‘We zijn hier,’ sprak mijn scriptiebegeleider en veegde met die woorden mijn moeizaam getypte scriptiepagina’s van tafel, ‘een universiteit van middelmatigheid.’ Wat de begeleider bedoelde te zeggen was dat ik te veel mijn best deed: het kon beter, juist door mínder te doen. Minder woorden, minder complexiteit, meer evenwicht. Ik moest mezelf een beetje indammen. Met het woord ‘middelmatigheid’ doelde de docent niet op de negatieve connotatie van het woord, niet de ‘6-jes cultuur’, maar op de ‘middelmaat’ tussen extremen in. Niet een universiteit van alles en niets, maar vooral een universiteit van het ‘gouden midden’, van de discipline en de lange adem. Boeken doorploeteren, soms een succesje behalen, veel vaker echter niet, en daarbij de activiteit van studeren als ‘een goed an sich’ beschouwen. De academicus van het ‘midden’ stond immers wel op de schouders van reuzen, maar was zelf zeker geen reus.
Overbodig en afgekeurd
God, wat maakte die woorden me desondanks kwaad. Hondsdol werd ik ervan. Wat wilden ze toch van je, vroeg ik me wanhopig af. Ik voelde me door de docent opzij gezet en voelde me, zoals ik me ooit voelde toen ik een keer meedeed aan een studiestimulatieproject van de universiteit waarbij de hoofdtrainer de zaal tegemoet trad met de woorden: ‘Liever had ik gewild dat jullie hier niet zouden zitten.’ De studietrainer bedoelde waarschijnlijk dat hij graag had gewild dat iedereen ‘automatisch’ al topprestaties zou leveren. Maar eigenlijk wilde ik op dat moment opstaan, zeggen: “Nou, dan ga ik toch?’ en gaan. Overbodig. Ik voelde me overbodig, afgekeurd. Ik wilde helemaal niet middelmatig zijn. Mij was immers geleerd dat ik met middelmatigheid helemaal niks waard was. Dus: ik wilde presteren. Want dat werd er toch van me gevraagd?

De middelmaat van de lange adem
Of toch juist niet? Toch maar dat gemiddelde, die middelmaat van de lange adem? Ik begon een beetje in de war te raken en begon, eerlijk gezegd, Diederik Stapel, die hoogleraar Sociale Psychologie met al die vervalste onderzoeksresultaten, een beetje te begrijpen. Volgens mij was Stapel, net als ik en velen met mij, in de war gebracht door die alom aanwezige, dubbele standaard van enerzijds móeten presteren en anderzijds doen alsof die prestatie geen ‘prestatie’ was, maar eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld: een gemiddelde.

Kritiek van de middelmatigheid
In het boek ‘Brief aan een middelmatig man’ trekt Joep Dohmen, hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Humanistiek eveneens fel van leer tegen de ‘middelmatigheid’. Hij reageert op een brief die ene T. van H. naar het Volkskrant Magazine had gestuurd en waarin deze T. klaagde dat hij zich eigenlijk zijn hele leven lang had willen onderscheiden, maar inmiddels de 50 was gepasseerd en de middelmatigheid nog steeds niet ontstegen was. Dohmen windt zich flink op over deze instelling, want de mens is volgens hem precies moreel blut aan het raken door, enerzijds, een ‘Idols-mentaliteit’, die stelt dat je pas iets voorstelt als je anderen overstijgt (en precies die mentaliteit bespeur ik dus ook binnen de universitaire wereld – opnieuw moet ik aan Stapel denken). En anderzijds: een grenzeloze vrijheid die er paradoxaal genoeg toe leidt dat we stikken in de materiële weelde, maar ondertussen volstrekt depressief zijn en niet weten wat we met onszelf aan moeten (en helaas, ook dat is iets dat ik herken, al is het maar in het klein, want zo rijk ben ik niet, en nee, zo depressief ben ik evenmin.).

Niet kunnen kiezen
We ervaren middelmatigheid, aldus Dohmen, wanneer we niet meer weten waar we ons voor moeten inzetten – met als resultaat dat we ons overal en (nog vaker) nergens voor inzetten en ondertussen aan een voortdurend gevoel van zinloosheid lijden. De ‘middelmatigheid’ bestaat daarmee dus in feite, zou zou ik zelf willen stellen, erin ‘niet te kunnen kiezen’. En daarmee klopt het dan plotseling weer. Dan klopt de verwarring die ik van binnen voel als iemand tegen me zegt: ‘Wij zijn een universiteit van middelmatigheid’. Dat is immers geheimtaal voor: ‘Wij zijn een universiteit die niet kan kiezen.’ En dat geldt ook voor een man die een brief schrijft waarin die bekend dat hij bang is middelmatig te zijn. Hij is bang om te kiezen.

Kiezen als verplichting
Het lijden aan middelmatigheid is volgens mij het lijden aan de angst om te kiezen en daarbij mogelijk iets van waarde op het spel te zetten.Kiezen is immers ook je verplichten ergens voor in te zetten, zónder vooraf de uitkomst daarvan te kunnen bepalen. Succes is níet gegarandeerd. Maar als succes niet gegarandeerd is, wat is er eigenlijk nog van waarde? Wat is van waarde, zónder ‘succes’? Dat te bepalen is al een uitdaging op zich, dat geeft Dohmen ook toe. Hij adviseert echter om als ijkpunt voor wat van waarde is, onze relaties te gebruiken. Stel jezelf de vraag, zo stelt hij voor, wat jij betekent voor anderen? Wat betekenen anderen voor jou en wat kun je daar van leren?

Wat is van waarde?
Ik sluit me graag aan bij Dohmen. Het antwoord op de vraag: ‘Wat is van waarde?’ is immers niet, ‘het beste resultaat’. Het beste resultaat kan altijd overtroffen worden en is niet blijvend. Maar het is ook niet ‘middelmatigheid’. Het midden is een leeg begrip en kent geen substantie, juist omdat het voor ‘niet (durven) kiezen’ staat. Het midden staat nergens voor. En aan je relaties wil je ook nooit het woord ‘middelmatig’ verbinden, toch? (En als je dat wel doet, dan is het misschien tijd om je daar vragen bij te stellen.) Tegelijk zul je in je relaties echter ook nooit ‘de beste’ kunnen zijn. Je moet er aan blijven werken, ik tenminste wel. Het antwoord op de vraag ‘Wat is van waarde?’ ligt in de strijd die je bereid bent te voeren. En die strijd ligt nooit passief in het midden, maar in de actieve worsteling. Dus laten we daarom dat hele woord ‘middelmatigheid’ maar gewoon vergeten en overboord gooien. En ons richten op wat werkelijk van waarde is…

Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

