De kwetsbaarheid van het Zelf

Een fascinerend verschijnsel 

Het is ontegenzeglijk een verschijnsel dat fascineert. Narcisme. Noem het en bijna iedereen kent wel een voorbeeld. Iedereen veronderstelt ook te weten wat het is. Het opgeblazen ego. De verwaandheid. De arrogantie. De schaamteloosheid.

Toen ik aan de eettafel vertelde dat ik voor deze blog onderzoek deed naar het begrip ‘narcisme’ vertelde iemand spontaan over een bijgewoond seminar over leiderschap en narcisme. Daar werd een test werd gedaan om te kijken wie hoog zou scoren op de narcistische persoonlijkheidsschaal. Natuurlijk, zo werd er verteld, wilde vervolgens niemand openlijk toegeven dat hij of zij hoog scoorde op narcisme. Behalve één! Die stak z’n hand op en gaf dat openlijk toe. 

We lachten er allen hartelijk (en heimelijk honend) om. Alleen een waarachtige narcist zou immers zo openlijk en schaamteloos dit maatschappelijk zo beschimpte persoonlijkheidskenmerk aan zichzelf durven te koppelen. Blijkbaar roept narcisme ook leedvermaak op. 

Narcisme en Echoïsme

Ooit, jaren geleden, schreef ik al over narcisme. Destijds in antwoord op een toevallige vraag die ik ergens voorbij zag komen in een andere blog: ‘Does social networking make us narcissists?’. Narcisme wordt tegenwoordig immers ook verenigd met het dwangmatige grijpen naar de mobiel om de mooiste plaatjes voor social media te schieten. Om zo de wereld vooral en voortdurend te laten weten hoe geweldig het eigen leven wel niet is. Hoe narcistisch is dat?

Ditmaal schrijf ik wederom, min of meer door toeval getriggerd, over het begrip narcisme. Deze keer daarbij vergezeld door haar zusje: ‘echoïsme’. Dit laatste begrip kwam aan me voorbij – inderdaad op social media – in een kop die me aansprak met de titel: “Zo belangrijk is zelfliefde!”. Met  daaronder de introducerende, suggestieve subregels: ‘Als je iemand bent die zijn eigen behoeften opzij zet en het moeilijk vindt om iets over zichzelf te vertellen, ben je misschien een echoïst. Het tegenovergestelde van een narcist.’

Ik was direct wantrouwig. De oorspronkelijke mythe van Narcissus en Echo kwam in mijn gedachten. Plotseling had ik behoefte om terug te gaan naar de basis. Om de mythe zelf te herlezen en mijn eigen oordeel te vellen. Hoe zit het nu eigenlijk met narcisme en echoïsme? In deze blog hoop ik je mee te nemen in mijn kleine ontdekkingstocht naar de kern van het narcisme. 

Ontdekkingstocht

In deel 1 van deze blog her-vertel ik de mythe van Narcissus en Echo. Daarnaast bied ik een korte, introducerende geschiedenis van het begrip ‘narcisme’. In deel 2 van deze blog (getiteld: ‘De Tragiek van Echo’) ga ik in op het begrip ‘Echoïst’ en op de term Waakzaam Narcisme. 

Bovendien zal ik dan, aan de hand van een diepgravende Jungiaanse interpretatie, proberen te laten zien dat Echo wellicht helemaal niet bedoeld was als tegenovergestelde – en evenmin als het slachtoffer – van Narcissus. Echo blijkt misschien enkel een variant van hetzelfde verschijnsel!

Tot slot hoop ik met deze twee blogs vooral te laten zien dat het narcisme – net als de mythe van Narcissus en Echo – wellicht helemaal niet de schimpende veroordeling verdient die maatschappelijk hoogtij viert. Misschien verdient het narcistische lijden vooral veel compassie, hoe moeilijk ook. 

