Liefde en vertrouwen

Liefde en vertrouwen. Het zijn woorden die op het eerste gezicht volstrekt bij elkaar horen. Ze lijken van nature in elkaars verlengde te liggen. Maar wat als die natuurlijkheid wordt verbroken? Wat als de woorden haaks op elkaar komen te staan?

Wat als er gezegd wordt: “Ik heb je lief . Maar ik vertrouw je niet.” Wat wordt er dan eigenlijk precies gezegd? En tegen wie worden die woorden dan gezegd?

In deze blog ga ik op deze vragen in. Daarbij beschouw ik ‘liefde’ vanuit het hechtingsproces. En trek ik ‘vertrouwen’ daarin door. Om zo dit woord, in het licht van dit proces van hechting, te kunnen beschouwen.

Deze blog bestaat daarbij uit twee delen. In het tweede deel van deze blog ga ik vervolgens in op de vraag wat het dan betekent als in deze hechting het vertrouwen ontbreekt. Het resultaat is volgens mij namelijk het optreden van een diepgewortelde, onbestemde, existentiële angst.

Aan de hand van het werk van existentieel filosoof en theoloog Paul Tillich analyseer ik in het tweede deel van deze blog dan ook het begrip van de ‘angst’ en behandel ik wat eruit voortkomt: de neurose. En ik bespreek hoe de moed noodzakelijk is om de neurose tegemoet te treden.

Het tweede deel van deze blog lees je hier, onder de titel ‘Angst en moed’.

Liefde en vertrouwen

De zin die eens over zijn lippen kwam – daar, ooit, op een willekeurig plek, op een onbepaald tijdstip – zou hij jaren met zich meedragen. Als een scherpe kiezel in zijn schoen vormde zijn uitspraak, toen nog zo achteloos krachtig uitgesproken, aanvankelijk slechts een verwaarloosbaar ongemak.

Toch zou het ongemak met de jaren onvoorzien gaan groeien. Het zou zijn tred gaan hinderen. Op den duur zou hij ontdekken dat zijn eigen woorden hem mank hadden gemaakt, lang voordat hij wist wat hij daar werkelijk had gezegd.

Waarom drongen sommige dingen pas zo laat tot een mens door? Hij ontbeerde het antwoord. Uiteindelijk maakte de reden waarom zijn eigen woorden pas zo laat tot hem doordrongen ook geen verschil. Het verschil werd gemaakt door de werkelijke betekenis van zijn woorden. En die betekenis school uiteindelijk in de gesproken woorden zelf. 

“Ik heb je lief,” had hij eens gezegd – daar, toen, ooit… 

“Ik heb je lief. Maar ik vertrouw je niet.” 

De hulpeloosheid van woorden

Twee zinnen. Een uitspraak. En uiteindelijk, in alle hulpeloosheid van die woorden, maakte het niet uit tegen wie hij ze zei. Of waar hij die woorden had gesproken. 

Hij had ze kunnen spreken tegen een voormalige geliefde, beiden uitgeput tegenover elkaar zittend op de rand van stoel en bank, tussen de ravage van een uit de hand gelopen ruzie, met de scherven van de gebroken vaas nog tussen hen in. Het water in een kleine plas over de vloer lekkend, de geknakte lelies nog half op tafel, verloren hangend over de rand. 

Hij had zijn woorden kunnen spreken tegen een oudere broer of een jongere zus, in een luxe restaurant. Omringd door marmeren vloeren, met een brede, glanzende eikenhouten bar langs de wand, tegen de achtergrond van lachende en luidkeels converserende gasten, terwijl broer of zus daar tegenover elkaar zaten, op koud metalen stoelen. De kleine bitterbal, ontdaan van een walmende hap, nog heet op de scherpe prikker tussen hen in. 

Of zei hij het tegen een dochter? Hoogzwanger, een hand op de strak opbollende buik, op de bonnefooi getrouwd met een werkloze en depressieve man? Tegen een zoon misschien? Een jongeman die verloren door de wereld dwaalde, worstelend met onuitgesproken familiegeheimen. Wetend dat er dingen waren in zijn omgeving die hem nooit verteld waren. Nooit wetend echter, wat er dan voor hem verzwegen werd, of waarom dan.

