Dit is het tweede deel en vervolg op mijn eerdere blog ‘Liefde en vertrouwen’, een blog over de vraag wat er gebeurt als de liefde is gegoten in de vorm van een vermijdende hechting. En hoe vervolgens om te gaan met het innerlijke wantrouwen dat daarmee samenhangt.
Ik eindigde die blog met een eerste aanzet tot de analyse van de diepliggende, existentiële angst die (volgens mij) voortkomt uit dat gewortelde wantrouwen bij de vermijding. In deze blog wil ik nu, de hand van het werk van de existentieel filosoof en theoloog Paul Tillich (1886-1965) en diens diepgravende analyse van het begrip ‘angst’, laten zien dat de omgang met een innerlijke vermijdende hechting geen kwestie kan zijn van enkel het kweken van – en werken aan – vertrouwen.
De reden daarvoor ligt in de uit die bestaansangst voortvloeiende neurose. Wat deze neurose is en inhoudt, zal ik toelichten aan de hand van het werk van psychoanalytica Karen Horney. Daarbij zal ik ook laten zien dat de neurose en vertrouwen elkaar in aard juist uitsluiten. Vertrouwen kan de existentiële angst dus niet bestrijden.
Maar wat dan wel? Hoe moet je dan leren om te gaan met een eigen vermijdende hechting? Het antwoord ligt uiteindelijk in het werken aan een diepe, ongebreidelde moed…

Tillich’s analyse van ‘angst’
Vanuit het tragische besef dat zijn liefde, ondanks alles, gekenmerkt werd door een diepgeworteld wantrouwen, was hij tot de ontdekking gekomen hoe zeer zijn leven geleid werd en doorweekt was door een onderliggende angst. Om die angst te onderzoeken was hij op zoek gegaan naar auteurs die hem konden helpen om zichzelf met zijn angst te begrijpen.
Een auteur die hij daarbij ontdekte, bood hem een bijzonder verhelderend inzicht in zijn lijden. Het was het werk van existentieel filosoof en theoloog Paul Tillich en diens boek ‘De moed om te zijn’. Tillich’s boek hanteerde een diepgravende analyse rond het begrip ‘angst’.
Aan de hand van Tillich’s analyse van het begrip ‘angst’, ontdekte hij het vocabulaire waarmee hij woorden kon geven aan een gevoel dat hem al zo lang beheerste, maar waar hij nooit goed de vinger op had kunnen leggen. Het was het gevoel dat zijn angst in feite die toestand was, waarin een mens zich bewust was geworden van diens mogelijkheid van een alomvattend, vernietigend ‘niet-zijn’.
Dat klonk wellicht theoretisch: niet-zijn. Maar dat was het voor hem niet. Het was heel concreet. Het was de leegte om hem heen, het was de werkelijkheid buiten hem, het was het zwart voorbij de sfeer waarin hij nog net kon ademhalen. Het ‘Niet-Zijn’ was wat school aan de buitenzijde van zijn adem – het was het vacuüm dat hem omringde.

De angst van het bestaan
Deze betekenis van het begrip angst resoneerde in zijn wezen. Alsof het onverwacht de woorden gaf aan een gevoel dat hij zijn hele bestaan woordeloos met zich mee had gedragen. Het was een angst die verbonden was aan zijn vorm van liefde, aan zijn gehechtheid aan de wereld die hem omgaf.
Zijn angst en zijn wantrouwen waren in wezen één en dezelfde: het waren uitingen van zijn diepliggende vermoeden van het immer aanwezige ‘niet-zijn’. Dit ‘Niet-Zijn’ raakte onverwacht aan de kern van zijn bestaan. De gewaarwording ervan was voortdurend aanwezig in de onderstroom van zijn wezen – een angst voor zijn eigen non-existentie.
Het was een alom aanwezige, diepgewortelde angst dat hij opgeheven kon worden – en dat daar niets tegen gedaan kon worden. Dat zijn wil te bestaan niet telde. Dat hij net zo goed niet had kunnen bestaan.