Let op: in deze blog zal ik mij verder verre houden van enige analyse van publieke figuren – de gezichten van sommige wereldleiders komen wellicht spontaan bovendrijven – in het kader van narcisme. Wat mij betreft is een dergelijke analyse zinloos. Een meer relevante vraag die ik in dat kader eerder zou stellen is de aandacht meer op onszelf te richten: hoe komt het eigenlijk dat wij deze figuren tot onze publieke ‘leiders’ hebben gemaakt? Tot zover deze discussie. Deze blog gaat er niet over.

De narcistische persoonlijkheidsstoornis – voor zover deze al inderdaad zo plat te diagnosticeren valt – blijkt vooral een stoornis te zijn die veel onbewust lijden en eenzaamheid in zich draagt. De mythe van Echo en Narcissus blijkt in feite een diep tragische, hartverscheurende vertelling. Een vertelling die in de kern gaat over een diepliggend onvermogen lief te hebben en een illusionair Zelf daartoe los te kunnen laten. 

Laten we daarom beginnen bij het begin, bij de mythe zelf. Maak hernieuwd kennis met de jonge jager Narcissus en met de tragisch gekwelde bergnimf Echo…

John William Waterhouse [Public domain], via Wikimedia Commons

De mythe: “Zolang hij niet zichzelf kent”

Ooit, in een lang vergeten verleden, was er Narcissus, zoon van de waternimf Liriope en de riviergod Ceciphus. Liriope was dol op haar baby, ondanks dat het verwerkt was doordat ze op gewelddadige wijze was genomen door Ceciphus. Eenmaal geboren noemde ze haar kindje Narcissus en iedereen was vanaf het begin verliefd op hem. Aan de blinde ziener Tiresias vroeg Liriope eens of haar zoon een lang leven was beschoren. De profeet antwoordde daarop geheimzinnig: “Zolang hij zichzelf niet kent.”

Narcissus was al jong een begaafd en vaardig jager, op wie al allerlei mannen en vrouwen verliefd raakten. Hooghartig liet hij zich echter nooit raken door deze geboden liefde. Toen ontmoette hij, 16 jaar oud, de bergnimf Echo. Echo was een praatgrage nimf, die uiteindelijk gestraft was door Hera, de jaloerse oppergodin en versmade echtgenote van Zeus. 

Hera, die destijds constateerde dat Echo met haar drang tot spreken haar keer op keer afleide om haar goddelijke echtgenoot te kunnen betrappen op zijn erotische escapades, vervloekte de dappere bergnimf daarvoor. Zij strafte Echo door nooit meer uit zichzelf te kunnen spreken en slechts de laatste woorden van de ander na te kunnen praten.

Echo – Talbot Hughes (1869-1942) – PD-art-100

Echo, nu niet meer in staat om als eerste te kunnen spreken, zag Narcissus voor het eerst en raakte hartstochtelijk verliefd op hem. Tijdens een van zijn jachten volgde en bespiedde zij de jonge jager. Narcissus werd zich gewaar dat iemand hem volgde en riep om zich heen: “Is er iemand hier?’ En Echo – slechts in staat om laatste woorden na te kunnen praten – antwoordde hem: ‘Hier!’ 

Na wat verwarring over en weer riep Narcissus uiteindelijk: ‘Kom hier, dan gaan we samen…” en Echo antwoordde enthousiast: ‘Wij samen!’ en kwam, vol van haar behoefte aan liefde, tevoorschijn uit de bossen. Maar Narcissus schrok terug van al dat enthousiasme. Hij deinsde terug en riep: “Nee, nee, weg! Nog liever wil ik sterven dan dat je mijn hart mag winnen….” 

Zijn woorden verwondden Echo zeer. Versmaadt riep de bergnimf uit: ‘Dat jij mijn hart mag winnen…” en verborg zich weer. Afgewezen, teleurgesteld. Verdrietig en vervuld van schaamte, trok ze zich terug in de bossen en de bergen. Daar kwijnde de nimf weg, tot ze uiteindelijk daadwerkelijk slechts een echo was geworden tussen de bergen.