Het had eveneens gezegd kunnen worden tegen een moeder, tijdens een haastige ontmoeting op een station. De stem verheffend, bijna verloren tegen het geluid van een voorbijrazende trein. Of wellicht werd het gezegd bij een graf van een vader die hij nooit echt had gekend, die hij jaren niet had gesproken. De vader van wie hij nooit echt afscheid had genomen, maar die hem door jaren van zwijgen was ontglipt. 

Helemaal op het einde sprak hij die woorden misschien slechts in een rusteloze droom, waar hij doorweekt uit ontwaakte. Verward door zijn eigen woorden, de echo van de betekenis ervan vervloeiend in een onbewuste laag van weten, was het uiteindelijk niet van belang waar en tegen wie hij de woorden sprak.

Wat het verschil maakte, was dat híj ze had gesproken. En dat hij ze pas jaren later zelf kon verstaan. 

“Ik heb je lief. Maar ik vertrouw je niet.”

Jarenlang was hij boos geweest. Teleurgesteld, omdat die ander tegen wie hij die woorden had gesproken, zich zo opgelucht had getoond met het eerste deel van zijn uitspraak. En daarbij dat tweede deel – dat deel dat voor hemzelf zoveel belangrijker was dan al die andere woorden – in zijn ogen volledig veronachtzaamde. 

Waarom koos iemand überhaupt voor de liefde? Hoe kon het zijn, vroeg hij zich af – afgewezen, gekleineerd, gekwetst – dat iemand niet koos voor vertrouwen? Met vertrouwen, immers, kon je verder, zo dacht hij. Maar de liefde? De liefde was naar zijn mening op z’n best enkel een familiaire bloedband. En op z’n slechts was het enkel chemie. Slechts hormonen die in elkaar grepen als klittenband, een toevalligheid. De liefde was naar zijn mening enkel een tijdelijke anomalie, de factor van chaos in het leven, de afwijking van de regel.

Bovenal was de liefde in ieder geval iets dat hij niet begreep. De sporadische keren dat er iets in zijn leven was gebeurd dat in de boeken wellicht zou kunnen worden omschreven als ‘liefde’, waren tegelijk de momenten geweest dat zijn leven explodeerde. Soms direct. Soms met een vertraging, als een onbepaalde tijdbom. Maar de liefde eindigde voor hem hoe dan ook onherroepelijk in een wereld vol as en vuur. Met slechts afgebrande ruïnes van wat eens was geweest. 

Liefde was voor hem geen ‘heelwording’ of zachtheid. Liefde was voor hem geen aanvulling op zijn leven. Liefde was voor hem een breuk. Het was een scheur, een kwetsing.

Schema’s van vertrouwen

Met de jaren nam hij het zichzelf op den duur kwalijk dat hij blijkbaar een dubbele boodschap had afgegeven. Hij had het kunnen weten: de regels van communicatie schreven het immers al voor: geef mensen nooit op hetzelfde moment twee delen van een boodschap. Mensen kunnen maar één deel ervan onthouden. En vergeten – of negeren – de rest.

Wrokkig richtte hij zich daarom op het tweede deel van zijn uitspraak: vertrouwen. Hij zou die ander wel laten zien wat diegene miste. Hij zou de ander leren wat hij bedoelde met ‘vertrouwen’. 

Hij ging op zoek in de literatuur, om zijn gedrag aan te kunnen scherpen. In boeken van managementgoeroes als Steven M.R. Covey en Kenneth Blanchard ontdekte hij tot zijn grote geluk gedragsschema’s die het ‘vertrouwen’ waar hij zo naar zocht, voor hem omvormde in meetbaar gedrag. Hier vond hij de aanwijzingen waar hij zijn gedrag aan kon scherpen.

De dubbele boodschap van vertrouwen

Hij werkte eraan, rigoureus en strikt. Hij wilde anderen laten zien dat hij te vertrouwen was – en vooral: hij wilde die Ander laten zien dat híj wist wat ‘Vertrouwen’ was. En dat de ander dat niet wist. Hij wilde met zijn strikte, dwangmatig morele gedrag, vooral het falen van de Ander aantonen. 

Zonder het te beseffen maakte hij daarmee echter zijn eigen boodschap van vertrouwen zelf ambivalent van aard – het kreeg een dubbelzinnig karakter, dat zijn gedrag voortdurend ondermijnde. Hij werkte aan vertrouwen, maar dat vertrouwen moest een bepaald resultaat – een bepaald voorgegeven ‘succes’ – bereiken. Daardoor bleef het vertrouwen waar hij aan werkte in zijn ogen tegelijk voortduren hol – het was alsof zijn eigen inzichten zich tegen hem keerden.

