De betekenis van werk. Een essay in twee delen, over de vraag wat ‘werk’ nu eigenlijk betekent voor de mens. Is het een inkomensgenerator? Is het een functie die de mens ’tot mens’ maakt door te voorzien in betekenis en zingeving? Maar hoe zit het dan met betekenisvol vrijwilligerswerk dat geen inkomen oplevert? Of juist met werk dat wel inkomen oplevert, maar de mens tot een anonieme, vervangbare en betekenisloze productiemachine reduceert? Wat is de betekenis van werk voor onze identiteit? Nieuwsgierig naar mijn laatste, afsluitende hoofdstuk voor het project ‘Werk & Identiteit’? Lees vooral verder…
(Voor meer informatie over het boekproject ´Werk & Identiteit´, kijk op de website: www.werkenidentiteit.nl)
Let op: het betreft hier een boekhoofdstuk. Het vergt dus aanzienlijk meer leestijd dan een reguliere blog! Aantal woorden: 7100.

INLEIDING
In een inmiddels al wat ouder rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2010, ‘Een baanloos bestaan’, onderzoekt de auteur, Patricia van Echtelt, de betekenis van werk voor werklozen, arbeidsongeschikten en werkenden. In het rapport concludeert ze, aan de hand van diverse interviews en literatuuronderzoek onder meer dat, in de loop van ten minste twintig jaar, de plek van arbeid aanzienlijk prominenter geworden
Daarnaast komt Van Echtelt tot de conclusie dat de sociale zekerheid steeds meer de nadruk op betaald werk legt. Tevens concludeert ze dat niet-werkenden minder tevreden zijn met het leven dan werkenden. Uiteindelijk komt ze tot de slotsom dat werklozen in veel opzichten vaker sociaal worden uitgesloten – onder meer op gebied van vereenzaming, tekort aan materiële goederen en gebrek aan sociale grondrechten.

Geen werkloosheidscultuur
Twee conclusies uit het rapport zijn echter opvallend. De eerste conclusie is met name opvallend, omdat het een beeld ontkracht dat hardnekkig blijft bestaan – zelfs tot op de dag van vandaag. Deze conclusie luidt als volgt:
‘Er is géén sprake van een werkloosheidscultuur’.
Zo geeft Van Echtelt aan dat werklozen in de algemene literatuur soms getypeerd worden als ‘calculerende burgers, die dankbaar gebruik maken van de sociale zekerheid en weinig gemotiveerd zijn om aan het arbeidsproces deel te nemen’. Maar – en het is bijna alsof Van Echtelt er werkelijk verbaasd over is – schrijft ze:
“De werklozen in ons onderzoek geven echter niet de indruk dat zij hun situatie als voordelig zien of dat zij erin berusten: het merendeel vindt het bijzonder vervelend zonder werk te zijn en zou graag weer aan het werk gaan.”
Het is een beeld waar, ook tegenwoordig nog, de langdurig werkzoekende vaak tegen moet strijden. Het lijkt alsof er nu eenmaal ‘iets moet zijn’ met iemand die al langer zoekt naar werk. Wanneer die oorzaak niet extern te vinden is, dan moet de oorzaak wel bínnen iemand liggen.
Het maatschappelijke – overwegend negatieve, neoliberalistische en individualistische – mensbeeld speelt hierbij ongetwijfeld een rol: wie geen werk kan vinden, zoekt ongetwijfeld niet hard genoeg. Immers, in in een samenleving waar iedereen individueel verantwoordelijk is voor zijn eigen succes, is iedereen ook zelf verantwoordelijk voor zijn eigen falen.

Gedragsprobleem
De tweede opvallende conclusie is dat Van Echtelt aangeeft dat het zoeken naar werk en het wel of niet vinden van betaalde arbeid eigenlijk een gedragsprobleem is. Hoewel Van Echtelt het in haar onderzoeksrapport wat ingewikkeld formuleert, komt het er uiteindelijk op neer dat mensen niet ‘zelf verkeerd zijn’ (‘werkloosheid is geen moreel probleem’).
Nee, werkzoekende zouden verkeerd gedrag vertonen, waardoor ze niet aan het werk zouden komen! Wat daarbij zou helpen? Kort door de bocht luidt de aanbeveling van Van Echtelt in feite: heropvoeden! Werkzoekenden zijn, vrij vertaald naar de conclusies in het rapport, namelijk geen verantwoordelijke volwassenen die zelfstandig voor henzelf juiste beslissingen kunnen nemen.
Werkzoekenden nemen, aldus Van Echtelt, de verkeerde beslissingen (want ze komen niet aan het werk). En dus moeten ze bij de hand worden genomen door de daarvoor verantwoordelijke organisaties. UWV en Sociale Dienst moeten werkzoekenden feitelijk ‘op micro-niveau’ (het staat er echt) gaan begeleiden.

Latente deprivatiemodel
In het onderzoeksverslag gaat Van Echtelt ook in op de vraag wat de betekenis van werk dan eigenlijk zou zijn. Ze wijst op de economische theorie, waarbinnen het ‘nut van werken’ bijna altijd wordt toegeschreven aan het inkomen dat er door gegenereerd wordt. Van Echtelt wijst er echter ook op dat het negatieve effect van werkloosheid op het welbevinden blijft bestaan wanneer daarvoor wordt gecompenseerd voor het verlies in inkomen. Werk heeft blijkbaar een zelfstandige invloed op het welbevinden, los van het inkomen.
Van Echtelt grijpt voor een verklaring hiervoor terug op de sociaal-psychologische literatuur waarin wordt gesteld dat werk niet alleen een bron van inkomen is, maar ook bijdraagt aan sociale integratie en maatschappelijke participatie. Werk biedt ontplooiingsmogelijkheden en verschaft politieke en maatschappelijke invloed. Ze komt daarvoor uit bij de vaak genoemde theoretische benadering van het “latente deprivatiemodel” van Jahoda.
In deze benadering biedt werk, naast het concrete inkomen, ook nog een aantal andere voordelen die van belang zijn voor een gevoel van welzijn voor mensen. Dit zijn: (1) het structureren van de tijd van individuen; (2) het verschaffen van sociale contacten; (3) het mogelijk maken een bijdrage te leveren aan de maatschappij; (4) het leveren van status en identiteit: men ontvangt respect door het werk; (5) het bieden van kansen tot zelfontplooiing en de ontwikkeling van competenties en vaardigheden.