Zo ontkwam Narcissus dus aan Echo. Na haar raakten nog vele anderen verliefd op hem, zo zeer zelfs dat iemand riep: ‘Laat hem ook eens zo verliefd raken, laat ook zijn geliefde ongrijpbaar zijn!” En dat gebeurde. 

Tijdens een van zijn jachten raakte Narcissus achter op de groep. Hij belandde bij een wonderschoon meer dat nog nooit door iemand was beroerd. Dorstig dronk hij van het sprankelende water uit het meer. Maar al drinkend ontwaakte daar een nieuwe dorst, toen Narcissus in dat water het spiegelbeeld van zichzelf zag.

Een verlangen ontwaakte naar dat andere zelf dat hij daar zag weerspiegeld in dat meer. Strak bleef Narcissus in het water kijken, bewonderde het beeld dat hij daar zag. Hij wist niet wat hij zag. Maar afscheid ervan nemen kon hij tegelijk niet. Hij bleef gevangen in dat beeld. Op den duur besefte Narcissus wel dat hij gevangen zat, maar hij kon zich nog steeds niet losmaken van zijn eigen spiegelbeeld. 

Narcissus huilde en toen zijn tranen het water braken en zo zijn eigen spiegelbeeld lieten barsten, riep hij vertwijfeld uit: ‘Waar ga je heen? Blijf hier! Laat me niet alleen!” Zo teerde Narcissus daar weg, aan de oever van het meer. En Echo, die vanuit de bergen toekeek naar het lijden van haar voormalige geliefde – hoewel nog steeds wrokkig vanwege haar afwijzing door hem – raakte bedroefd, terwijl Narcissus zich langzaam en stervend op het gras bij het meer neer vlijde. 

Wanhopig stierf Narcissus langzaam. En Echo liet dezelfde klanken klinken als die Narcissus slaakte. “Ai mij,’ riep hij. En zij echode: “Ai mij.” Uiteindelijk stierf Narcissus en riep: ‘Vaarwel’. En Echo, treurig en bedroefd, riep de stervende woorden van haar vroegere geliefde na. “Vaarwel!”

Na zijn sterven weenden de zussen van Narcissus om het sterven van hun broer. Ook de bosnimfen weenden. En de bergnimf Echo weende. Samen maakten ze alles klaar om Narcissus te begraven. Maar toen zij daar samen kwamen om hen naar zijn graf te dragen, was zijn lichaam nergens te vinden. 

Wat enkel restte op de plek waar Narcissus zich had in zijn einde had neergevlijd, was slechts een gele bloem, gevat in een witte bladerkrans….

‘Metamorphosen’ van Ovidius 

Het is een triest, hypnotiserend treurig verhaal. De oorspronkelijke mythe van Narcissus en Echo wordt vertelt door de Romeinse dichter Ovidius in zijn Metamorphosen (III – 340 – 510). Zelfs mijn korte hervertelling van de mythe legt hopelijk al iets bloot van de tragiek en het wanhopige lijden dat erin tot uitdrukking komt. 

Ik zou iedereen van harte uitnodigen om de prachtige, poëtische vertelling van Ovidius (hoewel in vertaling, uiteraard) voor zichzelf te lezen, om werkelijk te kunnen proeven van zijn geweldige, lyrische vertelling. (Het fragment over de mythe van Narcissus en Echo door Ovidius lees je hier in pfd). 

Wie zich durft te laten raken door de poëtische taal van Ovidius’ vertelling – wie werkelijk durft mee te leven in de emoties van Echo en Narcissus en zich in de tragiek en het lijden van zowel Narcissus als Echo durft ín te leven – beseft al gauw dat er iets van belang is verloren gegaan bij het huidige culturele begrip van ‘narcisme’. 

Het valt op hoe ontzettend onbekwaam en kwetsbaar zowel Echo als Narcissus in feite zijn. Het arrogante niet willen toegeven aan diens omringende bewondering door Narcissus. De onbevangen passie en de wanhopige behoefte om een partner te vinden door de jonge nimf Echo. Haar kwetsing op de afwijzing. De wanhoop van Narcissus als hij beseft dat hij eigenlijk gevangen is geraakt in een spiegelbeeld. Het verdriet als beiden beseffen dat het niet loslaten van de eigen gevangenis in feite betekent uiteindelijk te moeten sterven. 

