Enige tijd geleden was ik vast voornemens iets te schrijven over stilte. Al gauw echter, besefte ik dat ik met dit onderwerp in conflict was. Aan de ene kant wilde ik graag de stilte prijzen, ik wilde haar bezingen, haar pracht en praal blootleggen, haar kwaliteiten aan het licht brengen. Maar aan de andere kant was er voortdurend een terughoudendheid in me, vertegenwoordigd door een veel minder jubelende, vooral belerende stem, die in mijn achterhoofd voortdurend herhaalde: ‘Wie over stilte wil spreken moet zwijgen.’
In eerste instantie dacht ik dat dit conflict vooral voortkwam uit de ambivalente houding die de maatschappij vaak heeft ten opzichte van stilte. Aan de ene kant immers, romantiseert ze de stilte: stilte hoort bij gebed en meditatie, bij esoterie en retraite. Aan de andere kant echter, lijkt stilte juist gevaar te vertegenwoordigen, bijvoorbeeld het gevaar van vereenzaming en depressie. Stilte, vanuit dat perspectief, vormt dan een symptoom voor de aftakeling van sociale betrokkenheid en (daarmee) de geestelijke gezondheid.

De ambivalentie van stilte
Wie van stilte houdt, zo lijkt het oordeel al snel te zijn, moet dan ook vooral met behoedzaamheid, zo niet met argwaan, worden benaderd. Geen wonder dus, meende ik, dat ik blokkeerde. Door te schrijven over stilte, stelde ik me immers bloot aan al die ambivalentie. Mijn blokkade, elke keer als ik over stilte wilde schrijven, was in de kern dus gewoon een onbewuste beschermingsmaatregel tegen het gevaar dat ik me eventueel met mijn schrijven in een onwenselijke positie van zou manoeuvreren. Deze verklaring loste mijn blokkade echter niet op.
Om toch verder te komen, vroeg ik me vervolgens af of het misschien niet veel eenvoudiger lag. Misschien lag het conflict simpelweg tussen ideaal en principe. Enerzijds vind ik immers stilte een na te streven ideaal, dat bezongen mag worden. Maar anderzijds vind ik dat een ideaal vooral iets is dat nagestreefd en -geleefd moet worden: het ideaal wordt zichtbaar in het handelen. Stilte vraagt dan principieel om zwijgen en kán helemaal niet bezongen worden, omdat daarmee precies voorbij wordt gegaan aan wat stilte inhoudt. Stilte is immers juist de afwezigheid van woorden, het is de absentie van taal en klank.

Stilte als het opheffen van het menselijk spreken
Daarmee bedoel ik overigens niet te willen beweren dat stilte ook het ontbreken is van geluid. Geluid is er altijd, klanken zijn er, waar we ook zijn. Wie de stilte zoekt bij een mindfulness-oefening, wordt zich er vaak maar al te zeer bewust van hoeveel geluid er eigenlijk is: het zoemen van de TL, het tikken van de leidingen, auto’s die in de verte langsrijden. En wie de stilte zoekt in de natuur, vindt vooral het tegenovergestelde: overal is geluid – zowel binnen ons (zo niet het kabaal van alle eigen gedachten, dan wel het ruisen van het bloed in de eigen oren of de eigen ademhaling), als buiten ons (het ritselen van bladeren, de echo van de wind).
Stilte vat ik dus niet op als het ontbreken van geluid, maar vooral als het ontbreken, of het opheffen, van het menselijke spreken. Daarmee echter – en dat wil ik benadrukken – ontstaat volgens mij geen gebrek of gemis. Eerder juist, zo denk ik, voegt het iets toe en biedt het iets méér. Iets méér, dat juist verdwijnt, iedere keer als we communiceren, onze mond open trekken, beginnen te spreken. Om dit te verduidelijken geef ik het volgende voorbeeld.

Voorbij gaan in het spreken
Misschien kent iedereen het wel: je bent iets aan iemand aan het vertellen over een nare of pijnlijke ervaring die je hebt gehad. En in reactie hierop begint de ander te praten over zijn eigen ervaring. ‘Oh ja, dat ken ik wel,’ zegt de ander dan. ‘Dat overkwam mij ook, toen…’, etc, etc. En daarmee, zelfs al weet je dat het door de ander, vanuit het diepste van diens hart uit betrokkenheid geschiedt, voel je je tekort gedaan. Het voelt alsof de ander aan je voorbij is gegaan.
Wellicht spreekt de ander op zo’n moment inderdaad vooral om te laten zien dat hij of zij jouw gevoelens begrijpt en eraan kan relateren, juist omdat diegene iets soortgelijks heeft meegemaakt. Maar ergens kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het spreken van de ander op zo’n moment op z’n minst toch ook iets te maken heeft met een vorm van vluchten voor, of van overstemmen van, de eigen gevoelens, die jouw beschrijving van die nare ervaring bij de ander oproepen.
Echter, als dat zo is, dan draait de reactie van de ander eigenlijk niet meer om jou, maar vooral om de ander, toch? Dan gaat het spreken eigenlijk meer over het bezweren van de eigen gevoelens van de ander die op worden gerakeld door jouw verhaal? Juist het zwijgen van de ander, juist de stille aanwezigheid van de ander, zou dan misschien juist een méér vormen. Het zwijgen is dan méér van waarde, meer ruimtescheppend voor jouw ervaring, voor jouw emotie, dan alle woorden en al het spreken. Juist de stilte schept dan een ruimte die aangeeft dat jouw ervaring telt en, op dat moment, de enig tellende is.

“Er naast zitten en niets zeggen.”
Nog een voorbeeld. Ik zat laatst bij de kapper, toen de kapster begon te vertellen over een ervaring die ze had gehad, eerder die dag. Een oudere man die ze aan het knippen was, was begonnen te vertellen dat hij sinds kort was ontslagen door bezuinigingen en was vervolgens in huilen uitgebarsten. De kapster vertelde hoezeer ze daarvan was geschrokken en hoe onbeholpen ze zich had gevoeld, dat ze niet wist wat ze moest doen. ‘Ik kon er toch moeilijk naast gaan zitten en niets zeggen!’ zei ze.
Heel graag had ik wilde zeggen dat dat misschien wel het meest troostende was geweest dat ze had kunnen doen. Maar ik zweeg. Want op dat moment, dat zij tegen mij praatte, ging het niet over mij. En ook niet over die oude man en wat ze wel of niet had kunnen doen. Het ging over haar en over haar gevoelens.
Wat kon ik anders dan in stilte naar haar luisteren?
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