Werk als omgeving
Belangrijk voor dit hoofdstuk is dat de betekenis van werk die geboden wordt vanuit allerlei onderzoeken hoofdzakelijk instrumenteel is. De betekenis van werk ligt daarmee steeds in de functie ervan. Wie werkt, bereikt ‘door dat werk’ iets. In dit hoofdstuk wil ik echter laten zien dat de betekenis van werk misschien niet ligt in de functie ervan. Maar in de omgeving die werk feitelijk is.
De definitie van werk die we in het algemeen hanteren is verre van eenduidig of helder. We koppelen de waarde van werk klakkeloos aan het genereren van inkomen. Maar vergeten de betekenis (en waarde) van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Op die manier is bijvoorbeeld werk dat wél voldoet aan alle kenmerken van het latente deprivatiemodel van Jahoda – maar dat het inkomen hiervoor ontbeert – tegelijk formeel géén werk.
Zo wordt werkervaring, opgedaan binnen vrijwilligerswerk, bij sollicitaties bijvoorbeeld niet (automatisch) beschouwd als relevant. Dat moet eerst, via een EVC-procedure, omgezet worden in een gewaardeerd certificaat, voordat het eenzelfde relevante waarde krijgt als ‘werk’. Het ‘werk’ in vrijwilligerswerk is blijkbaar toch geen werk.
Er lijkt hoe dan ook iets niet te kloppen in onze definitie van werk. In dit hoofdstuk wil ik dan ook duidelijk maken dat het van belang is om werk niet te definiëren als (vooraf ingevulde) functie waarmee iets wordt gegenereerd. Maar ‘werk’ te definiëren als een (niet vooraf vormgegeven, maar) concrete omgeving.

Voor dit hoofdstuk definieer ik werk als ‘de omgeving waarin wij ons begeven om een bijdrage te leveren aan de samenleving’. Op deze manier valt bijvoorbeeld ook vrijwilligerswerk binnen de discussie. En betekent werk dat verricht wordt om een inkomen te genereren, niet automatisch dat dit wordt verricht wordt binnen een gezond, betekenisvol kader.
Als we het hebben over het verband tussen werk en identiteit is het dan ook goed om te beseffen dat werk eigenlijk inherent niet iets is wat wij ‘verrichten’. Werk is in mijn opvatting géén activiteit die verricht wordt om vervolgens instrumenteel bepalend te zijn voor onze identiteit (hetzij door inkomen of door betekenis of door de combinatie van beiden).
Werk op zich is inhoudsvrij. Het is slechts de omgeving die wij betreden. Hoe wij vervolgens die omgeving vormgeven, inhoud geven, en en hoe die omgeving vervolgens daardoor op ons inwerkt: dát doet iets met onze identiteit.
Hoe zit dit in elkaar? En hoe kan werk, in deze definitie, ook mensen naar bijvoorbeeld een depressie of een burn-out leiden (wat immers haaks staat op de positieve ingrediënten die werk volgens het latente deprivatiemodel van Jahoda ons zou moeten bieden)? Maar óók: hoe kan werk dan naar een gezonde identiteit en sterk zelfbeeld leiden? Dat wil ik in het vervolg van dit hoofdstuk laten zien aan de hand van het verhaal van Madeloes.

HET VERHAAL VAN MADELOES (DEEL 1)
Zoeken naar werk
Begin juli 2017 kreeg ik een onverwacht telefoontje van een oud-studiegenoot, Madeloes. Zij had gehoord over het project over werk en identiteit waar ik, samen met collega’s, over aan het schrijven was. Inmiddels lag er bij haar een brief op de koffietafel waar zij enigszins van overstuur was geraakt. Een brief die nauw verbonden was aan werk, werkloosheid, zoeken naar werk en identiteit.
Ze vroeg me: “Is dit misschien interessant voor jullie project?” De brief die ze had ontvangen betrof een uitnodiging die ze al enige tijd verwachtte. Het was een uitnodiging waar ze ook erg tegenop had gezien. Het was een uitnodiging voor een intakegesprek bij re-integratiebureau WorkFast.
Madeloes was destijds 26. Een creatieve, intelligent jonge vrouw die graag en veel las en af en toe poëzie schreef. Ze had een introverte persoonlijkheid – introvert, in de originele Jungiaanse betekenis, d.w.z: haar energie kreeg ze niet van een meervoud aan sociale contacten en gezelschap om zich heen, maar juist door de stilte op te zoeken en rust om haar heen te scheppen. Ze hield van lange boswandelingen en van films en series. Daarnaast was ze maatschappelijk betrokken: voor diverse vrijwilligersorganisaties bouwde ze, onderhield en redigeerde ze websites en hield ze de social media kanalen bij.

Ze was doorgegroeid vanuit het HBO en inmiddels universitair afgestudeerd. Met een master in het veld van de geesteswetenschappen had ze niet echter het meest kansrijke diploma op de arbeidsmarkt. Zo had Madeloes na haar afstuderen dan ook diverse tijdelijke banen. Ze had haar tanden kort gezet in het bestaan als freelancer. Inmiddels was ze, na een tijdelijk jaarcontract als marketeer, opnieuw werkzoekend geraakt.
Ze zocht naar betaald werk en bleef ondertussen actief bij de vrijwilligersorganisaties waar ze interviews voor hield en verslagen voor schreef. Het was een eenvoudig bestaan, dat haar echter betekenis verschafte. Ze had plezier in de diverse, maar beperkte sociale contacten die ze had met de vrijwilligers met wie ze samenwerkte. Daar ontleende ze haar zin in de dag uit. Ze stond dagelijks met plezier op, omdat ze wist dat ze naar een omgeving ging waar ze van betekenis was.
Maar na de vier maanden bij elkaar gesprokkelde, rechtmatige ww-uitkering via het UWV – en een even lang, maar vruchteloos zoeken naar werk – zag Madeloes zich genoodzaakt om een bijstandsuitkering aan te vragen om te kunnen voorzien in de noodzakelijke basiskosten van het bestaan. In dat kader werd Madeloes, bij haar intakegesprek voor de uitkering, op grond van haar werkervaring en arbeidsverleden, door de intaker aangemerkt als – wat in het vakjargon heet – ‘werkfit’.