Er lijkt hoe dan ook vooral iets verloren gegaan aan empathie en aan het inherente begrijpen van het fenomeen. Narcisme is heden ten dage in feite een scheldwoord geworden. Narcist. Dat staat voor iemand die we dom, ijdel, opgeblazen, materialistisch en egocentrisch vinden. En wanneer het woord niet als scheldwoord wordt gebruikt, dan is het wel een aanduiding voor iets dat donker, duister en/of ronduit gevaarlijk is. 

Wie de term ‘narcisme’ intoetst op google zit met een enkele druk op ‘enter’ tot over zijn oren in de populair-psychologische artikelen over allerlei vormen van narcisme die verbonden worden aan antisociale trekken, aan psychopathie, aan misbruik binnen relaties, aan emotionele manipulatie en ‘gaslighting’. 

Ondertussen bestaat er tussen ‘narcisme als scheldwoord’ en ‘narcisme als pure kwaadaardigheid’, weinig echt informatieve literatuur die ruimte laat voor nuancering. Gelukkig kwam ik tijdens mijn onderzoek de zeer leesbare introductie in het narcisme door psychoanalyticus Frans Schalkwijk tegen. Een groot gedeelte van deze blog is dan ook een uitgebreide samenvatting van Schalkwijk’s boek. 

Wie oprecht geïnteresseerd is in het fenomeen – dus wie voorbij de ‘makkelijke’ en oppervlakkige versie van narcisme wil kijken – raad ik dit boek zeker aan. Het is leesbaar, helder, kort (148 pagina’s!) en biedt volgens mij een goed introducerend beeld van wat narcisme nu daadwerkelijk behelst en inhoudt.

Narcisme – een historisch overzicht

Zoals beloofd: nu eerst een kleine historische overzicht van het begrip narcisme. 

Het begrip narcisme werd in 1914 door Sigmund Freud definitief psychologisch op de kaart gezet met zijn essay ‘Ter introductie van het narcisme’. Freud leende het begrip narcisme aanvankelijk van Paul Näcke, een Duitse psychiater en criminoloog, die het begrip in 1899 gebruikte als aanduiding voor iemand die zich lichaam gebruikte als seksueel object.  

In die lijn plaatste Freud het begrip narcisme zelf in het kader van zijn theorie van de libido – de energiebron van onze driften – en eigende zich het begrip toe als in feite een natuurlijk ontwikkelingspsychologische proces in de peuterleeftijd. 

Freud en de narcistische levensenergie

Freud veronderstelde dat de mens een bepaalde, eindige, voorraad aan levensenergie – libido – heeft. In de theorie van Freud richtte het kind vanaf de geboorte in eerste instantie al deze in hem bestaande narcistische levensenergie op zichzelf. Pas in de peuterleeftijd moet de kind deze levensenergie noodzakelijkerwijs – om deel uit te kunnen gaan maken van z’n sociale omgeving – richten op anderen. 

Doordat het op anderen gericht raakt, verliest de aanvankelijk narcistische – dus vooral op zichzelf gerichte – energie daarmee de aanvankelijke narcistische kwaliteit. Als de verzorger goed genoeg reageert, kan de peuter het op zich wel verdragen dat een deel van zijn levensenergie opgegeven wordt voor anderen. Want het kind krijgt er de liefde van zijn of haar verzorgers voor terug. 

Als de peuter echter teleurgesteld raakt en niet goed wordt ontvangen, trekt het zich weer terug in de toestand van eigenliefde. Verzorgers en omgeving raken voor de peuter dan uit het zicht, met als innerlijke boodschap: ‘Ik ben niet in jullie geïnteresseerd (want ik krijg er geen liefde voor terug)’. 

