Over de mystieke plicht tot totale beschikbaarheid van Simone Weil en de resonante ongrijpbaarheid van het onbeschikbare van Hartmut Rosa (deel 2)
In deel 1 van deze blog ben ik, aan de hand van een wetsvoorstel over de bereikbaarheid buiten werktijd, diep ingegaan op het denken van Simone Weil. Ik besprak haar ideeën ten aanzien van arbeid en haar idee van de totale beschikbaarheid als toegangspoort tot de werkelijkheid van het goede. Wet, recht, noch opgelegd gesprek in het kader van de beschikbaarheid, zo concludeerde ik, zal voor Weil gaan over wat werkelijk van betekenis is. Wat van betekenis is, raakt in zichzelf immers aan de as waar alles rond draait: het scheppen van tijd en ruimte voor de Ziel. (Je leest dit eerste deel hier)
Het denken van Weil is daarmee niet alleen spiritueel actueel van betekenis. Het vormt ook een radicale maatschappijkritiek die in onze huidige tijd van betekenis is. Een meer actuele denker sluit uit onverwachte hoek opvallend dicht aan bij het denken van Weil. Het gaat dan over het denken over de Resonantie en het daarmee samenhangende concept van de Onbeschikbaarheid, doordacht door socioloog en politicoloog Hartmut Rosa, dat ik in dit tweede deel van deze blog bespreek. (Aantal woorden: 4311 – leestijd: 18 minuten)
Onbeschikbaarheid en ‘tot de wereld zijn’
Misschien is het goed om direct één verwachting uit de lucht te halen. Hartmut Rosa is geen spiritueel of theologisch denker. Hij wordt in Duitsland, waar hij hoogleraar sociologie is aan de Universiteit van Jena, wel ‘onthaastinggoeroe’ genoemd. Maar een goeroe is hij zeker niet. Wel biedt Rosa een gedegen analyse en kritiek op de sociale en maatschappelijke versnelling van de samenleving in de moderniteit (Ik schreef eerder over zijn kritiek van de versnelling in mijn blog ‘De vermoeide samenleving en de strijd om onze tijd’). Rosa is ook geen filosofisch denker. Hij is bovenal socioloog. Dat wil zeggen: hij onderzoekt nauwkeurig de sociale relaties en interacties tussen mensen.
Voor zijn essay ‘Onbeschikbaarheid’, dat ik in deze blog zal bespreken, gebruikt Rosa overigens wel een filosofisch uitgangspunt. Namelijk dat van de filosofische fenomenoloog Merleau-Ponty en diens idee van ‘tot de wereld zijn’. Om te begrijpen hoe mensen zich tot elkaar en tot de wereld verhouden, is het namelijk van belang om in te zien dat mensen altijd ín die wereld zijn geplaatst. Het betekent dat de er, bij de eerste vonk van ons ontwaken – zij het uit de slaap of zelfs vanuit de geboorte – een vorm van Aanwezigheid is buiten ons. Iets is er; er is iets aanwezig. Deze aanwezigheid kan, aldus Rosa, worden begrepen als de oervorm van wat wij gaandeweg gaan begrijpen, onderzoeken en ervaren als ‘wereld’.
Hoe verhouden we ons tot de wereld buiten ons?
Het is (denk ik) niet moeilijk om vanuit dit uitgangspunt direct te begrijpen waarom ik enerzijds de sociologische wortels van Rosa benadruk. En anderzijds zijn denken toch betrek op het filosofisch-spirituele denken van Weil (en op een waardevolle benadering van spiritualteit in algemen zin). Weil tracht door (o.a.) arbeid de toegangspoort te vinden tot dat ‘iets’ buiten ons. In zekere zin draait de hele theologie en iedere vorm van spiritualiteit – van klassiek religieus, tot esoterisch en new age van aard – om onze verhouding tot dat ‘iets buiten ons’.
Rosa duidt nu deze oervorm van ‘iets is er buiten ons’, sociologisch als de oorsprong van onze ervaren scheiding tussen subject en wereld. We verhouden ons, zo stelt Rosa, hoe dan ook tot een wereld die we tegenover ons vinden. Hij stelt vervolgens de vraag naar de aard van die verhouding. Welke vorm neemt deze verhouding aan? Is deze koud, onverschillig, aanlokkelijk of veelbelovend, vriendelijk en beschuttend? Hier begint voor mij de ingang tot de vraag:
Wat zou Hartmut Rosa eigenlijk vinden van een wetsvoorstel over de bereikbaarheid buiten werktijd, over een wettelijk initiatief dat aanspoort tot het aangaan van het gesprek tussen werknemer en werkgever over diens beschikbaarheid?