De trage spiegel van zelfinzicht

Pas na jaren van een leeg streven naar vertrouwen – en hopeloos falen in wat hij wilde bereiken – besefte hij tot zijn grote verdriet drie dingen. Dat besef – en het verdriet – drong echter langzaam tot hem door. Het was geen besef in de vorm van een blikseminslag. Het was geen snel besef, geen inzicht in een fractie van een seconde. 

Het was een inzicht dat pas tot hem kwam in trage tranen, die hij pas ontdekte toen ze over zijn wangen stroomden, zonder dat hij wist waarom hij huilde. Hij wist zelf niet wanneer hij begonnen was te huilen.

Zijn zelfinzicht drong tot hem door als een dikke, zilte vloeistof die hem langzaam omringde, de naden en kieren van zijn kleren doordrenkte en zo, in een traag tempo, zijn lichaam bedekte in verdriet en zijn ogen opende, zijn blik schoon veegde, zodat hij zichzelf – voor het eerst en onverwacht – oprecht kon zien.

Zo ontdekte hij, in de weerspiegeling van de zoute druppels die hem omgaven, als eerste inzicht, dat die woorden die hij ooit had uitgesproken vooral tegen hemzelf gericht waren geweest. Het was nooit degene geweest die tegenover hem zat, die het werkelijke publiek vormde voor zijn woorden. Hij had zijn woorden niet tegen de ander gezegd. Hij had niet tegen de Ander gezegd: “Ik heb je lief, maar ik vertrouw je niet.” 

Zijn eerste inzicht was: hij had die woorden tegen zichzelf gezegd. 

Liefde is hechting

Het tweede inzicht dat dat tot hem doordrong, was dat een uitspraak zoals: ‘ik heb je lief’, oprecht betekende dat ook hij op zijn eigen manier ‘liefde’ kende. Ook hij hechtte zich aan mensen. Dat was wat liefde in essentie immers is: hechting. 

“We begrijpen niet hoe liefde werkt. We zijn allemaal verdwaald,” was een uitspraak over de liefde die hem op het spoor van dat inzicht had gebracht. Het waren woorden uit een interview met de bekende Canadese klinisch psychologe en relatietherapeute Sue Johnson. Zij herhaalde met die woorden immers iets wat al zo lang in hem resoneerde. Maar ze ging tegelijk verder. Ze had een antwoord!

“Onze biologie helpt ons om verliefd te worden,” zei Sue Johnson. “Maar als we dan verliefd zijn, als we met een ander dansen, dan moeten we de vorm van de dans ook leren begrijpen.” 

Daarmee bracht ze tot uitdrukking wat hij inmiddels al vermoedde. Hij hechtte zich dan wel – omdat de menselijke biologie dat nu eenmaal voorschreef. Maar de wijze waaróp hij zich hechte – hoe hij lief had – was verdraaid geraakt. Dat was wat hij moest leren begrijpen. Zijn vorm van ‘dans’ – zijn uitingsvorm van liefde – was verwrongen geraakt. Het was omgevormd tot wantrouwen.

John Bowlby: oerdrift van hechting

Hij begon op die manier ook langzaam zijn eigen ‘dansvorm’ in relationele zin te begrijpen. Hij stuitte daarbij, daarop gewezen door de achterliggende theorie van Sue Johnson’s relatiebenadering, de Emotionally Focused Therapy (EFT), op de gedachte van John Bowlby, die beweerde dat mensen – van geboorte tot graf – in feite werden omringd door intieme hechtingen, in allerlei soorten en maten. 

John Bowlby (1907 – 1990) was een beroemde psychoanalyticus en (kinder)psychiater, van wie de primaire, belangrijkste bijdrage aan de psychologische en de psychoanalytische theorie, bestond uit diens ontdekking dat er een – op de menselijke biologie gebaseerde, evolutionair noodzakelijke – hechting bestaat van een kind aan diens verzorgers. 

Deze ‘oerdrift van de hechting’ vormde, aldus Bowlby, een basaal motivationeel systeem. Het vertegenwoordigde zich in de absolute noodzaak van het kind om een fysieke nabijheid van de verzorger te ervaren. Dat was bovendien, zo stelde Bowlby, niet alleen om zich emotioneel goed te kunnen ontwikkelen. Het was er ook om – letterlijk – de fysieke veiligheid van het kind te kunnen garanderen.