Hier ontstaat volgens Freud het ziekelijke van narcisme: alle levensenergie blijft op zichzelf gericht. Er is geen diepgaande liefde voor een ander mogelijk. Wat rest is innerlijke leegte. Narcisme in volwassen vorm betekende daarmee voor Freud dan dat iemand – om de innerlijke leegte en eenzaamheid draaglijk te maken – de eigen binnenwereld boven iedereen plaatste. Om relaties in stand te houden was er daarbij voortdurend erkenning en bewondering nodig. 

Het narcisme debat: Kohut en Kernberg

De oorspronkelijke visie van Freud op narcisme bleef min of meer intact tot de jaren ‘60. In de jaren ‘60/ ‘70 brak er een heftig debat los rond narcisme tussen twee destijds toonaangevende psychoanalytici: Heinz Kohut en Otto F. Kernberg. We beginnen met de visie van Kohut’s visie op narcisme. 

In de tijdsgeest van het positieve geloof in de ontwikkelingsmogelijkheden van de mens uit de jaren ‘60, ontwikkelde de Amerikaanse psychoanalyticus Heinz Kohut een Zelfpsychologie, waarin het gezonde narcisme een centrale plek innam. Kohut veronderstelde daarbij dat iedere peuter de psychologische behoefte heeft om een tijdje in een wereld te leven van bewonderen en bewonderd willen worden. 

Heinz Kohut en het gezonde narcisme

Gezond narcisme – een krachtig Zelfgevoel – hield voor Kohut in: erop durven te vertrouwen dat je de moeite waard bent. Voor de gezonde ontwikkeling zou het, aldus Kohut, genoeg zijn dat het kind merkt dat diens behoeften worden gezien, herkend en erkend door diens verzorgers. Wederkerig contact is daarom zo belangrijk: het jonge kind vindt er de bevestiging in dat hij zelf met eigen wensen en behoeften bestaat. 

Zonder het wederkerige contact brokkelt het zelfgevoel van het kind af en wordt het afhankelijk van bewondering. De relatie met de ander wordt instrumenteel voor het stutten van het zelfgevoel: er ontstaat een tekort in de wederkerigheid en de inperking van de vrijheid van de Ander gaat een rol spelen. Dat wil zeggen: de ander wordt vooral de vrijheid ontzegt om feilbaar mens te zijn. Hij of zij moet dwingend functioneren naar het Ideaal dat vooral in het hoofd van het ongezonde narcisme bestaat. 

Een gezonde Zelfwaardering veronderstelt dat het zelfgevoel groeit bij bewondering, maar onberoerd blijft als die bewondering uitblijft. Bij ongezond narcisme brokkelt het Zelfgevoel af bij het uitblijven van bewondering, uitmondend in een narcistische woede die zich uit in een bijtende zelfkritiek en geprojecteerde minachting voor het eigen Zelf en de omgeving. 

Kohut was tegelijk niet de enige met een eigen theorie over narcisme. Zijn tegenhanger in het debat was Otto F. Kernberg.

Otto F. Kernberg en narcistische woede

Waar Kohut zich afzette tegen Freud’s topologisch gestructureerde model van de psyche (met het Id, Ego en Superego) en daarentegen een eigen theorie van het Zelf ontwikkelde, bleef Kernberg veel meer in lijn met Freud denken. Kernberg richtte zich echter minder op de Freudiaanse theorie van de levensenergie, de libido, en meer op het fenomeen van de doodsdrift: de agressie. 

In de theorie van Kernberg worstelt een baby vanaf diens geboorte in feite al met een biologisch bepaalde levensdrift, een bepaalde vorm van agressie. Die agressie komt onder andere naar voren in een ambivalente woede (twijfel bij deze woede? Denk aan de latere driftaanvallen in de wandelgangen van de supermarkt) die het kind ervaart, wanneer het – op zijn of haar weg naar verkennende autonomie – geconfronteerd werd met de eigen beperkingen en de daarbij horende afhankelijkheid van de ouders. 