Deze angst was ook niet perse verbonden aan een vorm van ‘lafheid’, het was geen angst die vluchtgedrag in zich droeg. Het had niet de verschijningsvorm die men kent uit films of uit boeken. Het was juist niet de angst die hoorde bij een plotseling optredende paniekaanval – het was geen verschijnsel van psychosomatiek. Het ging niet gepaard met trillingen, bevingen, met uitspatters of met geschreeuw.
Deze angst had geen woorden. Het was een angst die door zijn wezen zweefde, door zijn bloedvaten stroomde. Het was een angst die hij diep in zijn buik voelde, immer aanwezig, zo vanzelfsprekend als zijn harteklop. Sterker nog, hij had deze angst zo lang met zich meegedragen dat het voor hem áls zijn harteklop was gaan voelen – zijn angst was een genesteld onderdeel geworden van zijn bestaan.
Het was een existentiële angst in dubbele zin. Het was een angst vóór het bestaan. En het was een angst ván – dat wil zeggen: als onderdeel van – het bestaan.

Vier vormen van angst
Deze angst was ook, zo leerde hij van Tillich, uiteindelijk géén ‘abstracte’ bewustwording van de universele vergankelijkheid van de wereld. Het werd niet voortgebracht door de nabije ervaringen van de dood van andere mensen – een dood die hij toch zeker enkele malen in zijn omgeving had meegemaakt.
Deze angst was het besef – het onwerkelijke, allesdoordringende, en voortdurend aanwezige, maar onbewuste weten – dat hij zelf zou moeten sterven. Waarbij dit ‘moeten’ voorbij ging aan de natuurlijke verloop van dingen. Het was geen ‘moeten’ in de logica van ‘hoe de natuur zijn weg vindt’. Het was juist een ‘moeten’ in de zin van een ‘verplichting´ – een drift, een innerlijke drang – een ‘moeten’ dat bijna een verlangen was. Een verlangen, dat hem echter tegelijk vervulde met angst.
Het was een angst voor zijn eigen eindigheid. En vooral dan een eindigheid die in feite nooit iets betekend zou hebben, voor het leven, voor de wereld, voor wat hem omringde. Het was angst voor een betekenisloos einde.
Tillich onderscheidde daarbij voor hem vier vormen van angst die hij onverwacht allemaal herkende in zichzelf:
- Angst voor het noodlot en de dood
- Angst voor zinloosheid en leegte
- Angst voor schuld en oordeel
- Pathologische angst als neurose

Angst voor het noodlot en de dood
Allereerst was er de angst voor het noodlot en de dood. Deze angst, zo beschreef Tillich, was fundamenteel en onontkoombaar – dat wilde zeggen: het was een angst die niet weg te redeneren was. De dood zou niet met een of andere rationele logica kunnen verdwijnen.
De aanduiding van ‘noodlot’ drukte in deze angst bovendien het ‘toevallige’ karakter ervan uit. Dat wilde zeggen: het einde was onvoorspelbaar. Als wezenlijk aspect van de dood is het immers onmogelijk om er een zin of bedoeling in te doorzien. Noodlot vormde voor Tillich het woord dat de wet der toevalligheid tot uitdrukking bracht.
Daarmee omschreef het voor hem ook de angst voor dat lot. Een lot dat rustte in het besef dat zijn eigen bestaan – in elk opzicht, in essentie en wezenlijk – toevallig was. Er zat geen diepere betekenis achter. Zijn bestaan miste iedere fundamentele noodzakelijkheid. Er was geen echte reden voor zijn bestaan.
Hij besefte vooral dat geen enkele geruststellende uitspraak die angst in feite kon betwisten – hij miste het vertrouwen. Hij bezat niet de juist vorm van liefde om zich daarin gerust te laten stellen.

Angst voor leegte en zinloosheid
Ten tweede was er een angst voor leegte en zinloosheid. De angst voor de zinloosheid was de angst voor het verlies van een bovengaand, alomvattend doel dat aan alle doeleinden zin en betekenis geeft.
Deze angst, zo vertelde Tillich hem, werd veroorzaakt doordat men het geestelijke middelpunt was kwijtgeraakt. Men had niet langer meer antwoorden – zij het symbolisch of indirect – op de vraag naar wat de bedoeling van het bestaan kon zijn. Tegen de achtergrond van deze zinloosheid wachtte vervolgens enkel de leegte, zoals de dood de achtergrond vormde van de onbestemdheid van het noodlot.
Ook deze angst herkende hij ten diepste. Die herkenning kwam niet alleen door de blik om hem heen te werpen. Het was niet alleen de leegloop van de kerken, het verval in een onbestemd maatschappelijk nihilisme zonder inhoud, of de toenemende onrust vanuit opkomende migrerende religies die hem weinig zeiden, die voor hem die leegte en zinloosheid representeerden. Het ging dieper dan dat.

Hij was zijn wortels kwijt. Hij kon zijn blik nergens echt op richten. Hij kon nergens in geloven. Met het vervallen van zijn geloof in de liefde, met zijn wantrouwen, was hij het vermogen verloren om inhoud en zin te kunnen geven aan het leven. En dat vervulde hem met een onderlaag van doodsangst.
Zo leidde de angst voor de leegte hem dieper in de afgrond van de zinloosheid. Hij viel in die afgrond, steeds dieper. En hoewel hij als een wild dier poogde zich vast te klampen aan waarden, aan standaarden, aan normen en deugden als vertrouwen en moed, besefte hij onderliggend dat het allemaal hol was. En in een fataal ogenblik keek hij in die leegte – en had los gelaten.
Zijn eigen fatalistische doodsdrift – vermomd aan de ene kant als een lethargische houding van onverschilligheid of, aan de andere kant, als een exorbitant vermogen tot bijna destructief hedonisme – was dan ook slechts de uitdrukking van existentiële zelfvervreemding. Het was de desintegratie van het geestelijke leven in de zinloosheid.

Angst voor schuld en oordeel
De derde vorm van angst, zo ontdekte hij aan de hand van het werk van Tillich, was de angst voor schuld en oordeel. Het menselijke zijn was, volgens Tillich, voor de mens niet alleen gift, maar ook een opgave.
De mens is, aldus Tillich, verantwoordelijk – letterlijk. Hij is verplicht om te antwoorden, wanneer hem wordt gevraagd wat hij van zichzelf heeft gemaakt. Degene die hem deze vraag stelt, is namelijk zijn rechter: en hijzelf is het die oordeelt. De mens staat daarbij als mens tegenover zichzelf.
Hij herkende daarin zijn eigen ontdekking, dat hij ooit de woorden waar het allemaal begon in feite niet had gesproken tegen een willekeurige geliefde Ander, maar tegen zichzelf had gesproken. En hij herkende het gevoel dat die woorden hem nu doordrongen, met een diepliggende angst voor schuld en een angst voor zelfverwerping.
Want had hij met zijn woorden – “Ik ben aan je gebonden, maar ik wantrouw je” – niet in feite voortdurend vlijtig de poten onder de eigen stoel vandaan gezaagd? In al zijn handelen, in al zijn bestaan? In hoeverre had hij zo, met zijn eigen wantrouwen, zijn eigen potentieel ondermijnd? De angst die hij voelde was het antwoord op die vraag, besefte hij tot zijn eigen verbijstering. Zijn eigen wantrouwen had zijn potentieel laten zinken in een zee van existentieel drijfzand.

De wanhoop van de mens
Deze eerste drie typen van angst – angst voor dood en noodlot, angst voor zinloosheid en leegte en angst voor schuld en oordeel – waren volgens Tillich onderling verweven. Ze waren in hun fundamentele eenheid dan ook existentieel van aard. Dat wilde zeggen: ze waren besloten in het bestaan van de mens áls mens – in zijn eindigheid en in zijn vervreemding. En samengebundeld vormden ze de persoonlijke wanhoop van ‘de mens’.
Maar er was nog een vierde vorm van angst. Deze angst vormde de meest ‘particuliere’ vorm van angst. Het was niet de existentiële angst die met het bestaan van de mens was meegegeven. Deze angst was juist gelegen in de gewaarwording van particuliere, onopgeloste conflicten tussen sommige structuurelementen van de persoonlijkheid zelf.
Tegelijk hing deze vierde vorm van angst wel degelijk samen met de eerdere drie existentiële angsten. Het verband school er, aldus Tillich, in dat de drie eerder genoemde angsten, angsten waren zonder feitelijk ‘object’. Er kon immers wel gezegd worden: angst voor het ‘Niet-Zijn’ – maar wat is dat, wat duidt het aan?
Deze angsten waren daarmee dermate onbestemd van aard dat ze zo onverdraaglijke werden, dat het onbewust, om niet volledig ten onder te gaan aan de angst, een noodzakelijke uitweg zocht. En deze vond in de pathologische angst – dat wil zeggen: in een angst met een object.