Dat betekende dat ‘liefde, of dat wat Bowlby noemde, ons ‘hechtingsgedrag programma’, in feite een evolutionair onderdeel vormde van onze biologie: onze hechting was een wezenlijk genetisch onderdeel van ons, even wezenlijk en basaal in feite als eten en drinken. 

Ons hechtingsgedrag had daarbij duidelijk drie uiterlijke, samenhangende uitdrukkingsvormen:

  1. Het zoeken, in de gaten houden, en pogen om nabijheid te behouden van een beschermend hechtingsfiguur;
  2. Het gebruiken van de hechtingsfiguur als een ‘veilige basis’, om van daaruit onbekende situaties en omgevingen te kunnen verkennen;
  3. Het vluchten naar een hechtingsfiguur als ‘veilige haven’ in situaties van gevaar of tijdens alarmerende momenten;

Omgekeerde hechting?

Wat hij echter van zichzelf in die theorie herkende, was precies het omgekeerde. Hij herkende juist het ontbreken van die bepaalde vormen van hechting. Hij herkende, met andere woorden, wel het omschreven gedrag, maar hij herkende het precies in de omgekeerde zin:

  1. Het ontbrak hem aan de behoefte om een figuur van veiligheid nog langer te zoeken of in de gaten te houden;
  2. Hij had geen ‘veilige basis’ om van daaruit onbekende situaties te verkennen;
  3. Hij vluchtte niet naar iemand die hij lief had in situaties van gevaar. Hij stond er relatief onverschillig tegenover. 

Het liet hem daarbij echter niet koud – hij ervoer weldegelijk de angst in alarmerende situaties. Die angst was fysiek aanwezig in zijn lichaam: hij herkende de symptomen ervan in zijn trillende handen, hij herkende het gevoel van zijn hart dat in zijn borstkas voortraasde, het gevoel van vage misselijkheid in zijn maag door de adrenaline, opgewekt door angst. Hij merkte hoe zijn cognitieve processen werden verstoord door angst.

Hij voelde verdriet als hij besefte dat hij in feite geen veilige basis had. En hij voelde weldegelijk een fysiek verlangen naar iemand die hem kon vast houden. Maar elk van die ervaringen, ieder aspect van die emoties kon hij tegelijk, op een vreemde, onwezenlijke wijze, als het ware ‘loslaten’. (Toegegeven, de vertraging in zijn hersenen, geblokkeerd door de schok van angst, kon hij moelijk loslaten – die omvatte hem als het ware). Toch kon hij kon zich grotendeels van emotionele ervaringen onthechten en zich ervan distantiëren.

Mary Ainsworth: vormen van hechting

Toen hij verder zocht, las hij deze persoonlijke ervaring terug, min of meer omschreven in het werk van Mary Ainsworth, een ontwikkelingspsycholoog en nauwe collega van Bowlby.

Ainsworth’s voornaamste ontdekking was dat het ingeboren, biologisch gedreven hechtingsysteem dat Bowlby had ontdekt, in feite ‘gevormd’ kon worden, dat wilde zeggen: het had verschillende uitingsvormen. Waarmee Ainsworth bedoelde te zeggen: als het hechtingssysteem onderdeel is van de biologisch-genetische opmaak van ieder mens, dan nog kan dat hechtingssysteem verschillende vormen van gedrag vertonen, te weten:

  1. ‘veilige hechting’, 
  2. ‘onveilige (vermijdende) hechting’, 
  3. ‘onveilige (afwerende) hechting’ en tot slot; 
  4. ‘gedesorganiseerde (ambivalente) hechting’. 

Mary Ainsworth en de ‘vreemde situatie’

Mary Ainsworth ontwikkelde voor de constatering van deze verschillende vormen van hechting, een (aanvankelijk nog controversiële) testomgeving die ‘de Vreemde Situatie’ wordt genoemd.

De ‘Vreemde situatietest’ was een laboratoriumomgeving waar moeders en hun kind gedurende 20 minuten werden geplaatst in een gezellige, met speelgoed gevulde, ruimte. Tijdens die 20 minuten werd de baby (12 maanden oud) de gelegenheid geboden om de omgeving te verkennen in de aanwezigheid van de moeder.

Vervolgens werd het kind geconfronteerd te worden met twee momenten van scheiding van de moeder, twee momenten van reünie met de moeder en een moment van confrontatie met een vreemdeling in de kamer (altijd een getrainde ‘kind-observator’). 

De reacties die de kinderen vertoonden, konden vervolgens worden geclassificeerd in gedragspatronen die pasten bij de verschillende, hierboven opgenoemde, vormen van hechting. Vooral de reactie op de reünie met de moeder na de scheiding was daarbij kenmerkend.

En wat hij daarbij vooral in zichzelf herkende, in de verschillende omschrijvingen van reactief gedrag, was de reactie van het vermijdend gehechte kind.

Vermijdende hechting

De vermijdende kinderen bleken op opvallende wijze ‘afgestompt’ te reageren op de ‘Vreemde Situatietest’. Hoewel geconfronteerd met een intrinsiek alarmerende situatie bleven de kinderen gewoon doorspelen, daarbij op een verontrustende wijze ‘ongenaakbaar’, hoewel hun moeder was verdwenen.

Aan de buitenzijde leken de kinderen kalm. Zowel bij het onverwachte verdwijnen als bij de terugkeer van hun moeder. Tegelijk bleek echter dat hun hartslag wel degelijk net zo verhoogd was als bij de kinderen die veilig hechtingsgedrag vertoonden, zowel bij het verdwijnen en de terugkeer van hun moeder.

Bovendien bleek dat hun cortisolgehalte (dat is het primaire stresshormoon dat het lichaam produceert in tijden van spanning) zowel vóór als ná de hele procedure, beduidend hóger was dan dat van hun veilig gehechte leeftijdsgenootjes.

Ainsworth trok dan ook de conclusie dat de oppervlakkige onverschilligheid van de vermijdende baby – samen met het bijna volledig afwezige hechtingsgedrag van het kind – vooral een defensieve aanpassing was.

Deze vermijdend gehechte kinderen hadden, onbewust en pre-verbaal, de conclusie getrokken dat hun verlangen en behoefte aan geruststelling en zorg niet vervuld zou worden. In feite hadden deze kinderen daarmee de hoop innerlijk opgegeven. Ze vertrouwden hun verzorger – en daarmee hun wereld niet meer . Ze hadden daarom – zonder woorden, maar diep van binnen – besloten om zich dan maar te onthechten van die wereld.

Onthechte hechting

De herkenning in die omschrijving raakte hem diep in het hart. De omschrijving van het vermijdend gehechte kind was de omschrijving van hemzelf. Wat hij herkende, was bovendien als het ware de ‘fysieke gedragsrepresentatie’, die hij onbewust symbolisch in eigen woorden had gegoten: 

  • “Ik heb je lief” (symbolisch voor: ‘ik hecht me’). 
  • “Maar ik vertrouw je niet.¨ (symbolisch voor: ‘ik vermijd je, want ik verwacht dat je niet aan mijn verlangens tegemoet zult komen).”

Wat hij herkende was daarbij vooral het gevoel van onthechting. Een onthechting van de ander, van de wereld, van zichzelf. Hij was onthecht geraakt van de wereld om hem heen, van ervaringen – en van idealen. Hij was onbenaderbaar geraakt.

Hij had het gevoel gehad dat er een glasplaat tussen hem en de wereld stond. Succes kon hij niet meer delen, vreugde leek hij al heel lang niet meer echt te ervaren. Hij had jarenlang gewerkt en ontdekte nu, terwijl hij om zich heen keek, dat hij alleen was, geïsoleerd van de wereld. 

Onthechting: het lege harnas

Tegelijk ervoer hij een grote afstand – in zichzelf en tot zichzelf. Het was alsof hij letterlijk tegen zichzelf had gezegd: “Ik vertrouw jou niet.” Hij had geprobeerd dat wantrouwen te verbergen achter zijn intellect, achter het zoeken naar een theorie die paste bij dat wat ‘vertrouwen’ in had moeten houden. Hij had – stoïcijns, contentieus – geprobeerd die gedragsstructuur in te bouwen in zijn leven…

Enkel om te ontdekken hoe leeg het was achter dat harnas van gedrag. Zijn harnas bleek, onverwacht, in feite leeg. Zijn compassievolle belangstelling voor de wereld was al die jaren hol geweest. Een farce.

Of eigenlijk – als hij er nog verder en dieper over nadacht – dan besefte hij dat de oorsprong wellicht nogwel goed en oprecht gevuld met idealisme was geweest. Maar hij had in feite al zijn eigen goede bedoeling bij voorbaat zelf ondermijnd en ondergraven door zijn eigen wantrouwen.

Hij had zichzelf nooit volledig vertrouwd. En zo was zijn hele handelen uiteindelijk besmet geraakt met een eigen wantrouwen. 

Donkere onthechting: symptomen van angst

Iets in zijn eigen isolatie, in zijn onthechting, had echter ook een onverwacht duistere plek in hem geraakt. Het had hem, langzaam en ongemerkt, losgemaakt van de normen van de wereld. Onverwacht – niet met een knal, maar juist geleidelijk en vol verleiding – had het hem onverschillig gemaakt ten opzichte van goed en kwaad. Dat was zijn derde besef. 

Dit derde besef was in feite het meest angstaanjagende besef dat hij ooit had gehad. Hij kwam tot het misselijkmakende besef dat hij jaren had gewerkt aan een hol begrip van vertrouwen. Zijn gedrag had hij gegoten in een mal, in een model, zonder dat hij besefte waar hij het model eigenlijk voor nodig had.

Jarenlang was hij bezig geweest de angst voor zijn eigen verlorenheid te bezweren. Hij had nooit werkelijk vertrouwen gehad in zichzelf. Of in de Ander, of wat voor vertrouwen in de wereld dan ook. De werkelijkheid? De realiteit was dat hij doodsbang was voor de wereld. 

Zijn gedrag, zo ontdekte hij onverwacht, was er vooral op gericht geweest om een masker van vertrouwen op te bouwen. Het was al die tijd gericht geweest om de angst voor zichzelf in de hand te kunnen houden. En ondertussen was hij in feite verdronken in zijn eigen angst.

Dat was de werkelijke reden waarom hij ooit, doorweekt van het zweet, ontwaakt was uit een droom, waarin hij die woorden herhaalde die hij ooit had gesproken. Zonder te weten waarom juist die woorden zijn hart zo hard deed bonzen. “Ik heb je lief. Maar ik vertrouw je niet.” Nu wist hij waarom die woorden hem hadden doen wakker schrikken.

Hij was ontwaakt. Want hij had de bron van zijn eigen bestaansangst ontdekt.

Vertrouwen wint het niet

Hij worstelde met zichzelf, maar kon het nooit echt ontkennen: hij had nooit vertrouwen gehad. Hij had in feite al lang geleden – zelfs nog voordat hij er zelf feitelijk woorden voor had – opgegeven.

Daarvoor in de plaats was er een onbestemde angst in de kieren en naden van zijn geest en zijn bestaan gekropen. Wat had hij nu nodig? Wat kon hem werkelijk helpen om voorbij dat gat in zijn liefde en vertrouwen te komen?

Het cliché-antwoord – generiek en algemeen gegeven – was misschien dat hij zijn angst ‘met vertrouwen’ tegemoet zou moeten treden om het ’te overwinnen’. Maar diep in zichzelf wist hij dat een dergelijk antwoord altijd hol zou zijn voor hem – en nu had hij een stevige, biologische basis voor dat vermoeden gekregen: zijn hele hechtingsbasis was immers gegroeid vanuit een basaal wan-trouwen. Vertrouwen zou voor hem helemaal niks winnen.

Paul Tillich over moed en angst

Opnieuw begon hij daarom te zoeken en te studeren. En stuitte op een bijna ‘oubollig’ geworden deugd – hij vond het ‘stoffige’ begrip van de ‘moed’. Hij las de vroege dialoog van Plato, ‘Laches’, over ‘de moed als weerstand bieden aan de vijand zonder te vluchten‘ en ‘Moed als de kennis van hetgeen wel en niet te vrezen is‘. (Je herleest deze dialoog hier integraal)

Via deze dialoog kwam hij op het spoor van het werk van existentieel filosoof en theoloog Paul Tillich. Tillichs’ standaardwerk over het onderwerp fascineerde hem daarbij en hij begon dieper te graven in diens belangrijke boek ‘De moed om te zijn’.

Al lezend ontdekte hij in het betreffende boek overigens weinig over het begrip ‘moed’ zelf. Hij leerde in ieder geval niet uit hoe hij ‘moedig’ kon zijn – maar hij had ook niet werkelijk verwacht dat hij zoiets al ooit zou kunnen leren vanuit een boek.

Wel leerde hij via het werk van Tillich de verschillende dimensies van zijn diep weggestopte angst kennen..

Het vervolg op deze blog lees je hier: ‘Angst en moed’


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought on “Liefde en vertrouwen

Geef een reactie