Ziekelijk narcisme zou dan volgens Kernberg ontstaan wanneer de ontwikkeling naar autonomie vastloopt. Dat zou dan komen doordat de peuter de bovenstaand beschreven ambivalentie tussen enerzijds de afhankelijkheid van de verzorgers, en anderzijds het streven naar de eigen autonomie, niet kan verdragen. Dat onvermogen zou het kind volgens Kernberg vervolgens op twee manieren uiten. 

Allereerst zou het kind het betreffende verlangen, dat niet bevredigd kan worden zonder de erkenning van de eigen afhankelijkheid, verdringen tot het niet langer gevoeld wordt. Ten tweede zou de peuter niet langer de (verzorgende) Ander verinnerlijken als een welwillende, liefdevolle ander.

Daarmee verschraalt de eigen innerlijke wereld echter. Deze wordt niet langer gevoed met reële innerlijke beelden van geliefde anderen. Er ontstaat zo een ziekelijk Zelf. De eigen aangeboren woede wordt weggemaakt en geprojecteerd op anderen: ‘Ik ben helemaal goed en ideaal en behoef niets en niemand’. De ander is daarbij volledig slecht en verdient slechts minachting. 

Kohut staat daarbij tegenover Kernberg, doordat Kohut de kern van narcisme legt in een falen van de spiegeling van de verzorgers van de basale behoefte van het kind aan bewondering en idealisatie. Terwijl Kernberg de kern van narcisme legt in het onvermogen van het kind om de frustratie te verdragen, die in het conflict tussen het bereiken van autonomie en de reële afhankelijkheid van de verzorgers ligt besloten.

Narcisme bij onbevredigende wederkerige interactie

Een kleine honderd jaar nadat Freud het begrip ‘narcisme’ in de wereld van de psychologie introduceerde is er nog steeds veel onbekend over de precieze relatie tussen wat er in de vroege kinderontwikkeling gebeurt en het optreden van narcisme bij volwassenen. Wel geldt dat hedendaagse psychoanalytici het niet langer nodig hebben om narcisme te begrijpen vanuit de narcistische levensenergie van Freud. Of door zich een narcistische ontwikkelingsfase (Kohut) of frustratie in de narcistische behoefte (Kohut) voor te stellen. 

De basisopvatting is inmiddels dat een bevredigende interactie in een kinderontwikkeling, leidt tot een algemene positieve basisinstelling van het kind dat de wereld te vertrouwen is, interessant is en dat contact met anderen in principe veilig is. Zo ontstaat er een stevig Zelf voor het kind. Een gevoel dat zich in woorden vertaald als de basishouding: “Ik kan vertrouwen op mijzelf en mijn vaardigheden.” 

Wanneer deze basishouding echter doorbroken wordt doordat er in grote mate – en bij herhaling – sprake is van een teleurstelling in de reactie van de verzorger op de behoefte van het kind aan interactie, zal het kind deze ervaring gaan omzetten in een gevoel van afwijzing. Om zichzelf te beschermen tegen de innerlijke teleurstelling van het contact wordt het innerlijke besluit genomen om dan maar niet meer te verlangen naar contact met de ander. 

Deze ‘beslissing’ van het kind is niet bewust en weloverwogen. Maar het is wel een gerichte beweging, weg van de ander. Deze afwijzende reactie treedt echter tegelijk zo vroeg en onbewust op, dat het voor het kind, en later voor de volwassene, de normale toestand wordt. De volwassene raakt op deze manier ingekapseld in een cocon van afwijzing van wederkerig contact, waar hij zelf geen weet van heeft en waar de ander nauwelijks in kan doordringen. 

Voor het voelen van een Zelf, voor het verkrijgen van een eigen identiteit, is iemand nu volledig op zichzelf aangewezen. Deze toestand weerspiegelt de kale, tragische innerlijke spiegelwereld van Narcissus. Er is geen innerlijke welwillendheid. Geen innerlijke troost. Het is er leeg en eenzaam…

Pincus & Lukowitsky – de lagen van narcisme

In 2010 geven narcisme-onderzoekers Aaron Pincus en Mark Lukowitsky in een paper, gepubliceerd in het Annual Review of Clinical Psychology met de titel ‘Pathological Narcissism and Narcissistic Personality Disorder’, een overzichtsartikel van alle literatuur die er tot dan toe is verschenen op gebied van narcisme. Hieruit ontstaat een heldere aanzet voor een hedendaagse theorie over narcisme, waarin oude kennis over de stoornis is geïntegreerd. Dit is de theorie die Schalkwijk in zijn boek zelf consequent zal blijven hanteren. 

Pincus en Lukowitsky stellen dat aan de basis van narcisme een sterk gevoel van kwetsbaarheid ligt op drie gebieden, namelijk dat van het zelfgevoel, de emotieregulatie en de interpersoonlijke relaties. Het zoeken naar bescherming, om de innerlijke kwetsbaarheden op deze gebieden niet te hoeven ervaren, is daarbij eigenlijk niet meer dan natuurlijk en voorstelbaar.

De uitingsvorm van deze afweer van de kwetsbaarheid kent vervolgens twee primaire verschijningsvormen:

1.Het vanzelfsprekende of grandioos narcisme

Dit is de ‘reguliere’ variant van narcisme die we meestal gebruiken, gekenmerkt door overmatig fantaseren over grenzeloos succes, macht, schoonheid en/of ideale liefde. De ander is hierbij feitelijk niet nodig (ontbrekende wederkerigheid), tenzij als bewonderaar die de eigen grootsheid bevestigt (instrumentalisatie van de Ander).

2. Het waakzame narcisme

Dit is de variant die minder bekend is en die sinds kort ook wordt aangeduid als ‘Echoïsme’. Bij Waakzaam Narcisme richt iemand zich, in fantasie of in werkelijkheid, sterk op de ander. De behoeften of verlangens van de Ander worden (reëel of ingebeeld) aangevoeld en (reëel of ingebeeld) zoveel mogelijk bevredigd voor de ander.

Beide primaire varianten kennen vervolgens nog een open en verborgen vorm. Narcisme kent dus lagen.

In schema ziet dit er als volgt uit:

(vrij ontleend aan: Aaron Pincus en Mark Lukowitsky / Frans Schalkwijk)

Kernproblemen bij narcisme

Wie bovenstaand geheel heeft gelezen, zal inmiddels al grondig beseffen dat de kern van narcisme dus niet ligt bij uiterlijke gedragskenmerken als arrogantie, ijdelheid of een opgeblazen ego. Dat zijn slechts oppervlakkig zichtbare symptomen van een veel dieper liggende kwetsbaarheid. Het zijn in feite afweermechanismen voor een intens lijden, een tragisch eenzame binnenwereld en diepe innerlijke leegte. 

Die afweermechanismen, zo legt Schalkwijk uit, resulteren vervolgens in een cluster-problematiek die als ‘ziekelijk (pathologisch) narcisme’ geduid kan worden. Narcisme moet dus niet gedefineerd worden aan de hand van een verzameling oppervlakkige en uiterlijke kenmerken (wat bijvoorbeeld wel gebeurd bij bijvoorbeeld de DSM-V). Maar aan de hand van drie simultaan en met elkaar verbonden optredende, dieperliggende – en vaak meer onzichtbare – kernproblemen, die liggen op het gebied van de zelfregulatie, emotieregulatie en de interpersoonlijke relaties

1. Tekortschietende zelfregulatie

Een stevige identiteit veronderstelt positieve en negatieve aspecten, gecombineerd in grijs. De kwetsbaarheid in het gebrek aan stevigheid in het Zelfgevoel ontstaat dan, doordat er geen ruimte is voor grijs. Er wordt voortdurend geschommeld tussen ‘helemaal goed’ (idealisatie) of ‘helemaal slecht’ (minachting), zonder nuances, en met een voortdurend angst voor het negatieve zelfgevoel van ‘helemaal slecht’. 

Alle energie gaat uit naar de bevestiging van het zelfbeeld vanuit de buitenwereld. In alledaagse opvatting wordt precies hier vaak op neergekeken: het zichtbare zoeken naar aandacht en bevestiging. Maar deze zoektocht zou dus niet als letterlijk symptoom genomen opgevat moeten worden. Het staat in het kader van een (onbewust) voortdurend stutten en ondersteuning zoeken van een kwetsbare identiteit en zelfgevoel. 

2. Tekortschietende emotieregulatie

Het bijzondere van de emotieregulatie bij narcisme, zo geeft Schalkwijk aan, is dat de broosheid van het zelfgevoel direct  leidt tot intense emotiewisselingen. Deze problematische relatie tussen emoties en zelfgevoel komt goed tot uiting in de narcistische razernij: bij krenkingen van het zelfgevoel, ontstaat een vloedgolf van innerlijke woede. 

Een andere uitingsvorm is de ervaring van schaamte – of, in feite de meest bekende vorm: juist de volledige afwezigheid van schaamte. Dat wordt veroorzaakt, zo legt Schalkwijk uit, doordat schaamte vooral wordt ervaren wanneer je dat wat je doet, denkt, of fantaseert, vergelijkt met wie je idealiter zou willen zijn en je (helaas) tot de conclusie van verschil moet komen. Schaamte is dus een emotie die alleen maar mogelijk als er een afstand wordt gecreëerd en evalueert. 

Maar juist die afstand moet bij narcisme vermeden worden, omdat diezelfde afstand de kwetsbaarheid van het zelfgevoel blootlegt. Juist rondlopen met een opgeblazen zelfbeeld maakt kwetsbaar voor schaamte wanneer je dat van een afstand zou evalueren. Daarom is er zo’n pantser tegen schaamte – wat vaak wordt vertaald als ‘schaamteloosheid’: schaamte is een bedreiging voor het Zelfgevoel en is dus een ongewenste emotie.

3.Interpersoonlijke relatieproblematiek

De kern van narcisme komt bij de interpersoonlijke problematiek vooral tot uiting doordat de Ander voor degene die lijdt aan narcisme in feite geen eigen gevoels- of denkwereld heeft. De ander is er enkel instrumenteel, om het eigen zelfgevoel te kunnen stutten. Relaties zijn een instrument om de eigen kwetsbaarheid en besef van de zwakke identiteit op een afstand te kunnen houden. 

Dat is uiteraard een gegarandeerd recept voor intense problemen. En doordat we als mensen inherent en in de basis sociale dieren blijven – die voor ons zelfgevoel vanaf het begin afhankelijk zijn van onze relaties met anderen – wordt hiermee ook direct duidelijk hoe intens tragisch de problematiek in feite is. Er is niet alleen sprake van een innerlijke leegte. Er is ook sprake van een onvermogen om die leegte te kunnen vullen met wederkerige relaties.

Narcisme als diepliggend lijden 

Om de inhoud van bovenstaande drie samenhangende kernproblemen verder toe te lichten voert voor het doel van deze blog te ver. Daarvoor zou ik je vooral willen uitnodigen om het boekje van Schalkwijk zelf te lezen. 

In deze blog heb ik hopelijk vooral laten zien dat narcisme geen oppervlakkig probleem is van arrogant gedrag dat maar even ‘aangepast’ moet worden. Er ligt een veel dieper lijden aan ten grondslag. Een lijden dat bovendien vaak onbewust is voor degene die er onder lijdt. 

In deel 2 van deze blog (De Tragiek van Echo) ga ik dieper in op het Echoïsme. Ook over dat begrip zijn al flink wat misverstanden aan het ontstaan. Want wie de mythe van Echo en Narcissus nauwkeurig leest, ontdekt al gauw dat Echo al ruim vóór haar ontmoeting met Narcissus was beschadigd. Echo was dus zeker niet het slachtoffer van Narcissus. 

Zou de Jungiaanse interpretatie van de mythe ons meer kunnen vertellen? Je leest het in deel 2 van deze blog: ‘De Tragiek van Echo!‘


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought on “De kwetsbaarheid van het Zelf”

Geef een reactie