De Sokal-affaire

Het klinkt wellicht als de titel van een fictieve spionageroman: de Sokal-affaire. Het betreft echter een zeer feitelijke wetenschapsdiscussie die eind jaren negentig van de vorige eeuw veel stof deed opwaaien en die begon als een ‘grap’ van hoogleraar natuurkunde Alan Sokal.

Sokal stuurde een artikel vol onzinnige redeneringen en pseudowetenschappelijke termen naar een bekend academisch tijdschrift, Social Text, als experiment om te kijken of een goed in elkaar gezet, maar volstrekt onzinnig artikel, gepubliceerd zou worden door een tijdschrift, gespecialiseerd in postmodernistische theorie en cultuurkritiek. Op dezelfde dag dat het artikel in Social Text verscheen, publiceerde Sokal in een ander tijdschrift een brief waarin hij aangaf dat het hele artikel nep was en “een paorodie op links georiënteerd jargon met lichtzinnige referenties, hoogdravende citaten en totale nonsens”.

“Transgressing the Boundaries”

Het artikel had de prachtige, nietszeggende titel: ‘Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity’[i] en was door Sokal samengesteld uit reële citaten van vooraanstaande, vooral Franse, academici die op dat moment de belangrijkste stem van het postmodernisme vertegenwoordigden. Echter, de citaten waren in lukrake volgorde geplaatst en op volstrekt willekeurige wijze aan elkaar gepraat. Daarmee poogde Sokal aan te tonen hoe Franse postmodernisten en cultuurcritici als Lacan, Kristeva, Baudrillard en Irigaray, zich wellicht hulden in een imposant jargon van (pseudo)wetenschappelijke termen en concepten, maar daarachter eigenlijk volstrekt naakt waren: hun taal was leeg en had geen betekenis.

(Voor meer informatie over de hele Sokal-affaire, bekijk de volgende website, waar ook het oorspronkelijke ‘nepartikel’ van Alan Sokal te lezen valt: http://www.physics.nyu.edu/sokal/)

Nu ben ik zelf (vanuit mijn interesse voor psychoanalyse en cultuurtheorie) wel een beetje bekend met het werk van (o.a.) Lacan en Kristeva. Laat hierbij echter bij voorbaat één ding volstrekt duidelijk zijn: ik, voor mij, begrijp van de postmodernisten weinig. Van Kristeva vond ik haar boek ‘De vreemdeling in onszelf’ nog het meest ‘verstaanbaar’. Lacan heb ik op dit moment nog niet zelf gelezen, maar ik heb zijn werk vooral via andere auteurs, die Lacans werk uitleggen, leren kennen: vaak begreep ik er dan nog niets van. Juist om die reden ben ik dan ook geenszins voornemens hier een eigen oordeel te formuleren over wie wel of niet gelijk zou kunnen hebben in dit debat.

Geen idee

Wat echter wel interessant is – en wat volgens mij aansluit bij de reden waarom het nepartikel van Sokal er bij Social Text toch doorheen kwam – is de vraag: ‘Als ik eigenlijk niks snap van die auteurs, waarom belanden hun boeken dan toch steeds weer op mijn nachtkastje?’ Vanuit zelfanalyse zeg ik dan dat dit voornamelijk te maken heeft met de wens aanzien te bereiken, het verlangen iemand te zijn in andermans ogen, en een streven mezelf neer te zetten als ‘lid van de intelligentsia’. Ik wil simpelweg graag kunnen zeggen: Lacan? Ja, die heb ik gelezen en natuurlijk heeft hij gelijk als hij stelt dat iedere betekenis onophoudelijk verglijdt onder de reeksen betekenaaren.’ Ik wil het kunnen zeggen, maar ik kan het niet. Ik heb namelijk geen idee wat hij daarmee bedoelt.