Werkfit
‘Werkfit’ is de aanduiding die binnen de sociale dienst wordt gebruikt voor mensen die gebruik maken van een bijstandsuitkering, maar die in de ogen van de beoordelaar nog relatief dicht bij de arbeidsmarkt staat. ‘Werkfit’, dat betekent dat de inschatting is dat iemand op zich over voldoende kwaliteiten en mogelijkheden beschikt om binnen drie maanden (of sneller) bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan.
Het feit dat deze mensen ‘werkfit’ zijn – en tegelijk gebruik maken van een bijstandsuitkering – is reden voor verschillende gemeentes om allerlei middelen in te zetten om mensen te begeleiden naar werk. Deze middelen kunnen variëren van relatief gematigde begeleiding en reguliere sollicitatietrainingen die groepsgewijs worden aangeboden vanuit de uitkeringsinstantie zelf, tot meer extreme en creatieve invullingen van begeleiding.
Een voorbeeld van de meer extreme invulling van begeleiding was het bericht uit 2006 dat het UWV uitkeringsgerechtigden aanmeldde voor peperdure re-integratiecursussen bij de organisatie Avatar. Avatar bleek een organisatie die zich oppervlakkig gezien bezighield met ‘zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling’. Maar die tegelijk in diverse kringen al berucht was om het vertonen van sterk sektarische trekjes en waarvan de wortels uit het verleden verbonden waren aan de sektarische Scientology-beweging.
Uiteraard bestaat er ook een tussenweg tussen gematigd en extreem. Een voorbeeld daarvan is Workfast, het re-integratiebureau waar Madeloes in dit geval voor werd uitgenodigd.

Workfast
De reputatie van Workfast is, op z’n zachtst gezegd, omstreden. In 2014 kwam Workfast bijvoorbeeld sterk negatief in het landelijke nieuws met een aflevering van EenVandaag, die melding deed van intimidatie en kleinering van Workfast-cliënten. Verscheidene gemeenten besloten vervolgens, op grond van de combinatie van (1) dit nieuwsitem met (2) de vele reëel binnenkomende klachten en (3) het uitblijven van aantoonbaar resultaat, daadwerkelijk om de dienstverlening van het bedrijf op te zeggen.
Niet alle gemeenten zijn daar echter toe overgegaan. Een aantal gemeenten, zoals die van Nijmegen, hebben op grond van de reputatie van Workfast besloten om eerst zelf onderzoek te doen naar de dienstverlening van Workfast. De SP bij de gemeente Nijmegen legde bijvoorbeeld een zogenoemd ‘zwartboek’ over WorkFast aan. Ook hun bevindingen waren overwegend negatief.
Maar in plaats van te besluiten het contract op te zeggen, werd in Nijmegen op grond van dit onderzoek, het voorstel aan de gemeenteraad gedaan om het, voor kandidaten die zouden worden uitgenodigd voor een traject bij Workfast, mogelijk te maken om aanspraak te doen op ‘een’ alternatief. (Welk alternatief dit dan precies was, blijft overigens verder onduidelijk.
De regen van klachten over de begeleiding van de werkzoekenden door de medewerkers van Workfast was nog wel belangrijk genoeg om een ‘onderzoek’ in te stellen. Maar de onrespectvolle, denigrerende houding van deze medewerkers tegenover hun cliënten was blijkbaar niet voldoende om de kwetsbare werkzoekenden te beschermen.

‘Hard, maar succesvol’
Workfast zelf, zo geeft het bedrijf aan, claimt een ‘harde, maar succesvolle’ methode te hebben bedacht om ‘bijstandstrekkers’ weer aan het werk te krijgen. (Let daarbij vooral ook op het tussen haakjes – geciteerde! – taalgebruik). Deelnemers moeten volgens hun methode verplicht vijf keer per dag solliciteren en daarbij permanent bereikbaar zijn.
De claim van Workfast is dat, door uitkeringsgerechtigden zo dicht op de huid te zitten, tachtig procent uit de uitkering wordt geholpen. Uit cijfers van diverse gemeenten blijkt echter dat dit percentage een stuk lager ligt. Van de bijstandsgerechtigden die bijvoorbeeld bij de gemeente Rheden aan een traject van WorkFast deelnamen was, in 2014, maar ⅓ na een jaar nog aan het werk.
Al met al was het dus niet verwonderlijk dat Madeloes zich flink uit het veld geslagen voelde toen ze de uitnodiging van de sociale dienst in haar brievenbus ontdekte om zich te melden bij WorkFast voor begeleiding in haar zoektocht naar werk.
Uiteraard ging die betreffende ‘uitnodiging’ bovendien gepaard met de gebruikelijke waarschuwende – lees: dreigende – zin van de uitkerende sociale instantie: “Het zich niet volgens afspraak melden bij WorkFast kan gevolgen hebben voor het recht op uitkering en leiden tot een korting of beëindiging van de uitkering.”

Antropologisch veldonderzoek
Academisch opgeleid als Madeloes is, besluit ze de begeleiding van WorkFast vanuit wetenschappelijk perspectief te benaderen. Ze neemt zich voor het traject af te leggen als een soort antropologisch praktijkonderzoek: een soort gefundeerde theoriebenadering, waarbij ze data zal verzamelen uit haar eigen ervaringen.
Madeloes wil de behandeling van de begeleiders van WorkFast analyseren en onderzoeken wat voor effect de begeleiding op haar heeft. Ik stel voor om haar te interviewen voor het project over werk en identiteit, om haar op die manier te helpen reflecteren. Madeloes stemt in.
Zo stapt Madeloes, op een door zonovergoten zomerdag begin juli 2017, van de fiets. Ze staat voor de betonnen kolos van het Werkbedrijf Rijk van Nijmegen, een regionaal arbeidsbemiddelingsbedrijf dat is ontstaan uit een samenwerking tussen zeven gemeenten en de voormalige sociale werkvoorziening ‘Breed’. Het kolossale kantoorgebouw is gevestigd in de oude huisvesting van de inmiddels lang en breed failliete DSB-bank. Daarbinnen bevindt zich ruim 6000 m2 aan organisatie-ruimte, vol mensen wiens werk het is om werklozen weer aan het werk te krijgen.
De bedoeling van de enorme huisvesting is ongetwijfeld om de samenwerking tussen voorheen gescheiden organisaties te bevorderen. Maar van buiten werkt het gebouw vooral de indruk in de hand van een grote fabriekshal. Een indruk die enkel wordt benadrukt door de unheimliche ligging, aan een zijtak van een asfaltweg die bestemmingsloos, dieper het industrieterrein inleidt. Werkloosheid is – net als de wereld van schulden dat is – blijkbaar onderdeel van een industrie.
Wanneer Madeloes het gebouw betreedt, wordt Madeloes opnieuw ontvangen door een omgeving die vooral doet denken aan industriële verwerking. Een imposante balie markeert haar linkerzijde, een tweede grote balie staat dieper de hal in. Aan de rechterzijde bevindt zich een lange glazen wand waarachter de ‘cubicles’ staan – kleine, open kantoorcabines – met daarachter het gemurmel van talloze mensen, diep geconcentreerd verwikkeld in gesprek met andere mensen, die op hun beurt weer geconcentreerd staren naar het computerscherm op hun bureau.

De intake bij Workfast vindt plaats met een vrouw die doet denken aan één van de vele intercedentes die Madeloes al heeft ontmoet bij verschillende uitzendbureaus. De benadering is met name zakelijk. De gebruikelijke intake-vragen worden gesteld, over loopbaan, opleidingsachtergrond, al ondernomen sollicitaties en baan-wensen.
Tijdens het kennismakingsgesprek krijgen de contouren van het traject langzaam vorm. De vrouw tegenover Madeloes vertelt haar onder meer dat er van haar verwacht wordt dat ze uiteindelijk – glimlachend: “Nee hoor, echt niet direct vanaf week 1…” – acht sollicitaties per dag zal verzenden.
Madeloes zal daarnaast gemiddeld twee keer per week op afspraak komen voor gesprek met een begeleider van WorkFast. Tijdens deze gesprekken zullen de door haar verzonden sollicitaties en eventuele ‘vervolgacties’ worden besproken. De eerste gesprekken zullen gericht zijn op het bijwerken van haar CV en het bijslijpen van haar sollicitatiebrief. Aan de hand van ieder gesprek zal Madeloes ook ‘huiswerkopdrachten’ krijgen.
De verwachting, zo vertelt haar werkbegeleider, is dat Madeloes op deze manier binnen drie maanden – twaalf weken – aan het werk zal zijn. Op de vraag van Madeloes of dat dan ook binnen het werkveld zal zijn waar haar interesse en eerdere werkervaring ligt – marketing en webredactie – trekt de begeleider alvast een afkeurende wenkbrauw op.

“Het eerste doel is,” zo wordt Madeloes direct te kennen gegeven, “dat je aan het werk komt.” Of dat in het veld is waar Madeloes graag werkt of waar ze al veel ervaring in heeft, vormt geen prioriteit. Natuurlijk mag Madeloes wel solliciteren op functies waar haar ervaring ligt. Maar als blijkt dat ze daar weinig reactie op krijgt, wordt er wel van haar verwacht dat ze ‘haar interesse zal verbreden’.
Het is uiteindelijk de bedoeling dat Madeloes zo breed mogelijk solliciteert. Ze is verplicht daarbij ‘passend werk’ aan te pakken – wat niet perse betekent ‘werk dat haar ligt’. Daarmee is de lijn van solliciteren – en vooral de primaire doelstelling van re-integratiebureau WorkFast – direct helder. De doelstelling is: de kandidaat uit de uitkering begeleiden. Tegen elke prijs – zo nodig over het hoofd van de sollicitant heen.

Het Workfast-draaiboek
De eerste mild-onaangename confrontatie met de begeleider van WorkFast volgt bij bijwerken van haar CV. Het commentaar van de intaker richt zich niet op de inhoud van de CV, die Madeloes secuur heeft uitgewerkt. De intaker richt zich daarentegen op de foto die ze gebruikt. Ze heeft, volgens de intaker, een wat ‘arrogante blik’ in haar ogen en rond haar mond. Weet ze heel zeker dat ze deze foto wel wil blijven gebruiken? Ja, Madeloes weet het zeker. De intaker schudt afkeurend zijn hoofd.
Aan de sollicitatiebrief van Madeloes wordt flink geschaafd. De brief ‘verbetert’ op die manier aanzienlijk. Maar het is wel steeds dezelfde brief die wordt bijgewerkt. Dat verbaast Madeloes. Tot ze uiteindelijk, samen met mij, de bedoeling ervan inziet. De betreffende brief blijkt een kapstok: het is een ‘modelbrief’ die gebruikt moet worden bij alle volgende sollicitaties. Het vormt zo een invuloefening, waarbij ze (grofweg) eigenlijk alleen de naam van de vacature en de contactgegevens hoeft te veranderen.
Daarmee wordt het sollicitatieproces inderdaad aanzienlijk verkort: de aandacht verschuift naar het vinden van vacatures. En dat kost – met een zo breed mogelijk uitgangspunt – een stuk minder tijd. Wanneer de sollicitatiebrief voldoende is aangescherpt, verplaatst de focus zich dan ook richting de sollicitaties zelf. Er ontstaat zo langzaam de contouren van het ‘Workfast- sollicitatie-recept’.

Stap 1: vind een vacature die geschikt lijkt. Stap 2: Bel de aangegeven contactpersoon (verplicht). Stap 3: Stel een aantal vragen over de vacature. De begeleider vertelt Madeloes daarbij: “De inhoud van de vragen zijn minder belangrijk. Waar het om gaat is dat je jouw indruk achterlaat bij de recruiter. Zodat wanneer de recruiter de brief leest, hij of zij zich herinnert wie de brief heeft geschreven: dat is dat enthousiaste meisje dat belde.”
Stap 4: Verzend de brief. Stap 5: Bel de volgende dag of de brief is aangekomen. Opnieuw, zo benadrukt de begeleider, gaat het hierbij niet om de vraag. Het gaat om de indruk. Stap 6: Na de vervaldatum van de vacature: neem opnieuw contact op of er al bericht is en wat de vervolgstappen zijn.
Langzaam wordt het tempo opgevoerd. Waar de begeleider in eerste instantie nog tevreden leek met 4 sollicitaties per dag, geeft die aan dat het langzamerhand wel tijd wordt voor 6 sollicitaties per dag. Om Madeloes vervolgens aan te moedigen te streven naar het uiteindelijke minimum(!) van 8 per dag. Wanneer Madeloes aangeeft dat ze regelmatig toch zo rond 16.00u stopt met solliciteren, kijkt de begeleider haar verwijtend aan. “Hoezo,” zegt de begeleider verwijtend, alsof hij een kind terechtwijst. “Ik stop toch ook niet om 16.00u?”
De sollicitaties van Madeloes moet ze nauwgezet bijhouden op een werklijst die ze tijdens elke afspraak verplicht is in te leveren. Het bedrijf of organisatie waar ze solliciteert wordt daarop genoteerd, samen met de naam van de contactpersoon en de contactgegevens. Bij het inleveren van de werklijst moet Madeloes elke afspraak tekenen voor akkoord. Hoewel het nooit letterlijk wordt uitgesproken, is de impliciete waarschuwing duidelijk: er worden steekproeven genomen, ter controle of ze voldoet aan haar sollicitatieplicht.

Er is systematisch sprake van een houding van wantrouwen. Sterker, Madeloes vertelt dat ze bij elk gesprek het gevoel heeft dat ze geen volwassen vrouw is, maar een stout kind dat strafwerk heeft gekregen. Strafwerk dat bovendien bij het inleveren ervan altijd moet worden gecontroleerd.
Madeloes wordt op den duur zelfs wordt aangemoedigd om persoonlijk langs te gaan bij een plek waar ze gesolliciteerd heeft. De begeleider hangt hierover een of ander ‘motiverend’ verhaal op, over een Workfast-kandidaat die een lijst met uitzendbureaus zou hebben uitgeprint om daarmee dagelijks langs een aantal bureaus te gaan om te kijken of er werk voor hem was. Het wordt Madeloes inmiddels teveel. Ze barst in huilen uit aan de balie van de begeleider en vertelt snikkend dat het niet goed met haar gaat.
Dat is ook werkelijk zo. Mede door de voortdurende oplopende druk van de begeleiding door Workfast, het voortdurende zoeken naar vacatures en de daarbij voortdurende confrontatie met afwijzing na afwijzing, gecombineerd met de continue, onuitgesproken maar sluimerende angst dat ze niet voldoet aan de eisen die Workfast aan haar stelt, waardoor ze het recht op haar uitkering kwijt kan raken, is Madeloes langzaam overstresst aan het raken.

De extreem intensieve manier van zoeken naar werk put Madeloes emotioneel uit. Het versterkt haar niet, maar knaagt aan haar zelfbeeld. Ze vertelt onder meer dat ze langzaam begint te twijfelen of de talenten die ze inzet voor haar vrijwilligerswerk wel echt haar talenten zijn. Ze verliest haar plezier in het werken met websites. Terwijl Madeloes – zolang als ik haar al ken – met veel plezier bezig is met het stoeien met digitale media.
Waar Madeloes oorspronkelijk zin en betekenis ontleende aan de omgeving die haar inzette voor de vaardigheden die ze bezat, brengt het verplichte zoeken naar werk haar nu in een omgeving die haar zelfvertrouwen langzaam aan het vergiftigen is. Ten einde raadt vraagt Madeloes aan de Workfast-begeleider om een ‘vrije dag’.
De begeleider reageert niet onwelwillend, sussend bijna. Hij geeft aan dat Madeloes die ook wel verdiend heeft. Madeloes doet haar best, dat wordt gezien vertelt hij. Dus, akkoord: een vrije dag. “En?” vraagt de begeleider vervolgens tot Madeloes’ grote verbijstering: “Wat ga je doen met die ‘vrije dag’?”
Nauwgezet wordt Madeloes verplicht te vertellen hoe ze haar ‘vrije dag’ van plan is in te richten. Het is alsof ze ook over deze ‘vrije tijd’ niet meer ‘vrij’ mag beschikken. Re-integratie betekent blijkbaar dat Madeloes zelfs over haar privé-tijd verantwoording moet afleggen.

Slooptechnieken
“Als ik helemaal objectief kijk,” vertelt Madeloes me in één van de laatste weken van het Workfast-traject, “dan is de sollicitatiemethode van Workfast op zichzelf niet perse verkeerd. De methode heeft me aspecten over solliciteren geleerd die ik eerder nog niet wist.” Aan de andere kant: al die aspecten had ze ook kunnen leren in een inhoudelijke driedaagse sollicitatiecursus.
“Er wordt bij een re-integratiebureau als Workfast volgens mij gebruik gemaakt van een soort ‘slooptechnieken’ die elk profijt dat ik mogelijkerwijs heb gehad bij hun methode weer onderuit haalt,” zegt Madeloes. “Ik voel me alsof ik door hun toedoen van binnen ‘total-loss’ aan het raken ben. Hun methode mag inhoudelijk deugen. Maar ze slopen je in hun toepassing.”
Ze vertelt daarover: “Ik merk dat ik moeite krijg met focussen door de voortdurende stress van het solliciteren. Mijn gedachten zijn paniekerig en gaan alle kanten op. ‘s Avonds ben ik rusteloos en ‘s nachts slaap ik onrustig. Ik voel me door Workfast onveilig in mezelf. Ik had net een beetje geleerd om vrede te hebben met mijn eigen introversie. Nu begin ik er weer een hekel aan te krijgen. Ik begin mezelf weer te verfoeien omdat te veel contact met andere mensen me uitput. Daar heb ik jaren geen last meer van gehad. Nu begint het weer op te spelen. Alsof ik – zoals ik ben – niet voldoende ben.”
Samen met Madeloes constateren we dat die slooptechnieken eigenlijk uit twee onderdelen bestaan. Het eerste aspect is het voortdurend druk uitoefenen op kwantiteit boven kwaliteit: de sollicitatie-druk zelf. Een tweede aspect is het gebruik van een onderhuidse mechanisme van schaamte en beschaming dat Madeloes opmerkt in het contact met de Workfast-begeleiders.

De aard van werk (1): kwantiteit boven kwaliteit?
Madeloes merkte vooral dat de kwantiteit van de sollicitatiebrieven ver boven de kwaliteit uitkwam van de vacatures waarop ze reageerde. De vraag of een vacature werkelijk zou passen bij Madeloes’ talenten en persoonlijkheid was ondergeschikt aan de eis tot sollicitatie-output. Natuurlijk was Madeloes daarbij tegelijk niet wegkomen met een attitude als: ‘dan maar sollicitatiebrieven schrijven voor vacatures als elektro-ingenieur of afdelingshoofd bij een bank.’ Die grap ging niet op. Niet al het aanbod is letterlijk ‘passend’.
De nadruk op kwantiteit boven kwaliteit betekent dan ook dat er geen rekening gehouden werd met de feitelijkheid van de arbeidsmarkt-spanning tussen vraag naar en aanbod van arbeid. Sinds de economische crisis van 2008 kon er, rond de zomer van 2017 – met ongeveer 2 werkzoekenden per beschikbare vacature – voor het eerst weer gesproken worden van een dergelijke spanning. (Ter info: arbeidsmarkt-spanning ontstaat wanneer het aantal openstaande vacatures het aantal werkzoekenden begint te overstijgen).
Daarbij wordt overigens geen rekening gehouden met het tekort aan vacatures in bepaalde gebieden ten opzichte van het enorme overschot aan vacatures op andere arbeidsmarktgebieden. En dat daarbij ook de aard van het werk – de overgang van vast contract naar flexwerk – van invloed is, laat staan dat de leeftijd van de werkzoekende ten opzichte van het werkveld waarin werk wordt gezocht van invloed is, wordt eveneens niet meegenomen (Lees daarvoor bijvoorbeeld dit artikel van de NRC over hoe de crisis de arbeidsmarkt veranderde.

Bovendien is het niet alleen de arbeidsmarkt die volop in beweging is. De aard van arbeid zelf zelf is ook aan het veranderen. In het boek ‘Werk in de 21ste eeuw’ wijst journalist Ryan Avent bijvoorbeeld helder de ontwikkelingen aan, die van invloed zijn op de aard van arbeid zelf. Dat zijn (1) de technologische innovaties die plaatsvinden, (2) de globalisering die optreedt en (3) een productieverhoging bij hoogopgeleiden.
Kortom: de omgeving van werk – en het zoeken naar werk – verandert daarmee. Dit heeft zijn invloed weer op de identiteitsbeleving en betekenisgeving van werkzoekenden zoals Madeloes.
De aard van arbeid: technologische innovatie, globalisering, productieverhoging
Ryand geeft aan dat werk, voor een schrikbarend aantal mensen, steeds minder een lonende bijdrage aan hun materiële zekerheid oplevert. Sociale zekerheid staat hiermee onder druk. Precies deze ontwikkeling zorgt er bijvoorbeeld voor dat er ruimte ontstaat voor onorthodoxe economische boeken, zoals ‘Kapitaal in de 21ste eeuw van Thomas Piketty’ uit 2014, die een bestseller maken van pittige economische analyses van mondiale ongelijkheid.
Intussen gaat de technologische vooruitgang steeds verder, waarbij de digitale revolutie de aard van werk verandert. Nieuwe technologieën vervangen arbeidskrachten – van kantoorbedienden tot lassers. Deze technologie zal in de toekomst steeds meer gaan vervangen: van chauffeurs tot zelfs juristen, zo stelt Avant. Technologische verbeteringen zullen menselijke taken steeds meer gaan automatiseren.

Tegelijkertijd biedt de digitale revolutie een enorme impuls aan een tweede kracht: globalisering. Onder de huidige generatie groeit de mondiale werkgelegenheid, zo geeft Avant aan, met zelfs meer dan een miljard(!) banen. Deze werknemers zijn daarbij over het geheel genomen minder geschoold dan de werknemers in de rijke landen. Hun toetreding tot de mondiale arbeidsmarkt wordt dan vooral ook gevoeld door lager geschoolde werknemers. (Denk opnieuw aan die economische ongelijkheid van Piketty.)
Ten derde geeft technologie een krachtige impuls aan de productiviteit van sommige hooggeschoolde werknemers. Zij kunnen door technologie een veel grotere hoeveelheid werk verrichten dan voorheen. Technologie maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat kleine teams enorme data-bergen verwerken. Waar voorheen nog een flinke werkgelegenheid was voor laagopgeleide data-entry medewerkers, kan nu een klein aantal hoogopgeleide werknemers hetzelfde werk met enkele digitale coderingen geautomatiseerd verrichten.

De omgeving: een oceaan aan werkzoekenden
Tezamen, zo stelt Avant, doen deze drie trends – automatisering, globalisering en de productiviteitsstijging bij een klein aantal hoogopgeleiden – een overvloed aan werkzoekenden ontstaan. Er is een massa aan mensen aan het ontstaan, die zoekt naar werk dat er simpelweg niet langer meer is.
De mondiale economie weet, aldus Avant, niet goed raad met deze enorme, ongekende oceaan van werkzoekenden. En een re-integratiebureau als Workfast houdt met dit soort overwegingen al helemaal geen rekening. Het heeft er geen boodschap aan, want het hanteert een ander uitgangspunt en heeft een ander wereldbeeld. De strategie van de begeleiding van Workfast is puur gericht op kwantiteit van output.
Een re-integratiebureau als WorkFast behaalt winst op het uitzetten van een kandidaat. Ook op het uitzetten op een flex-contract van bijvoorbeeld 6 (of minder) maanden, waarbij de werkzoekende tijdelijk boven uitkeringsniveau komt. Het maakt daarbij niet uit dat de kandidaat, na afloop van dit contract, opnieuw moet gaan zoeken. En daarna – indien er geen ander werk gevonden wordt – al snel weer moet terugkeren naar de sociale dienst om een beroep te doen op het recht op een participatie-uitkering.
Die 6 maanden uit de uitkering beschouwt Workfast – en de uitkeringsinstantie – als winst. Maar ten koste van wie? De doelstelling van een re-integratiebureau als Workfast is hoe dan ook NIET om mensen aan het werk helpen (hoewel dit uiteraard wel zo verkocht wordt). De doelstelling van Workfast is mensen uit de bijstandsuitkering te werken!
Het vinden van werk is daarbij één – toevallig goedschiks – instrument. Het kan uiteraard ook kwaadschiks. ‘Wie niet voldoet aan zijn verplichtingen, verliest het recht op…’ Dat is uiteraard ook een middel om mensen uit de uitkering te krijgen.

De aard van werk (2): stigma en schaamte
Naast de voortdurende druk om output te leveren, vertelt Madeloes ook dat ze merkt dat ze steeds meer het gevoel krijgt dat ze zich zou moeten schamen. Ze vindt het gevoel moeilijk te duiden. Maar de signalen zijn er.
“Ik solliciteer dagelijks. Om 16.00u schakel ik de computer uit.” Een opgetrokken wenkbrauw tegenover haar. “Maar die vacature past toch goed bij wat ik kan?” Afkeurend gesnuif van haar begeleider. “Ik heb de afgelopen twee dagen tien sollicitaties verricht.” Een schuif gehouden hoofd en een terechtwijzende toon in de stem: “Tien? Waarom niet twaalf?”
In de visie van re-integratiebureaus als Workfast moet de werkzoekende eigenlijk heropgevoed worden. Want in een samenleving waar mensen voortdurend wordt voorgehouden dat je kunt worden wie je maar wilt zijn en dat – als je maar hard genoeg je best doet – het succes voor het oprapen ligt, geldt namelijk ook het snoeiharde omgekeerde oordeel: Geen succes? Dan heb je niet hard genoeg je best gedaan!
Wie geen succes heeft in het vinden van werk doet niet hard genoeg zijn best. Diegene moet/kan dan bij de hand worden genomen en op microniveau (Van Echtelt!) worden begeleid en heropgevoed, tot hij of zij dat wel doet. Succes is immers maakbaar. Op dit sentiment van maakbaarheid binnen de samenleving speelt Workfast in. Daartoe wordt hard ingezet op resocialisatie van de werkzoekende, met gebruik van schaamte als disciplinering-instrument.

Workfast en ‘Discipline, toezicht en straf’
De voortdrijvende kracht van de heropvoeding die een re-integratiebureau als Workfast vertegenwoordigt, past nauw in het gedachtegoed van de machtsanalyse van de Franse filosoof Foucault. Met name past het bij de ideeën die Foucault verwoordt in zijn boek ‘Discipline, toezicht en straf’.
Foucault geeft in dit boek aan een geschiedenis te willen schrijven van verschillende disciplinerende instellingen met hun specifieke technieken. Het gaat hem daarbij vooral om hoe deze technieken zich ontwikkelen. De filosoof schrijft daarover onder meer:
“Het zijn verfijnde technieken, vaak nauwelijks waarneembaar maar van groot belang, want ze kenmerken een minutieuze politieke inkapseling van het lichaam, een nieuwe ‘microfysica’ van de macht; ze hebben vanaf de zeventiende eeuw voortdurend terrein gewonnen – alsof ze bestemd zijn om het hele maatschappelijke organisme te doordringen.”
“Kleine listen met een groot bereik, subtiele ordeningen die onschuldig ogen maar gebaseerd zijn op achterdocht, voorzieningen die beheerst worden door een verholen economie of die op slinkse wijze dwang uitoefenen…”
De disciplinerende en resocialiserende techniek waar Workfast hard op inzet past volledig in deze analyse van Foucault. De ‘microfysica’ van de macht waar Workfast gebruik van maakt, dat is de maatschappelijke stigmatisering van de werkloze. De ‘kleine list met een groot bereik’ is de inzet van dit re-integratiebureau op het subtiele – en soms niet zo subtiele – instrument van de schaamte.

Schaamte vormt het instrument dat Madeloes meedogenloos voelt prikken in haar identiteit. Het is de speer van schaamte die ze in haar zelfbeeld voelt steken als instrument om haar voort te drijven over het pad richting werk.
Zo wordt bijvoorbeeld haar persoonlijke dagindeling ‘ter sprake’ gebracht – maar eigenlijk wordt daarmee haar vermogen tot volwassen autonomie ter discussie gesteld. Als een kind dat controle nodig heeft van een toezichthoudende opvoeder, wordt haar een strikt schema opgelegd. Madeloes lijkt, in de ogen van Workfast, geen zelfbepalende volwassene meer die zelfstandig beslissingen kan nemen: haar gebrek aan succes en haar werkloosheid vormt hiervoor het bewijs.
Zoals een kind dat zindelijk gemaakt moet worden, zo moet Madeloes – en werkzoekende kandidaten zoals Madeloes – dus heropgevoed worden. De instrumenten hiervoor? Het zijn de klappen van de zweep van het sociale stigma van de werkloze. Het is het straf-mechanisme van de schaamte.

Het stigma van de werkloze
De Canadese socioloog en sociaal-psycholoog Erving Goffman vertelt in zijn veelgeroemde monografie ‘Stigma’ over de aard en de rol van stigma binnen interpersoonlijke relaties. Goffman stelt daarin dat mensen met een stigma vaak worden gezien als ‘niet helemaal menselijk’. Wat hij daarover schrijft is moeilijk exact te vertalen, maar luidt ongeveer als volgt
“De standaarden van de samenleving die de gestigmatiseerde zelf heeft geïncorporeerd, stelt hem (de gestigmatiseerde) in staat om op intieme wijze te beleven wat anderen zien als zijn persoonlijke falen. Dat veroorzaakt onvermijdelijk het eigen instemmen met de algemeen heersende mening dat hij inderdaad tekort schiet in wat hij werkelijk zou moeten zijn. Schaamte vormt zo een centrale mogelijkheid voor de gestigmatiseerde.”
Voor Goffman representeert het stigma een ‘vervuilde’ of geschonden identiteit: het idee dat iemand op de een of andere wijze imperfect is ten aanzien van de standaarden van de samenleving waarin men leeft. Stigma’s vormen de publieke overtredingen van wat als ‘normaal’ – d.w.z.: als ‘volgens de sociale standaard’ – wordt gezien. Het is precies wat Madeloes – en vele andere (langdurig) werkzoekenden met haar – aangeven te merken.
Wie langdurig op zoek is naar werk, merkt dat het ‘niet voldoen aan de standaard van werken voor de samenleving’ hen tot een afwijking van die samenleving maakt. Dat maakt hen tegelijk ook ‘niet langer meer mens’ – maar tot ‘werkloze’. D.w.z.: iemand die ter verantwoording geroepen mag worden (denk aan de feestjes en de voortdurende vraag ‘Heb je al werk?’), over wie je een oordeel mag hebben (‘werkloosheidscultuur’) en vooral ook: een (onwenselijk) cijfer voor het CBS. (Lees voor een diepgravende analyse van de stigmatiserende werking van werkloosheid voor de werkzoekende mijn andere hoofdstuk: ‘De werkeloze zondebok’)

Stigma is, aldus Goffman, een markering of een karakteristiek die iemand onderscheidt als afwijkend, als beperkt of besmet, als gebrekkig of als algemeen onwenselijk. Stigma verbindt het eigen Zelf aan de blik van de Anderen. De gevoelens die verbonden zijn aan stigmatisering zijn verbonden aan de interacties die een gestigmatiseerd persoon heeft met andere mensen.
Stigmatisering is dan ook een publieke, interpersoonlijke gebeurtenis. Wie langdurig werkloos is, weet precies dat dit zo is: werkloosheid is een stigma. Tegelijk is er een nauw verband tussen stigma en schaamte. Sociale stigmatisering leidt tot individuele schaamte. Dat zit als volgt in elkaar:
Allereerst zijn er maatschappelijke standaarden, de sociale regels en doelen. Deze zijn noodzakelijk om een samenleving cohesie te bieden. Deze sociale standaarden moeten worden geïncorporeerd binnen de cognitie van het individu. Deze cognitie maakt het voor een individu mogelijk om zelf te beoordelen of diens eigen gedrag wel of niet voldoet aan de maatschappelijke standaarden, regels en doelen.
Iemand raakt gestigmatiseerd op het moment dat hij of zij, zowel van buiten (door diens sociale omgeving), als van binnen (in het eigen cognitieve oordeel), concludeert dat hij of zij bepaalde karakteristieken bezit die afwijken van de standaard.

Vervolgens spelen zelfbeschuldiging en verantwoordelijkheid een rol: ze staan centraal, zowel bij stigma, als bij schaamte. Aandoeningen waar mensen niet of weinig zelf verantwoordelijk voor worden gehouden, roepen namelijk vaak wel medelijden op bij mensen – maar geen stigma. Maar zodra mensen een afwijking beoordelen als ‘eigen verantwoordelijkheid’, roept dat sterke afwijzing en afkeuring op bij mensen.
Zowel van binnen als van buiten – zowel binnen het individuele cognitieve Zelf, als bij de sociale externe Ander – treedt zo de oproep tot beschuldiging en verantwoording op: ‘Er zal iets mis met je zijn, waardoor je afwijkt.’ Dat niet alleen de sociale omgeving een oordeel velt, maar ook het individu zelf, dat het eigen Zelf individueel verantwoordelijk houdt voor de afwijking, vormt een wezenlijk onderdeel van stigmatisering – en is daarbij instrumenteel in het scheppen van gevoelens van schaamte.
Het is immers niet alleen de sociale omgeving meer die jou verantwoordelijk houdt. Jij zelf begint zelf ook te geloven dat je verantwoordelijk bent voor die gepercipieerde afwijking! Hier komt het idee van de ‘geschonden identiteit’ vandaan. Want: afwijkend zijn van de sociale standaard is niet goed. En dús is het eigen Zelf niet goed. En bovendien ben jij er zelf voor verantwoordelijk dat dit Zelf niet goed blijkt! Je zou je moeten schamen!
Deze circulaire gevangenis van gepercipieerde afwijking, externe sociale veroordeling en internalisering van deze sociale veroordeling, omgezet in zelfbeschuldiging, leidend tot een volledig vervuild Zelf en een geschonden identiteit, is daarmee leidend voor de pathologie van schaamte die aan stigma verbonden is.