Pathologische angst: de neurose
Om te kunnen ontsnappen aan de existentiële angst werd er een vlucht gedaan in wat Tillich omschreef als ‘de neurose’. Want, zo stelde Tillich:
“De neurose is de weg waarlangs de mens de angst voor het niet-zijn vermijdt, namelijk door het zijn – dat wilde zeggen: door het leven zelf – te vermijden.”
De ‘neurose’ is een aanduiding voor een psychische aandoening die binnen de hedendaagse psychiatrie officieel niet meer bestaat of kan worden herkend, omdat er geen aanduiding voor bestaat. De aandoening is niet meer opgenomen in de psychisch diagnostische ‘bijbel’, de DSM-V. Feitelijk bestaat de neurose al niet meer sinds 1980, sinds de DSM-III. (Ter tussentijdse kennisgeving: de neurose is dan ook níet gelijk aan de ‘dwangneurose’, ook wel bekend onder OCD – Obsessive Compulsive Disorder).
Wie zich echter voor die tijd nog uitgebreid bezig had gehouden met het ontwikkelen van een eigen theorie over de neurose is de feministische psychoanalytica Karen Horney (met een wellicht wat ongelukkige achternaam – je spreekt het uit als Hor-néé). Zij heeft meerdere boeken over het onderwerp geschreven, waaronder het werk ‘The neurotic personality of our time’. (Tussendoor: een interessant artikel over de neurose vanuit Jungiaans perspectief lees je hier)

De neurose is, voor Horney en voor Tillich – een toestand van chronische lijden, veroorzaakt door een innerlijke botsing van onbewuste conflicten, met een verlammende – en soms/vaak zelfs een destructieve – uitwerking op het leven. Voor Horney was de neurose daarbij een angststoornis die voortkwam uit de interpersoonlijke relaties.
Nu loopt ieder mens in zijn leven wel aan tegen innerlijke conflicten – bijvoorbeeld conflicten tussen verschillende driften in de persoonlijkheid, tussen de ervaring van de werkelijke wereld en de gedroomde wereld, tussen het verlangen om door mensen en de samenleving aanvaard te worden en juist de ervaring erdoor verworpen te worden.

De gevangenis van de neurose
Bij de gezonde mens lost deze het conflict uiteindelijk op door een reële beslissing te nemen en daarnaar te handelen – ook al valt deze keuze diegene wellicht zwaar en houdt de keuze in dat hij of zij ergens anders afstand moet doen en om dat afscheid zal moeten rouwen. De mens die lijdt onder de neurose wordt echter overspoeld door zijn conflict en kan die keuze niet maken.
Horney omschrijft het als volgt:
“De neuroticus, overspoeld als hij is door een conflict, is in zijn keuze niet vrij. Hij wordt in tegengestelde richtingen gedreven door krachten die elkaar in dwingendheid niets toegeven, en hij wil eigenlijk geen van beide volgen. Daarom is een beslissing, in de gebruikelijke zin van het woord, niet mogelijk. Hij zit hopeloos klem.” (citaat ontleend aan ‘Onze innerlijke conflicten’, Karen Horney, 1945)
In die omschrijving herkende hij zijn hele bestaan. Hij had een groot deel van zijn leven het leven proberen te vermijden – en deed dat door halsstarrig, dwangmatig gedrag te herhalen en te herhalen en te herhalen, zonder werkelijk verder te komen. Hij zat klem, zat gevangen in een zelf gecreëerde gevangenis van dwangmatig gedrag zonder uitweg of voldoening. Hij herkende zichzelf in de omschrijving van Horney:
“Onder zijn eigen stress was hij vervreemd geraakt van zijn ware zelf, waarbij hij een groot gedeelte van zijn energie had gericht op het vormen van zichzelf, door een rigide systeem van innerlijke geboden…

Het leven vermijden: de pathologische angst van de neurose
Met het ‘neurotische’ vasthouden aan gedragsschema’s en andere kunstmatige morele geboden van doen en niet-doen (sec: het ABCD-overzicht van vertrouwen bijvoorbeeld) vond hij zichzelf bijna één-op-één terug in die omschrijving van de neurose door Horney.
En tegelijk was, zoals Tillich aangaf, deze pathologische angst van de neurose, in feite existentieel van aard. Dat wilde zeggen: zijn neurose, als uiting van een pathologische angst, was in feite een angst die hij onbewuste gebruikte om de existentiële angst zelf te kunnen bezweren.
Met andere woorden:
Hij vermeed zijn angst voor het Niet-Zijn, door niet te leven. En dit ‘Niet-Leven’ bewerkstelligde hij door zichzelf volledig klem te zetten in de onbewuste conflicten die zijn neurose vormden.

Het verslavende verlangen te vluchten
Gevangen in zijn eigen neurose, verslaafd aan zijn verlangen te vluchten, had hij aldus voortdurend geprobeerd zijn eigen existentiële angst te bezweren. Een diepgewortelde angst die hij alleen maar bevestigd had gezien in zijn eigen handelen: dat hij niet te vertrouwen was. Dat hij niet geliefd kon zijn. Dat hij het in feite niet verdiende te leven.
Wat hij kreeg in reactie op zijn eigen gedrag was als het ware de voortdurende – negatief omkerende – bevestiging van waar hij naar streefde: zijn verwrongen vorm van liefde (ik hecht me), weerspiegeld in een diepliggend wantrouwen (‘ik vertrouw mijn bestaan niet’).
Zo beheerste hij zijn angsten in feite door ze dan maar ‘uit te laten komen’. Hij zette zichzelf volledig klem en kwam niet langer vooruit – en vermeed zo te leven. Dit nu, zo stelde Tillich het zelf, vormde voor hem:
“De burcht waarbinnen hij zich heeft teruggetrokken en die hij met alle middelen van zijn psychische weerstand verdedigt tegen aanvallen…”

Vier soorten van wezenlijke angsten die hem jarenlang hadden geleid, die zijn bestaan hadden doordrongen. En ze waren pas bewust geworden, langzaam zichtbaar geworden, toen eindelijk, na jaren, die eerste woorden opnieuw op zijn deur klopten: “Ik heb je lief. Maar ik vertrouw je niet.”
Hoe nu verder? Hoe om te gaan met die angsten? Als hij niet langer klem wilde zitten, als hij het leven aan wilde gaan: wat was dan zijn weg naar buiten, uit zijn zelfgebouwde burcht?

Angst als psychosomatiek
Paul Tillich gaf een opvallend antwoord in zijn essay – opvallend, zowel in de aard van het antwoord, maar vooral ook in ruimdenkendheid voor die tijd (Publicatie van Tillich’s werk ‘De moed om te zijn’ vond plaats in 1955). De kern van de vier angsten – niet alleen de pathologische maar ook de existentiële – zo gaf Tillich aan, waren in wezen psychosomatisch van karakter. Waarmee hij bedoelde: deze angsten kenden dus een biologische basis.
Angst was als een bewaker, zo stelde Tillich in zijn betoog. Een bewaker die voor de levende de bedreiging van het niet-zijn signaleerde. En zo afweer en weerstand tegen deze bedreigingen mogelijk maakt. Zonder deze angst, kortom, zou geen enkel wezen in leven kunnen blijven. Angst, met andere woorden, hoorde bij (de biologie van) het leven. De angst kon niet worden weggenomen – dat zou immers in feite het wegnemen van het leven zelf zijn (iets wat de neuroticus zelf met zijn gedrag bewees).
Nu kan je geluk hebben. De biologie van het leven schrijft – zo hadden Bowlby en Ainsworth bewezen met de ontwikkeling van hun hechtingstheorie – voor dat ieder mens zich hecht als zuigeling. Als het leven je toevalt, dan is die biologisch bepaalde vorm van hechting ‘veilig’ – dat wil zeggen: het is in vertrouwen voorgegeven. Vertrouwen en ‘veilige hechting’ hangen dus samen in de biologie.

Vertrouwen is niet de weg
Maar het wantrouwen en de onveilige hechting hangen in dat geval eveneens samen in de biologie! Het wantrouwen en de bestaansangst die eruit voortkomen, zijn in essentie dus net zo biologisch bepaald als het vertrouwen en de liefde dat zijn.
Vertrouwen te zetten tegenover het wantrouwen is daarbij onzinnig. Het heeft immers geen zin om te werken aan een biologie van vertrouwen, als de biologie een basaal ‘wantrouwen’ heeft ingebouwd. Je kunt de éne basis niet gaan vervangen door een andere. Dat is een ruil die niet werkt. Er kán feitelijk niet geruild worden.
Je heft daarom de neurotische conflicten uit het onbewust niet op door te werken aan vertrouwen. De beklemming die samenhangt met de neurose waar iemand onder lijdt als hij geleid wordt door existentiële en pathologische angst, wordt niet opgeheven door de poort van de burcht te openen en te zeggen: “Kom maar, vertrouw de wereld maar. Het komt wel goed.”
Het basale wantrouwen – als biologisch fundament – zal het in dat geval altijd winnen. Sterker nog: het zal waarschijnlijk nóg beter z’n best doen om te bewijzen dat het leven niet te vertrouwen is – desnoods met allerlei vormen van zelfsabotage, met alle mogelijke afschuwelijke, destructieve gevolgen van dien.
Maar wat opent de poorten dan wel?

De moed om het wantrouwen te aanvaarden
Tillich stelt tegenover het ‘vertrouwen’ de moed. Om te kunnen zijn, zo stelt Tillich, heb je geen ‘vertrouwen’ nodig. Om te kunnen zijn, heb je moed nodig. Moed, dat wil zeggen: de aanvaarding dat aan de andere kant van de poort het Niet-Zijn schuilt. Moed, zo stelde Tillich, draait om aanvaarding.
Vertrouwen draagt in zich dat er altijd ook iets van een ‘illusie’ in schuilt. Vertrouwen zegt: “Doe het maar, het komt wel goed”. En verzwijgt, bedekt en fantaseert met die uitspraak dat de mogelijkheid dat het mogelijkerwijs níet goed komt, eigenlijk niet zou bestaan. Er zit altijd een dimensie van ‘doen alsof’ verscholen in ‘vertrouwen’. Het ‘ogen dicht en lopen maar’ sluit altijd een deel van de werkelijkheid – de mogelijkheid van het risico – buiten.
Wie vanuit de vermijdende hechting geconfronteerd wordt met de existentiële angst, ontdekt helaas – vaak veel te vroeg – de realiteit van het zijn: “Doe het maar – en er is een even grote kans dat het misschien niet goed komt.” De realisatie van het Niet-Zijn, zoals Tillich die noemde, is dan ook geen illusie. Het is geen ‘irreële angst’. Het is geen ‘negativiteit’: het is de werkelijkheid.
De werkelijkheid omvat immers niet alleen een veilig en warm zijn. Het omvat ook al het andere. Niet-Zijn bestaat. De dood en het noodlot bestaan. Leegte en zinloosheid zijn. Schuld en oordeel vallen.

The only way out, is through….
De enige echte weg naar buiten is dan ook, het ‘opeten van de angst’. Dat is uiteindelijk wat de moed van ons vraagt. Wat ‘Moed’ werkelijk is. Tegenover angst staat niet vertrouwen. Tegenover angst, staat de moed!
De moed om deze angst te aanvaarden, in al haar gruwelijke vormen, in de vorm van dood, van noodlot. Van leegte, zinloosheid, schuld en oordeel. Aanvaarding van de inspanning van het leven, van onveiligheid, van pijn, van de mogelijke ondergang in het bestaan.
De enige mogelijkheid uit de neurose, is de conflicten te aanvaarden en ermee te leven. Het leven kan zich uiteindelijk niet handhaven zonder deze aanvaarding van angst. Angst hoort bij ons. Het is er, ook als je denkt dat het er niet is.

Als je geluk hebt, dan mag je schuilen in de warmte van de illusie van vertrouwen – dan mag je je hechten op een manier die warmte brengt en veiligheid schept. Maar de realiteit is die van het lot. We hebben het niet altijd voor het zeggen. Er zijn meerdere vormen van hechting. De liefde is niet altijd warm. De liefde kent niet altijd vertrouwen. Ons bestaan is niet altijd veilig. Existentie is noodlot, het komt ons toevallen.
Werkelijke moed draaide dan ook wezenlijk om aanvaarding van de angst, zódat het leven kan beginnen.
Om te kunnen bestaan, om te zijn, hebben we van ook vooral moed nodig. Moed om onze angsten onder ogen te zien en ze in ons op te nemen.
En vooral: de moed om te veranderen, wanneer we dat kunnen…

Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought on “Angst en moed”