Oplossen, afwerken, regelen, doen: een basishouding van agressie
Hoewel Rosa uiteraard zelf geen antwoord geeft op deze vraag, biedt hij wel een voorspelling over wat vermoedelijk de aard van een dergelijk gesprek zal zijn. Hoewel ongetwijfeld op vriendelijke of in ieder geval beleefde wijze gevoerd, zal de onderliggende toon van het gesprek onderhuids er een zijn van agressie.
Daar schuilt overigens geen opzet, of een direct manifeste kwade bedoeling achter. Het is iets dat vooraf wordt ingegeven door de aard van de tijd waarin we leven. In onze laat-, of misschien zelfs al postmoderne tijd, is de verhouding waarmee we ons verhouding tot onszelf, tot de ander en tot de wereld, een houding van agressie geworden.
Wat aan ons verschijnt moet gekend worden. Het moet beheersd, veroverd en bruikbaar worden gemaakt. Deze agressieve, controlerende aard van onze verhouding tot de wereld gaat, zo schrijft Rosa, in historische, culturele, institutionele en economische zin enkele eeuwen terug. Maar deze houding is in onze 21ste eeuw wel geradicaliseerd. De noodzaak tot groei, optimalisering, concurrentie en instrumentalisering is toegenomen – en dat heeft directe invloed op de manier waarop we de wereld en de mensen om ons heen benaderen.
Bergen moeten worden beklommen, minnaressen moeten worden veroverd, examens moeten worden behaald, carrières moeten groeien. Onze dagen worden gereduceerd tot to-do-lijstjes die moeten worden afgewerkt. Ons lichamelijke energieniveau biedt daarbij misschien weerstand. En prompt richten we onze agressie daarop: het gaat om doen, regelen, wegwerken, beheersen, oplossen, afwerken.
Van belofte naar dreiging
Rosa stelt dat er zich sinds de 18de eeuw in de Westerse moderniteit op alle niveaus een institutionele verandering voltrokken heeft. Deze verandering maakt dat de basisstructuur van ons denken en van onze samenleving enkel nog door het idee van voortdurende groei in stand gehouden kan worden.
Groei is goed, stelt Rosa, maar kent een keerzijde. Want de voorwaarde van groei is inmiddels veranderd, van belofte in dreiging. Groei, versnelling en innovatie verschijnen niet langer als belofte van een beter leven, maar als een apocalyptische dreiging. (denk hierbij ook aan Weil, met haar met godslasterlijke namen overdekte vrouw uit de Apocalypse).
Narcisme en Codependency op macro-niveau
En net zoals op micro-niveau binnen de persoonlijke schizofreen-verslaafde relatie tussen een narcistist en een codependent de booschap begint met die van hoop op liefde van het narcisme – om vervolgens te verzuren in het gif van de wanhoop en verval voor de codependency – zo verzuurt op macro-niveau de belofte van maatschappelijke groei in een onderhuids gif in de samenleving.
De nieuwe categorische imperatief: wees beschikbaar!
Zeker dit laatste wordt op politiek niveaur steeds duidelijker en is razend actueel. Doordat moderne samenlevingen alleen kunnen stabiliseren in de modus van groei, zijn ze daarmee structureel gedwongen steeds meer van de wereld beschikbaar te maken in technologische, economisch en politieke zin. Maar net zoals bij het narcisme is de kern hol: ze beloven een beschikbaarheid die niet te geven is.
De onderliggende boodschap – enigszins paniekerig, en daarom steeds agressiever/ manipulatiever/ misleidender gebracht – is: het leven wordt beter als we erin slagen (meer) wereld binnen ons bereik weten te brengen
De nieuwe categorische imperatief van de postmoderne wereld – het dominante besluitvormingsprincipe van de actuele wereld – wordt daarmee: handel altijd zo dat je bereik in de wereld wordt vergroot.
Achterliggend is dit de basishouding waarmee we het gesprek aangaan als we gaan praten over onze beschikbaarheid!
Zoals Weil aanwijst dat recht altijd een basis heeft in geweld, zo laat Rosa zien dat macht ook altijd gaat over beschikkingsmacht. Macht manifesteert zich, aldus Rosa, altijd in de uitbreiding van het eigen bereik in de wereld – vaak ten koste van anderen, waarbij niet zelden het individuele bereik van anderen wordt beperkt om de eigen controle en beschikkingsmacht uit te breiden.
Het mysterieuze wijken van de wereld
Tegelijk treedt er iets bijzonders op in onze verhouding tot de wereld. Hoe meer we de beschikbaarheid van de wereld – van de ander en zelfs van onszelf – trachten op te eisen, hoe meer die wereld zich opstelt als onbeschikbaar. Dat zien we in het kleine en het particulier terug wanneer we ons lichaam bijvoorbeeld blijvend dwingen tot prestatie en groei.
Hoe gezond we ook proberen te zijn: als we proberen 72 uur achter elkaar te werken zegt het lichaam simpelweg: bekijk het maar. Je wordt onherroepelijk ziek. Mocht je alsnog proberen dat te ontkennen dan zegt de geest gedag en bestaat er het risico op permanente psychische schade. Er bestaat geen ‘mind over matter’. Het lichaam trekt zich simpelweg terug uit onze controle tot beschikbaarheid en trekt zijn eigen plan.
Onbeschikbaar ‘milieu’
In het groot zien we dat de wereld zich aan ons manifesteert als ‘milieu’ waarin we leven en waar we eigenlijk maar bitter weinig over te zeggen hebben. We stikken in de hitte, verdrinken in overstromingen, bergen verschuiven waar te veel mineralen worden geworven en een hele provincie zakt naar beneden en maakt hele huizen – plekken waar mensen wonen – onbeschikbaar, simpelweg omdat we gretig het gas dat eronder zit proberen beschikbaar te stellen.
‘Globalisering’ als onbeschikbaarheid
En als we het niet hebben over de fysieke wijken van de wereld in de vorm van milieu, dan treedt die onbeschikbaarheid wel op in het besef van de ‘globalisering’ – een politiek-economisch perceptie van de chaotische, gevaarlijke en oncontroleerbare buitenwereld die probeert binnen te dringen in onze beperkte wereld van het vertrouwde en beschikbare. De wereld manifesteert zich aan ons als bedreigend en griezelig – zeg maar gerust: het tegenovergestelde van ‘beschikbaarheid’.
Steeds meer en steeds vaker treedt de wereld naar voren als fundamenteel onbeschikbaar.
Vervreemding en angst voor het verlies van de wereld
De angst voor het verlies van de wereld, zo schrijft Rosa, is de fundamentele angst van de moderniteit. En zij wordt ingegeven door een fundamenteel gevoel van ‘Vervreemding’. Hier grijpt Rosa terug op de ideeën van Marx.
Dat is een grappige ervaring wanneer je de tekst van Rosa simultaan leest naast de tekst(en) van Simone Weil. Want, hoewel Weil Marx bekritiseert, schrijft ze toch voortdurend en duidelijk met Marx in het achterhoofd. Plotseling merk je dan onverwachte overlappingen op tussen het spirituele denken van Weil over arbeid en het sociologische denken van Rosa erover.
Vervreemding tegenover de wereld
Het denken van Marx wordt gedreven door de constatering van de vervreemding van de mens van de wereld tegenover hem: de verhouding van de mens ten opzichte van de wereld wordt bepaald door het feit dat we de wereld bewerken om ons haar toe te eigenen (ons te voeden, leren te maken, te huisvesten, etc). De stofwisseling met de natuur wordt daarom bij de mens, anders dan bij andere levende wezens, gekenmerkt door de arbeid – we transformeren de natuur.
De wereld verschijnt dus voor ons als datgene dat bewerkt moet worden. Het subject vormt zichzelf tegelijk in dit proces van het bewerken van de natuur. En deze gevormde mens verandert in de loop van de geschiedenis, omdat de toename van diens productievermogen verandert. Dit proces is echter in de moderniteit fundamenteel verstoord geraakt. Want wie onder kapitalistische omstandigheden werkt – grof gesteld: wie tijd ruilt voor geld (en wie doet dat eigenlijk niet, in deze moderne wereld) – is geen eigenaar van wat hij produceert, maar is vervreemd van het product van zijn arbeid.