Werkloosheid als stigmatiserende omgeving
Zo wordt het stigma van de werkloze een definiërend kenmerk van de identiteit van de werkloze. Bijna onvermijdelijk leidend tot de schaamte die eveneens vaak aan werkloosheid verbonden is. Goffman wijst er dan ook op dat het niet vreemd is dat men in beschrijvingen van sociale stigmatiseringen associatie met gevoelens aantreft als ‘lage zelfwaardering’, ‘depressie’ en ‘agressief gedrag’ (boosheid).
Het is precies waar iemand die langdurig werkloos is langzaam mee te maken kan krijgen: verlaagde zelfwaardering. Depressie. Of een naar binnen geslagen boosheid, die zich uit in gevoelens van lusteloosheid en lethargie. Madeloes observeert, nauwkeurig en objectief als de vakkundig wetenschapper die ze is, dat dit de ook de emoties zijn waardoor ze zich, in het contact met Workfast, steeds meer door beheerst voelt.
Ze voelt zich lusteloos. De stress maakt dat ze haar eetlust verliest. Ze is moe, maar kan moeilijk slapen. De grote hoeveelheid afwijzingen op haar sollicitaties maakt dat haar positieve zelfwaardering langzaam aan erosie onderhevig is. En tegelijk ze ervaart schaamte dat ze deze dingen voelt. Ze merkt dat ze zichzelf begint te isoleren.

In het kader van deze stigmatisering van de werkloze, is het vervolgens een belangrijke vraag of het pathologische gedrag dat in diverse onderzoeken wordt benoemd als ‘werkloosheidcultuur’ – waar Van Echtelt in haar rapport al naar verwees als ‘niet bestaand’ – nu werkelijk zijn oorsprong vindt in de omstandigheden van ‘het niet hebben van werk’? Of dat het juist schuilt in het opgedrongen en beschadigende sociale stigma dat verbonden is aan werkloosheid?
Deze vraag illustreert opnieuw dat werk misschien niet een instrument is dat je wel of niet hebt, waardoor je bepaalde dingen wel of niet doet. Maar dat werk wellicht eerder een omgeving is, die inwerkt op de identiteit van mensen. Immers, Madeloes hád een omgeving die haar zin en betekenis gaf en sociale contacten – dat was haar vrijwilligerswerk.
Juist die omgeving werd Madeloes echter ontnomen door de stigmatiserende opvattingen over werkloosheid van uitkeringsinstanties en re-integratiebureaus als Workfast. Ze moet nu op zoek naar instrumenteel, inkomensgenererend, werk. En verliest daarmee de betekenis en zin die ze voorheen wel had.

De weg naar buiten
“Het kan me eigenlijk niks meer schelen,” zegt ze ergens bijna lethargisch in een interview. Het is rond week 9 van het Workfast-proces. “Alles lijkt beter dan die voortdurende druk en spanning van Workfast. Ik slaap slecht. Ik merk dat ik ‘s ochtends wakker wordt en dat ik dan de eerste paar minuten onverklaarbaar bang ben. Daarna ben ik boos. Ik voel me waardeloos.”
Om aan het regime van Workfast te kunnen ontsnappen, solliciteert ze op een gesubsidieerde leerwerkplek. Ver onder haar oorspronkelijke opleidingsniveau. Maar met een inkomen dat haar net een paar tientjes boven bijstandsniveau zal brengen. Op hoop van zegen stuurt ze de brief.
Gesubsidieerde leerwerkplekken zijn werkplekken waarbij de werkgever een deel van de salariskosten vanuit de uitkerende instantie vergoed krijgt. Dat levert de werkgever een werknemer op die volledig inzetbaar is, maar voor slechts een deel van de loonkosten. Voor de uitkeringsinstantie betekent het aanzienlijke lagere kosten dan de betaling van een volledige uitkering. Bovendien komt de subsidie vaak uit provinciale regelingen, zodat de gemeentelijke uitkeringsinstantie niet in eigen budget hoeft te grijpen.
Voor Madeloes betekent aangenomen worden dat ze niet langer afhankelijk te hoeft te zijn van de uitkering. Nog belangrijker: ze zal verlost zijn van het WorkFast traject
Tot haar eigen verbazing wordt Madeloes uitgenodigd voor gesprek. Er worden vragen gesteld over haar opleidingsniveau, maar Madeloes praat als Brugman al haar positieve kanten bij elkaar. Ze verzekert de werkgever dat dit werk haar de mogelijkheden zal bieden om zich persoonlijk te ontwikkelen. Ze benadrukt haar wens om te leren en dat ze daarom solliciteert op een betaalde leerwerkplek bij dit bedrijf. Ze verzint haar motivatie volledig uit haar duim. Madeloes vertelt me dat ze nog nooit zo hard heeft gepleit voor iets wat ze niet werkelijk wilde.

Zo wordt Madeloes – in week 10 van 12 van het Workfast-traject – uiteindelijk aangenomen in een werkomgeving waarvan ze weet dat het niet bij haar past. Het past niet bij haar opleiding, niet bij haar talenten, noch bij haar persoonlijkheid. Maar de bureaucratische structuur van de haar omringende samenleving heeft voor haar bepaald dat het omschreven kan worden als ‘passend werk’.
Madeloes gaat aan de slag bij een callcenter. ..
(klik hier om het vervolg op dit hoofdstuk te lezen!)

Over ‘Werk & Identiteit’:
Voor het project ‘Werk & Identeit‘ ben ik, samen met drie collega-onderzoekers Jack Fila, Truus Janssen en Ingrid Lutke Schipholt, de afgelopen jaren bezig geweest om het vraagstuk ‘Zijn wij ons werk?’ te onderzoeken. Gezamenlijk, en ieder vanuit z’n eigen invalshoek, namen we deze vraag onder de loep. Samen interviewden we verscheidene mensen vanuit allerlei lagen in de samenleving over dit vraagstuk. Inmiddels worden de essay’s en interviews verzameld op de projectwebsite www.werkenidentiteit.nl.
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought on “De betekenis van werk (deel 1)”