Echter, omdat de wens ‘lid’ te kunnen zijn zo groot is – en wellicht is die wens simpelweg een uitvergroting van de eenvoudige, zeer menselijke wens om bij de gemeenschap te kunnen horen en niet uitgesloten te zijn – keer ik steeds weer naar terug naar wat ik niet begrijp, enkel omdat anderen het wél lijken te snappen. Steeds weer probeer ik Kristeva of Lacan te lezen, als een hond die blind cirkelend achter zijn eigen staart aan zit. Eigenlijk denk ik dat de redactie van Social Text destijds in essentie door dezelfde wens werden gedreven. De redactie van Social Text wilde, volgens mij, simpelweg kunnen zeggen: ‘Dat hebben wij gepubliceerd. Dat staat op onze naam. En omdat wij het gepubliceerd hebben ZIJN we iemand.’

Dat viel dus behoorlijk tegen.

Diederik Stapel

Toen ik las over de Sokal-affaire moest ik, opnieuw, denken aan voormalig hoogleraar Sociale Psychologie Diederik Stapel, die werd betrapt op fraude. Zoals ik al in een eerdere blog schreef: ik snap die Stapel eigenlijk wel (waarmee ik overigens alleen zeg dat ik zijn beweegredenen kan begrijpen: ik keur het bedrog absoluut niet goed!). Precies zoals ik die redacteuren van Social Text eigenlijk ook wel snap. Ik snap die behoefte aan en het verlangen naar status wel. En ook Sokal snap ik in die zin wel: veel meer dan enkel de politieke en intellectuele beweegredenen die Sokal aanvoerde voor het insturen van zijn nep-artikel, denk ik dat als motivatie vooral ook een zeer persoonlijk gevoel van onderwaardering speelde.

In essentie immers, toonde Sokal vooral aan dat de befaamde postmodernisten, met hun ingewikkelde, opgeblazen gebruik van natuur- en wiskundige termen in cultureel-wetenschappelijke context, hadden gefaald. Ófwel, ze hadden de termen die bij uitstek tot het vakgebied van Sokal behoorden niet (goed) begrepen, ófwel ze gebruikten ze lukraak. En vooral dát zette ongetwijfeld  kwaad bloed: studeerde je er een half leven voor, met veel bloed, zweet en tranen, terwijl een stel anderen, die totaal niet tot jouw werkterrein behoren, ermee gingen showen en bravoure mee haalden, terwijl ze de termen niet eens goed gebruikten!

Het sociale experiment van Diederik Stapel

In dat kader dacht ik ook nog korte tijd, toen de hele fraude van Stapel aan het licht kwam, dat het hele gebeuren misschien eigenlijk een grootschalig sociaal experiment was. Ieder moment, zo meende ik, kon Stapel naar voren stappen en zeggen: ‘Tadaa! Het was eigenlijk allemaal een groot experiment, opgezet om te kijken: (a) hoe lang het zou duren voordat iemand mij als autoriteitsfiguur niet langer serieus zou nemen en daarmee zou ontdekken dat ik mijn onderzoeksresultaten fingeerde en (b) wat dergelijk bedrog voor gevolgen zou hebben voor het vertrouwen van de samenleving in de (sociale) wetenschappen.

Want in feite had Stapel jarenlang gewoon zijn broek naar beneden getrokken en onze neuzen in zijn blote kont gestoken. Meer nog dan de fraude,  en meer ook dan alle studenten en promovendi die hij daarmee benadeelde, is dat misschien wel wat de hele academische en journalistieke gemeenschap nog het meeste stak: Wij geloofden hem, en niet zozeer omdat hij loog, maar vooral omdat we hem wilden geloven.

Zou Sokal niet hetzelfde hebben gedacht over een Lacan en een Kristeva? En wat zegt een dergelijke maatschappelijke behoefte te willen geloven, eigenlijk over de inhoud en betekenis van wetenschap?

“Science and technology revolutionize our lives, but memory, tradition and myth frame our response” – Arthur M. Schlesinger, Jr.

Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie