tussen hogere en lagere klasse. De volksmassa’s zelf verzetten zich eveneens fanatiek tegen loonarbeid. De algemeen heersende houding ten opzichte van loonarbeid werd door de geschiedenis heen, in ieder geval tot sinds kort, aldus Achterhuis vooral goed weergegeven in de uitspraak van Cicero: ‘Wie zijn arbeid ruilt voor geld, verkoopt zichzelf en plaatst zich in de rang der slaven.’

vatican-1136071_1920

Heilig werk in seculiere tijden

De droom van de manager die we elders in dit boek interviewen is echter, zo geeft hij zelf aan, om nieuwe werkgelegenheid te creëren. Deze manager wil zelfs méér werk scheppen. Hij ziet dat als een hoger doel dat het waard is om naar te streven. “Ik heb altijd werk gehad,” zegt hij daarnaast. En hij zegt dat vol trots.

Werk is voor deze manager geen middel meer om iets anders te bereiken. Zoals werk in de Middeleeuwen nog enkel een middel was om de contemplatie te vergroten. Werk is nu zélf het doel geworden, op grond waarvan deze manager zijn identiteit bouwt. Hij is iets waard, ómdat hij werk heeft. En hij is bíjzonder véél waard, omdat hij werk op managementniveau doet. Hij doet ‘bijzonder’ werk, in de ogen van velen. Werk is, met andere woorden, ‘heilig’ geworden, in de betekenis van heilig als ‘onderscheidend’.

Werk is een ándere activiteit: anders dan ál het andere. Deze ‘heiliging’ van werk is misschien wel ontstaan, juist omdat het gebied waar het heilige oorspronkelijk zijn plek had – in de religie – zich heeft teruggetrokken uit de maatschappij. Dat betekent dat de kadering van het heilige is weggevallen. Maar tegelijk is de behoefte aan het heilige, het verlangen ernaar, dat niet. Dat lijkt een boude uitspraak. Maar het is een uitspraak die onderbouwd kan worden.

Allereerst is het belangrijk om in ogenschouw te nemen dat met het woord ‘heilig’ niet de algemene verwijzing naar een ‘hogere Almachtigheid’ bedoeld wordt. ‘Heilig’ wordt hier opgevat in de klassiek Griekse betekenis, zoals die is afgeleid van het Oud-Griekse ‘hagios’, dat in de kern betekent: ‘verschillend’. Dat is namelijk de werkelijke betekenis van ‘heilig’: verschillend, onderscheidend. Het ‘Andere’.

Het terugtrekken van religie is precies een beweging waarin dat ‘verschillende’, dat ‘onderscheidende’ wegvalt. Deze seculariseringsbeweging is in die zin vooral de beweging van het grote gelijkmaken. Dat lijkt misschien een vreemde bewering. Maar diverse auteurs, zoals bijvoorbeeld Hans Boutellier[2], verwijzen naar de politieke filosofie, waar de essentie van secularisering ook wordt geplaatst in het idee van de gelijkwaardigheid van de mens.

De kern voor het seculiere individu ligt in deze theorie in de ontworsteling aan de ongelijkheid en de hiërarchie (van religie en traditie). Het essentie van secularisering kan dan samengevat worden in het volgende fundament: ‘Wij zijn gelijken, ongeacht sekse of maatschappelijke functie.’ Secularisering staat, met ander woorden, voor gelijkwaardigheid.

5400799216_86b0c1a3a6_z

Mimetische begeerte

Mensen kunnen echter slecht tegen gelijkheid. Dat is althans het idee van René Girard, Frans-Amerikaans antropoloog en vergelijkend literatuurwetenschapper. Girard stelde namelijk dat juist gelijkheid riskant is en een bron van conflict en botsing.

Dat komt met name doordat de mens in feite een wezen is dat verlangt naar onderscheid. In ons hart willen we niet gelijk zijn aan elkaar, maar staan we voortdurend in concurrentie met elkaar. Er is behoefte aan iets heiligs, iets dat apart zet. Iets dat het afzonderlijke, het Uitzonderlijke creëert waarnaar verlangd kan worden. We verlangen naar het Heilige, naar het Andere.

Achterhuis en De Koning[3] gaan uitgebreid in op deze theorie van Girard. Basisvertrekpunt voor Girard, leggen de auteurs uit, is het begrip mimetische begeerte. De stelling die besloten ligt in deze theorie is dat onze verlangens niet uit onszelf voortkomen. Wij zijn als mensen volstrekt niet origineel. Ons idee van authenticiteit is een volstrekte romantische fictie.

Mimetische begeerte is een afgeleide van de term mimese of ‘nabootsing’. Mimese is imitatiegedrag. Het is het verschijnsel dat individuen gedragingen overnemen die ze bij soortgenoten zien. Mensen leren, met andere woorden, van elkaar doordat ze elkaars gedrag overnemen. Dit verschijnsel wordt mimese, of mimesis, genoemd. De term is afkomstig uit het klassieke Grieks en is geijkt door Aristoteles in zijn werk Poetica, waarin hij schrijft dat ‘de mens verschilt van de andere levende wezens daarin dat hij de meeste aanleg heeft om uit te beelden en zijn eerste lessen leert door na te doen.’

In de ontwikkelingspsychologie wordt voor ‘mimese’ vaak de term ‘sociaal leren’ gebruikt. Achterhuis en De Koning laten zien dat de mimetische theorie van Girard een neurofysiologische basis heeft gekregen met de ontdekking van de zogenaamde spiegelneuronen in 1996. De identificatie met de ander bleek bij hersenonderzoek namelijk waarneembaar te zijn in activiteiten in het centrale zenuwstelsel: de zogenoemde ‘spiegelneuronen’.

Het onderzoek naar deze spiegelsystemen in de menselijke hersenen heeft tot nog toe laten zien dat spiegelneuronen niet alleen een rol spelen bij inleven in feitelijk gedrag van anderen (empathie). Maar ook in de interpretatie van de bedoeling van anderen (theory of mind). Mensen zijn dus empathische en mimetische wezens. Zij oriënteren zich voortdurend op hun soortgenoten en nemen elkaars gedrag over. Maar Girard gaat nog een stapje verder.

Girard stelt, aldus de auteurs, het volgende: ‘als er op grond van inzichten uit de ontwikkelingspsychologie en de ethologie geconcludeerd kan worden dat mensen mimetische wezens zijn en dat zij dus het gedrag van hun soortgenoten overnemen, kan er dan niet ook geconcludeerd worden dat mensen niet alleen het gedrag, maar ook de verlangens overnemen?’ Hier maakt Girard de stap van mimetische gedrag naar mimetische begeerte.

Mensen verlangen wat andere mensen verlangen. Iets is voor ons begerenswaardig, omdat het voor een ander begerenswaardig is. Wij worden wie we zijn, doordat er anderen zijn die we kunnen navolgen. Als iemand een hand uitstrekt om iets te pakken, zo vertellen de auteurs, dan volgen onze ogen onwillekeurig die hand. Zo krijgt het toegeëigende object een bepaalde aantrekkingskracht voor ons. Dat is echter een onbewust proces, waardoor wij ons verlangen interpreteren als eigen en volledig authentieke verlangens. Maar dat zijn ze dus niet. Ze zijn gekopieerd van de ander.

zondebok-op-berg

Het offer van de zondebok

Met deze stap, van mimese naar mimetische begeerte, wordt er ook een stap gemaakt van het harmoniemodel naar het conflictmodel. Mimese is een mechanisme om empathie te ontwikkelen. Het is model van nabootsing. Maar mimetische begeerte is de bron van jaloezie. Het is een model van concurrentie.

Waar mimesis aan de wieg staat van de menselijke verbinding, daar zet de mimetische begeerte deze verbinding onder druk. Want op het moment dat je het verlangen van een ander kopieert, wordt die ander ook al snel een obstakel. Een hindernis bij het vervullen van je verlangen. Mimetische begeerte is bron van rivaliteit en conflict.

De mimetische begeerte is ook een sociaal gegeven. Verlangens worden niet vanzelf bij een individu opgewekt. Ze komen via anderen naar boven, ze zijn sociaal bemiddeld. Girard brengt in deze bemiddeling een belangrijk onderscheid aan tussen intern bemiddelde en extern bemiddelde begeerte.

Als het model via wie de bemiddeling van het verlangen plaatsvindt, onbereikbaar is, dan noemt Girard dit externe bemiddeling. Dit is bijvoorbeeld het geval doordat het zich in sociaal opzicht in een andere domein of in een andere sociale rang, stand of klasse bevindt. Een dergelijk object, dat buiten bereik blijft, kan nooit een echt obstakel worden en dus ook niet een rivaal. Dergelijke objecten zijn dus ook veel minder ontwrichtend. Ze leiden veel minder snel tot geweld en conflict, dan wanneer er sprake is van interne bemiddeling.

Er is volgens Girard sprake van interne bemiddeling wanneer het model dat het verlangen wekt min of meer gelijkwaardig is en uit de directe, nabije sociale omgeving komt. De mimese kan dan veel sneller tot conflict leiden. Omdat de rivaliteit veel dichterbij is en ook gemakkelijker wederzijds kan worden. De rivalen lijken te veel op elkaar. De begeerte kan escaleren en omslaan in jaloezie, afgunst en haat. Bij interne bemiddeling ligt de bron van strijd dichtbij.

In gelijkheid ligt, kortom, een groot risico besloten. In de theorie van Girard zijn traditionele samenlevingen waarin onderscheid, hiërarchie en ongelijkheid sterk bepalend zijn, ‘veiliger’. Omdat er immers sprake is van die extern bemiddelde mimetische begeerte. De sociaal ordenende, hiërarchische verhoudingen vormen een sterk beschermend wapen tegen rivaliteit.

Religie benadrukt eveneens een ongelijkheidsprincipe. Religie doet dat door bepaalde voorwerpen of locaties of boeken tot ‘Heilig’ – en dus tot ‘uitzonderlijk’ – te verklaren. Zo heeft religie eveneens een sterk regulerend en dempend effect, volgens Girard. Maar met het wegvallen van de traditionele religies in het proces van secularisatie, vallen die ordende  verhoudingen echter steeds meer weg.

De gelijkheid wordt zo steeds groter. En daarmee neemt de onderlinge spanning en rivaliteit eveneens toe. Girard wijst erop dat de orde wel vaker doorbroken is geraakt. En dat er, ook in vroegere tijden, crisismomenten zijn geweest waarbij de sociale patronen op losse schroeven kwamen te staan.

In die crisissituatie komt iedereen op den duur tegenover iedereen te staan en voeren angst en woede de boventoon. En in deze crisistoestand wijst iemand, aldus Girard, op gegeven ogenblik naar een van de aanwezigen – een toevallige beslissing. En de hele horde stort zich dan op dit individu.

Deze ongelukkige wordt als oorzaak van alle ellende gezien. Wellicht zelfs pas nadat hij ter dood is gebracht. De gemeenschappelijke triomf over deze (onschuldige) schuldige brengt vervolgens verbroedering teweeg. En zo ontstaat het offer van de zondebok. De altijd aanwezige dreiging van escalerend geweld werd periodiek afgeleid en bedwongen door het geweld te kanaliseren naar een zondebok. Een offer, bedoeld om een gewelddadige mimetische besmetting van de hele groep te voorkomen.

Achterhuis & De Koning wijzen aan dat het offeren ons misschien bizar en weerzinwekkend voorkomt. Maar dat het toch herkenbaar is. We kennen het verschijnsel nog steeds. Mensen ontlenen namelijk nog steeds een gevoel van verbondenheid door een bepaalde, afwijkende groep tot mikpunt te maken. We offeren alleen nu niet meer fysiek. Maar de psychische offers zijn ondertussen nog steeds aanzienlijk.

16702760024_c766cf0004_z

Labbekakken!

Ergens halverwege 2015 zei VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer in een interview[4] het volgende: “Weet je wat ik vind? Al die labbekakken die hier in een uitkering zitten, die moeten aan het werk.”

Het was een uitspraak waar vervolgens veel op politiek niveau veel herrie over ontstond. Maar tegelijk was het geen uitspraak die ‘zomaar’ uit de lucht kwam vallen. Er zijn namelijk voldoende werkelozen die tijdens familiefeestjes niet meer praten over hun zoektocht naar een baan. Zij ondernemen krampachtige pogingen om opmerkingen die lijken op die van De Boer te vermijden.

Er heerst een flinke agressie en veroordeling rondom werkeloosheid. Werkelozen worden regelmatig weggezet als parasitair. Als mensen die op de rug van werkende groep in leven worden gehouden. “Handje ophouden,” is soms de denigrerende omschrijving van het aanvragen van een uitkering voor levensonderhoud.

Een dergelijke omschrijving staat in schril contract met de opvatting waar Achterhuis naar verwijst. Namelijk dat er in de middeleeuwse samenleving, waar ieder zijn vaste plaats had, zoiets bestond als een moreel recht om in leven te worden gehouden. De rijken dienden liefdadigheid te bewijzen ten opzichte van degenen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

Middeleeuws theologische denker Thomas van Aquino onderstreepte deze opvatting niet alleen (zoals de hele middeleeuwse theologie dat eigenlijk al deed). Van Aquino ging zelfs nog een stap verder. Als de aalmoes niet gegeven werd en als het leven van iemand hierdoor bedreigd werd, dan kende Thomas hem zelfs het recht toe om van de rijkdom van de ander te nemen. Strikt gesproken was er volgens hem in zo’n extreem geval dan geen sprake van stelen.

Het zondebokmechanisme lijkt dus opnieuw grof aan het werk te zijn. Door werkzoekenden te  beledigen, weg te zetten als labbekak of parasiet, worden mensen tot zondebok gemaakt. Het offeren vindt alleen plaats op psychologisch niveau, in plaats van fysiek. Maar het mes dat met scheldnamen als ‘labbekakken’ snijdt, steekt nog steeds in de ziel van een mens die op zoek is naar werk. Voor iemand die afwijzing na afwijzing te verwerken krijgt blijft de steek diep en pijnlijk.

Mogelijkerwijs is een dergelijk psychologisch mes zelfs scherper dan het fysieke offermes van de religieuze Abraham, die op het punt stond om zijn zoon Isaak te offeren. Want Abraham werd in dit Bijbelse verhaal namelijk nog tegengehouden door ‘zijn’ God. Maar niemand lijkt een werkelijk pleidooi te houden om te stoppen de werkeloze of werkzoekende te offeren.

4105513121_e4de0fe3cc_z1

Verloren liefdesobjecten

Dat er wel degelijk sprake is van offeren kan bijvoorbeeld geïllustreerd worden aan de hand van een ander interview met iemand die al langere tijd werkeloos is. Typerend voor dit interview is dat de geïnterviewde vindt dat zij zelf schuld draagt voor de ontstane situatie. Dat is overigens een attitude die zij ook zelf aangaande vele andere werklozen heeft.

“Ergens is er iets met hen en met mij,” wordt in het betreffende interview gezegd. Het feit dat ook willekeur een rol speelt in de eigen positie – de willekeur van het aanwijzen van de zondebok – gaat aan haar voorbij. In het interview betrekt de geïnterviewde haar werkeloosheid volledig op zichzelf. Ze zegt daarmee eigenlijk, zonder al te veel woorden: ‘Ik zal het wel verdiend hebben.’

Waarom dat zo zou zijn? Daar moet de werkzoekende zelf echter het antwoord op schuldig blijven. En de aanwijzers van de zondebok moeten zelf ook het antwoord schuldig blijven waarom de bok tot zondebok wordt. ‘Omdat dingen nu eenmaal zo gaan,’ zou het antwoord waarschijnlijk luiden als het hen gevraagd zou worden.

Toch blijft dat aanwijzen niet zonder gevolgen. Want de werkzoekende staat in het geval van het interview bijvoorbeeld onder therapeutische behandeling. In haar geval in verband met depressieve klachten. Zelf wordt er door de geïnterviewde geen verband gezien tussen diens omstandigheden van werkeloosheid en de depressie. Haar depressie, zegt ze in het interview, is puur lichamelijk. En is op te lossen met pillen.

Het is ook niet noodzakelijk zo dat er een verband bestaat tussen haar werkeloosheid en haar depressie. Desondanks is het wel interessant te beseffen dat depressieve klachten in de psychoanalytische theorie vaak geduid worden als een vorm van tegen zichzelf gerichte agressie. Vooraanstaand psychoanalyticus Thijs de Wolf[5] wijst bijvoorbeeld verschillende psychoanalytische theorieën over depressie aan.

Eén psychoanalytische theorie wees er in 1971  bijvoorbeeld al op dat patiënten die lijden onder depressie vaak handelen alsof ze waardeloze, verloren liefdesobjecten zijn: ‘het zelf wordt ervaren als slechte objecten,’ zo wordt er geschreven. In 1977 schreef een andere psychoanalyticus dat depressieve patiënten zich gedragen alsof ze niet van zichzelf zijn en ook niet voor zichzelf leven: zij leven voor iemand anders. Daarvoor introduceert de psychoanalyse de term van ‘de dominante ander’.

Vooral deze laatste terminologie is interessant in verband met het idee van de zondebok. Het offeren van de zondebok gebeurt namelijk ten behoeve van de dominante partij. Al was het om de spanning die de onderlinge gelijkheid oproept op te heffen. Het is hierbij geen onwaarschijnlijke veronderstelling dat het veld van ‘werk’ en ‘arbeid’ de functie van religie lijkt te hebben overgenomen. Werk en arbeid krijgen zo een soort ‘heilig karakter’. Ze worden een onderscheidend middel in zichzelf.

Maar werk en arbeid zijn tegelijk te weinig onderscheidend. Door die grote mate van gelijkheid tussen alle werkenden wordt escalerend geweld opgewekt. Het zondebokmechanisme wordt vervolgens gebruikt om dit escalerend geweld te kanaliseren. De werkeloze móet geofferd worden voor de werkende. Er móet noodzakelijkerwijs geschoffeerd worden. Om op die manier van ‘de werkende’ (en van het hebben van werk) werkelijk iets uitzonderlijks te kunnen maken.

2798006010_e7ac67655f_z

Terugtrekkende helden

Afsluitend kan dan nog het volgende gezegd worden. De theorie van Girard van de mimetische begeerte en het zondebokmechanisme is geen theorie die tot oplossingen leidt. Het is enkel een verklarende theorie. Girard biedt geen oplossing voor geweld. Want geweld, zo zou Girard zeggen, is inherent aan de mens, ómdat we verlangende wezens zijn.

Zo is er voor werkeloosheid evenmin een oplossing te bedenken die ervoor zorgt dat er ‘zomaar’ meer werk ontstaat. Het domein van werk heeft immers noodzakelijkerwijs een domein nodig waarin ‘geen werk’ bestaat. Werkeloosheid is, kortom, inherent aan werk.

Maar het volgende is wel mogelijk. De auteurs Achterhuis en De Koning sluiten hun boek af met een verwijzing naar de ‘helden van de terugtocht’. Ze bedoelen daarmee helden die het risico durven te nemen om concessies te doen in hun beleid. Helden die de moed opbrengen om dierbare en soms zelfs heilige zaken op te geven.

De manager wiens relaas elders te lezen is, geeft bijvoorbeeld aan dat hij als verbeterpunt voor zichzelf ziet dat ‘willen winnen ook een schaduwzijde heeft’. “Want,” zo zegt hij, “als de andere partij te competitief is ingesteld, dan voel ik zelf ook de competitie.”

Het zou een grootmoedige stap voor mensen als deze manager zijn als zij zouden beseffen dat het ervaren van concurrentie niet de werkelijke schaduwzijde is van winnen. De echte schaduwzijde van winnen is dat, om in staat te zijn om te winnen, er ook een verliezer noodzakelijk móet zijn. Er móet iemand geofferd worden om te kunnen spreken van ‘winnen’.

Werkelijk moedig zou het zijn als mensen zich bewust worden van het offer dat ánderen brengen doordat zij verliezen. Zodat op die manier het beeld opgegeven kan worden dat mensen hun succes in hun eentje creëren. Omdat iemand slechts de protagonist van zijn eigen verhaal kan zijn, doordat andere mensen de antagonist worden in dat verhaal.

Winnen door, en succes voor, de één heeft een prijs. Die prijs moet betaald worden door een ander. Mensen zouden zich in het licht van bovenstaande betoog kunnen realiseren dat er een prijs te betalen is voor ‘winnen’. Namelijk door het verlies van iemand die iedereen even zo goed zelf zou kunnen zijn.

Voor mensen die al langer werkzoekend zijn, geldt daarentegen dat zij zich bewust mogen zijn van de werkelijke positie waarin ze terecht zijn gekomen. Dat er een speelveld is waar zij zich ongemerkt bevinden. En waarin méér aan de hand is dan langdurige werkeloosheid alleen. Zij mogen weten dat zij zichzelf, door hun eigen boze reactie op de langdurigheid van hun positie, onnodig pijn doen. Met boze zelf-veroordelingen als “Ergens is er iets met hen en met mij”, berokkenen zij zichzelf meer schade dan ze misschien denken.

Het mag zo zijn dat het zondebokmechanisme niet te voorkomen is.  Dat agressie nu eenmaal altijd wordt gekanaliseerd vanuit de ene groep naar de andere. En dat dit nu zo werkt vanuit de al werkende groep naar de werkzoekende groep. Maar dat betekent nog steeds niet dat mensen die agressie alsnog zelf verder hoeven te kanaliseren naar zichzelf.

Mensen hoeven geen agressie op zichzelf te richten. Een werkeloze hoeft niet zélf bij te dragen aan het offeren. In die houding zit wel degelijk een keuze. Er bestaat zelfs de kans om een stuk autonomie hierin terug te vinden. Mensen die langdurig op zoek zijn naar werk zouden immers als terugtrekkende held, actief de volgende uitdagende tegenvraag kunnen gaan stellen:

‘Jij kan jouw betaalde werk verrichten, ómdat ik geen betaald werk verricht. Dus wie is hier nu de echte held?’

society

CC Foto’s: Andrew Stawarz – Millenium Bridge, Rafal Zych – Scapegoat, Thomas8047 – Business tie, Simon Wicks – Double helix stairs in the Vatican, Claire Bastien – mirror, Karsten Knoefler – ScapegoatMathilde Groothaerdt – Mirror,  Zemlinki! – mirror, Tschundler – mirror

[1] in zijn boek ‘Arbeid, een eigenaardig medicijn’, Hans Achterhuis (1984)

[2] In zijn boek ‘Het seculiere experiment’, Hans Boutelier (2015)

[3] In hun boek ‘De kunst van het vreedzaam vechten’, Achterhuis & De Koning (2014)

[4] Gepubliceerd op woensdag 24 juni 2015 in De Volkskrant (http://www.volkskrant.nl/economie/-labbekakken-met-uitkeringen-moeten-aan-het-werk~a4086905/)

[5] In zijn boek ‘Pyschoanalytische theorievorming in de DSM-5’, Thijs de Wolf (2015)


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

5 thoughts on “De werkeloze zondebok

  1. de oorzaak van mijn arbeidsongeschiktheid zou zijn “dat ik teveel mens gebleven ben op de werkvloer”, dat is een ondersteunende gedachte………………

    1. Bedankt, Wietske, dat is inderdaad waar het om gaat: de menselijkheid bewaren en in acht houden. Ik kan me voorstellen dat juist dat, tegen al het andere in, een ondersteunende gedachte is…

Geef een reactie