Ontmoeting met de wereld in de vorm van geld
Omdat de mens echter evenmin de doelen, middelen en vormen van productie mag bepalen, is deze mens bovendien vervreemd geraakt van het productieproces en dus van het proces dat zijn hele wezen vormt. Voor Marx is arbeid de vader en natuur (of de aarde) de moeder van de mens. Daarmee is er sprake van een vervreemding van zowel vader als moeder, tegelijk.
De kern van het menselijke bestaan – de ontmoeting met het zelf en met de wereld in de arbeid – wordt volgens Marx een louter outerlijk middel van bestaan: het wordt gereduceerd tot een dienst voor geld. Maar ook de relatie tot de sociale wereld is vervreemd: mensen bevinden zich in constante concurrentie met elkaar, wat een latente vijandigheid met zich meebrengt. Gevolg is een onherropelijke zelfvervreemding.
Ontmoeting met de wereld in de vorm van absurditeit
Op het grensvlak van literatuur en filosofie definiteert Albert Camus deze ervaring van latente vijandschap en zelfvervreemding tussen wereld en mens als de geboorte van het Absurde in de moderniteit. De absurditeit schuilt in het feit dat we de wereld in zijn essentie niet kunnen kennen of bereiken – en dus moeten berusten in een principiële onbeschikbaarheid van de wereld.
De perceptie van het absurde is dat de wereld ondoorzichtig is, dat de wereld ons vreemd is, een ondoordringbaar brok rots. Natuur of landschap kan ons, al onze inspanningen ten spijt, volledig en volstrekt negeren. De wereld laat zich niet manipuleren. En deze primitieve absurditeit van de wereld treedt ons al duizenden jaren, steeds opnieuw, tegemoet. En misschien zit de werkelijke absurditeit vervolgens niet verborgen in het feit dat wij niet kunnen doordringen tot de wereld – maar in het feit dat we dit vergeten, ontkennen of – nog erger – willens en wetens pretenderen dat we het wél kunnen.
Hier precies begint ook de overlap met de spiritualiteit van Weil, inclusief de Absurditeit (denk aan ‘Elle est foll!‘) ervan. Weil wist heel goed dat het onmogelijk was door te kunnen dringen tot het Goede, om te raken aan de kern in de realiteit van het werkelijke – maar ze wist ook dat ze het steeds opieuw moest proberen, om het niet te vergeten. En dus ook nooit te pretenderen dat ze dat wél kon.
Hier begint denk ik ook een fundamenteel misverstand – en zelfs volledig onbegrip – van het populaire denken over de spiritualiteit van Weil – het staat immers haaks op het hele denken van de moderne tijd: De stelling van Weil was nooit: ik kan. De stelling van Weil met heel haar leven en handelen was: ik moet het proberen, om te kunnen horen dat ik het niet kan.
De moderniteit loopt, aldus Hartmut Rose, precies het gevaar de wereld niet meer te horen en juist daardoor zichzelf niet meer te voelen. We willen helemaal niet horen dat we niet kunnen; de hele ervaring is onverdragelijk voor ons geworden. We weten niet hoe er mee om te gaan. De verhouding tot de wereld is daarmee echter een van fundamentele onverbonden vervreemding.
Wat is dan verbondenheid? Resonantie!
Is het dan wel mogelijk om wel een geslaagde verhouding tot de wereld aan te gaan?
Jawel, zegt Rosa. Hij draagt daarvoor het idee van de Resonantie aan. Resonantie maakt volgens Rosa duidelijk waarom de relatie tussen Beschikbaarheid en Onbeschikbaarheid van elemtentair belang is om te begrijpen wat de gevolgen zijn van de ongewinste ontwikkeling in onze moderne verhouding tot de wereld.
Vervreemding verwijst naar een toestand van een verhouding zonder verbinding – subject en wereld staan innerlijk los van elkaar, onverschillig, of zelfs vijandig tegenover elkaar. De kiem van deze agressieve houding ligt verborgen in deze verhoudingswijze in zichzelf: dát er subject en wereld bestaan – en dat deze zich tot elkaar móeten verhouden.
Agressie, zo stelt Rosa, wordt een probleem op het moment dat ze miskent dat subject en wereld niet eenvoudig bestaan als onafhankelijke entiteiten, maar dat ze pas ontstaan uit hun onderlinge verwantschap en verbondenheid. Precies dit aspect wordt vergeten, niet gehoord (in terminologie van Weil) of simpelweg – en naïef – ontkent.
Subjecten zijn echter altijd ingebed in, omhuld door, en verwant met, een wereld als geheel. Dit erkennen, herkennen, herinneren en gewaarzijn: hier ligt de sleutel tot verbinding.
Resonantie als het vermogen tot weerklank
“Ik erken mijn verwantschap met alle levende wezens, ik ben niets anders dan een vermogen om hun weerklank te geven, hen te begrijpen, te beantwoorden.”
– Maurice Merleau-Ponty
Ons vermogen tot resoneren vormt, aldus Rosa, de essentie van het menselijke bestaan en van alle verhoudingen tot de wereld. Het is niet alleen essentieel voor de menselijke psyche en diens socialiteit, maar ook voor de zuivere lichamelijkheid van de mens – d.w.z. hoe deze voelend en denkend, tactiel en fysiek, in wisselwerking treedt met de wereld. De grondmodus van het menselijke bestaan is niet over dingen te beschikken, maar om ermee te resoneren.
Hoewel hier al snel de neiging ontstaat om Resonantie te gaan zien als iets spiritueels, dat wil zeggen: als iets onzichtbaars, religieus misschien zelfs, is het dat, aldus Rosa, juist niet. Resonantie is geen emotionele toestand (geen substituut voor ‘manifesteren’). Het is geen metafoor voor een bepaalde ervaring. Het betreft juist een heel specifieke, aantoonbare relatie die we aangaan.
Resonatie gaat over:
- Het moment van aanraking (affecteren) – dat we inwendig bereikt, geraakt of bewongen worden
- Het moment van zelfeffectiviteit (respons) – dat er een eigen, actief antwoord plaatsvindt op deze aanraking, of op het appel (vaak een lichamlijke reactie – het gevoel van kippenvel, de nekharen overeind, de rilling over de rug). Met andere woorden: we reageren op een appelerende impuls en op datgene wat ons raakt en ons tegemoet treedt.
- Het moment van verandering (transformatie) – de verandering van onze verhouding tot de wereld is essentieel onderdeel van de Resonantie. Resoneren met de wereld betekent dat we niet hetzelfde blijven.
- Het moment van Onbeschikbaarheid – d.w.z.: resonantie kan niet worden afgedwongen of geïnstrumentaliseerd. Er is met andere woorden geen methode of stappenplan om te helpen met resoneren.
Hoewel resonantie zelf geen emotie ís, valt emotie er wel onder en is het een toepasselijke beschrijving wanneer het gaat over de responsiviteit die er onderdeel van is, aldus Rosa. De achterliggende etymologie van het woord < e-motie, van e-movere – de uitgaande beweging> drukt goed uit hoe levendig en effectief we met de wereld verbonden zijn wanneer er sprake is van resonantie. Er is sprake van een dialoog waarin twee sprekers naar elkaar luisteren, reageren en bovenal iets in de wereld teweeg bregen.
Wanneer iemand die we aankijken, ons aankijkt, dan resoneren we met hem, stelt Rosa. Het is een variant van Weil die stelt:
“Pas wanneer we tegen iemand die in staat is te horen kunnen zeggen: “Wat jij mij aandoet is niet juist,” pas dan en enkel dan, kunnen wij de geest van aandacht en liefde bij de bron treffen.”
Vijandigheid of uitdrukkingsloosheid roept daarbij dan ook een toestand van vervreemding op, zo geeft Rosa aan. En wie denkt geen affecterende werkzaamheid te hebben, wie de ervaring nooit heeft gehad of vergeten is dat hij iets in staat is iets intrinsiek te raken en een reactie teweeg te brengen, zal zich dan ook beperken tot een agressief-manipuliatieve ontmoeting met de wereld van mensen en dingen.
Manipulatie als de schimmel op het sociale leven
Hier bevindt zich de ingang voor een antwoord op de vraag over een wet die gaat over beschikbaarheid buiten werktijd – of het gesprek daarover. Wil dat een vruchtbaar gesprek zijn, zal Rosa vermoedelijk antwoorden, is dat alleen mogelijk wanneer de voorwaarden van Resonantie er in meegenomen worden – en precies is dat onmogelijk.
Want resonantie valt – in de essentie van het begrip – juist niet te instrumentaliseren of manipuleren.
Voor de (post)moderne mens valt dit bijna niet te begrijpen. Wij zijn er zo gewend aan geraakt dat ‘alles’ zich laat manipuleren en instrumentaliseren, dat we het zijn gaan autimatiseren, tot in de kern van onze gedachte. Het is de schimmel geworden, aldus Rosa, die het sociale leven bedekt via het web van digitalisering, bureaucratische voorschriften en regulering, en de voortdurende drang tot optimalisering.
De eis tot beschikbaarheid vormt de kern van hoe de moderniteit spreekt, denkt en de wereld begrijpt (denk hierbij vooral ook aan die verwijzing van Weil naar het denken van Creon die staat tegenover – en niks begrijpt van – het denken van Antigone)
De fundamentele Onbeschikbaarheid van Resonantie
Juist deze vervreemding en een latente vijandigheid zijn inbegrepen in het hele denken áchter de wet – namelijk dat het noodzakelijk is om dit gesprek überhaupt te voeren. De uitdrukkingsloosheid van de kapitalistische ingang kenmerkt de achterliggende ontmoeting in de wet. Het zal deze hoe dan ook gruwelijk vervormen tot een manipulatieve-agressieve act.
Resonantie is fundamenteel onbeschikbaar. Het laat zich niet opeisen, precies wat er op kunstmatige wijze eigenlijk wel in en met het wetsvoorstel wordt geïmpliceerd. Het is het mooie jasje waarmee het wordt aangekleed: ‘het recht op onbereikbaarheid’. Maar de achterliggende grond is manipulatief – het vormt het dekkleed dat omhoog wordt gehouden om de sociale logica van onophoudelijke groei en (zelf)optimalisering slechts te bedekken.
Maar iedere houding die erop is gericht een deel van de wereld vast te houden, te beheersen en beschikbaar te stellen, is volgens Rosa juist onverenigbaar met resonantie – ze maakt de resonantie-ervaring zelf onmogelijk, omdat ze haar innerlijke dynamiek tot zwijgen brengt.
Tussen Beschikbaarheid en Onbeschikbaarheid
In feite kunnen we alleen resoneren met de wereld, zo stelt Rosa, als we een soort tussenbeweging maken tussen beschikbaarheid en onbeschikbaahreid. Er bevindt zich namelijk een ruimte tussen de fundamentele Onbeschikbaarheid van de Resonantie-ervaring als ónopeisbaar – en de principiële Beschikbaarheid van de dingen waarmee we in Resonantie treden, als toegankelijk.
Toegankelijkheid impliceert de principiële mogelijkheid om contact te maken, d.w.z.: een betekenisvolle, innerlijk ervaren verbinding tot stand te brengen. Het impliceert de ervaring dat datgene wat tegenover mij staat, bereikt kan worden. Het fundamentele conflict van de moderniteit zit dan ook, aldus Rose, in de categoriale verwarring tussen toegankelijkheid en beschikbaarheid. De moderniteit tracht voortdurend om toegankelijkheid om te zetten in beschikbaarheid.
Wat kan, dat moet! Optimalisering van het Quantified Self
Processen van zelfoptimalisering, voortschrijdende technische beheersing van de wereld, procesgerelateerde optimalisering en maximalisering zijn het gevolg van het (post)moderne adagium: ‘Wat kan, dat moet!’.
Het gevolg is dat zelfs het eigen Ik in feite een punt van agressie wordt. In een verscheidenheid aan zelfoptimaliseringpraktijken rekken we de grenzen van onze eigen beschikbaarheid voortduren op. In de meest radicale vorm zien we dat terug in de zogenoemde Qantified Self Movement.
Deze beweging vormt het summum van ons leven qantificeerbaar maken – en zo parametrisch beschikbaar maken: bloeddruk, polsslag, aantal stappen, bloedsuiker, calorie-innamen en -verbruik, slaap- en rustfasen, malotniene, serotonine – alles wordt gemeten. En we ontkomen er niet aan dat we, met deze gegevens nu beschikbaar, niet ook in de verleiding komen ze te gaan wijzingen en te gaan optimaliseren.
Zo wordt de relatie met onze eigen lichaamsprocessen omgevormd, van luisteren naar ons lichaam, naar technisch meten van ons lichaam, naar het optimaliseren ervan – en het beheersen ervan.
Loslaten en vertrouwen
Zoals aangegeven, Rosa is geen theoloog of religiewetenschapper. Zijn idee van Resonantie en de Onbeschikbaarheid is in essentie dan ook niet spiritueel bedoeld. Maar, zo geeft Rosa aan, het concept van de Onbeschikbaarheid stamt oorspronkelijk wel uit theologische context. Rudolf Bultmann opperde het begrip in een discussie met existentieel filosfoof Kierkegaard en het concept was van meet af aan bedoeld als afbakening tegen ideeën van een alomvattende technische beschikbaarstelling van mensen, wereld en leven.
De verhouding van mens ten opzicht van wat hem omringd – ten opzichte van wat je wereld, kosmos, universum, het Al of misschien ook wel mens/God kan noemen – die verhouding waarmee Rosa begon, is er uiteindelijk een die gekenmerkt wordt door tegelijk een openheid en ongrijpbaarheid.
We hebben eigenlijk enkel toegang tot die verhouding wanneer we onszelf een houding van Beschikbaarheid (Weil) aanmeten, maar tegelijk beseffen dat die wereld, in de woorden van Camus, ‘absurd ontoegankelijk’ of in essentie ‘Onbeschikbaar’ (Rosa) is.
Tegelijk geldt dat alle pogingen om de interactieprocessen te controleren (laat staan te optimaliseren) ertoe leidt dat Resonantie tot zwijgen wordt gebracht. Want resonantie vereist juist het loslaten van de ander en van het proces van de ontmoeting. En tegelijk het vertrouwen in het vermogen om de andere kant te bereiken en een responsief contact tot stand te brengen.
Iedere wet die zal proberen om deze interactie, ontmoeting en responsiviteit, op te leggen, laat staan af te dwingen, slaat dus – net als bij Simone Weil – slaan als een tang op een varken. Het is niet enkel een gruwel (Weil).
Het is simpelweg het plat slaan van de resonantie-relatie tussen mens en mens.
We zijn niet klaar met de werkelijkheid
Zowel Weil als Rosa laten zien: er bestaat onvermijdelijk en hoe dan ook, altijd een kloof tussen ons en de wereld. Of tussen ons en de ander die we proberen te begrjipen. Maar iets in ons moderne denken slaat dan onmiddelijk toe. Het lijkt de kloof niet te kunnen verdragen: deze moet beheerst, verslagen, opgeheven worden. Terwijl juist het leven verschijnt in die kloof, tussen wat beschibaar en onbeschikbaar is. Daar ligt de vitaliteit, de echte ervaring. Daar ontstaat de mogelijkheid tot de resonantie van Hartmut Rosa – of de aanraking van de werkelijkheid van Simone Weil.
We hoeven daarbij geen rormanticus, esotericus of zelfs maar wappie te zijn om te beseffen dat we nog lang niet klaar zijn met wat de werkelijkheid is. We zijn niet klaar met de wereld die ons tegemoet treedt – of de wereld is nog niet klaar met ons.
Uiteindelijk denk ik dat Simone Weil, noch Hartmut Rosa zich echt tegen wetten zijn die proberen bereikbaarheid buiten werktijd te reguleren. Weil was uiteindelijk vakbondstrijdster. Zij wilde dat het werknemers goed ging. En ook de maatschappelijke analyse van Rosa wijst niet voor niets op de voortdurende versnelling in het werkende leven. Rosa zal zich zeker niet zal keren tegen een vastgelegde mogelijkheid om die versnelling ten minste bespreekbaar te maken in het gesprek tussen werkgever en werknemer.
De geest van aandacht en liefde
Maar zowel Weil als Rosa wijzen er wel op dat een dergelijk wetsvoorstel gezien moet worden binnen de veel grotere context van een wereld die eigenlijk massaal roept: Er is iets mis!
Een initiatief dat gaat over de regulering van beschikbare (privé)tijd, is niet veel meer dan symptoombestrijding van een maatschappelijke ziekte die veel dieper gaat. Het is een ziekte die raakt aan onze mogelijkheid tot resonantie met de wereld. Het is een ziekte die niet langer ‘mogelijkerwijs’, maar actueel, in dit moment, onze Ziel aan het aantasten is.
Het is aan ons of we in staat zijn om die grotere context te kunnen horen. Of we die kloof tussen beschikbaarheid ein onbeschikbaarheid kunnen zien. En dan denk ik opieuw aan die woorden van Simone Weil:
“Pas wanneer we tegen iemand die in staat is te horen kunnen zeggen: “Wat jij mij aandoet is niet juist,” pas dan en enkel dan, kunnen wij de geest van aandacht en liefde bij de bron treffen.”
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.























One thought on “Beschikbaarheid en Onbeschikbaarheid (Hartmut Rosa)”