De Mens van John Dewey

De vraag wat het betekent om mens te zijn in deze wereld fascineert me. Dat heeft het volgens mij altijd al gedaan. Als adolescent snuffelde ik al door dikke boeken over psychologie, op zoek naar inzicht in het menselijke gedrag. Later, tijdens mijn opleiding als docent, raakte ik geïnteresseerd in de pedagogiek, op zoek naar een antwoord op de vraag op welke wijze een kind zich ontwikkelt tot mens. En daarna, tijdens mijn studie religiestudies, werd ik, geheel onverwachts, geraakt door een heftig verlangen om toegang te krijgen tot de menselijke ziel, om grip te krijgen op de al te menselijke zoektocht naar betekenis, zingeving en spiritualiteit.

“Education is not preparation for life; education is life itself.” – John Dewey

John Dewey

Mijn intellectuele reis om een antwoord te vinden op die vraag naar de mens in de wereld voerde me nog verder, naar de psychoanalyse van Freud en de analytische psychologie van Jung, naar de humanistische psychologie van (onder meer) Rogers en Perls, en ook naar de filosofie. Recentelijk stuitte ik bij daarbij op het werk van John Dewey en zijn werk bracht me weer terug bij de pedagogiek en de didactiek. John Dewey (1859 – 1952) was eerst en vooral filosoof, was daarna en daarnaast psycholoog, en was (en is) vooral bekend als pedagoog van wereldformaat. Dat voor Dewey filosofie en pedagogiek intrinsiek aan elkaar verbonden waren blijkt uit het feit dat hij in zijn hoofdwerk, ‘Democracy and Education’, de filosofie een ‘algemene theorie van de opvoeding’ noemde.

Tal van ‘hardcore’ filosofen zullen op een dergelijke omschrijving van de filosofie ongetwijfeld reageren alsof ze proberen een kokende aardappel door te slikken: hikkend, stikkend en met tranen in de toegeknepen ogen. Maar wat mij betreft is het geen verkeerde omschrijving. Wat mij betreft is filosofie leeg als het enkel een liefde voor de wijsheid betreft. Wie de wijsheid liefheeft moet die liefde in handelen kunnen uiten, en ik kan me voorstellen dat het handelen niet groter kan zijn, niet méér van waarde kan zijn, dan in de opvoeding, in de begeleiding van het kind in zijn groei tot volwassene, in zijn ontwikkeling tot mens.

De mens als handelend wezen

Er zijn twee dingen die ik hier wil aanwijzen die me aanspreken aan de filosofie en de pedagogiek van Dewey. Daarmee is natuurlijk niet alles gezegd over Dewey en ik twijfel er dan ook niet aan dat ik later op Dewey terug zal komen. Dat echter gezegd hebbende, spreekt mij allereerst aan dat Dewey de mens vooral beschouwde als handelend wezen. Dat spreekt enerzijds misschien voor zich, maar is zeker niet zo voor de hand liggend als het lijkt: voor de moderne filosofie is juist het handelen vaak het probleem. Zeker de vraag naar het vrije handelen, ofwel, de vraag naar vrijheid, is daarbij bijzonder problematisch en vormt, zeker de laatste tijd, een zeer populair onderwerp.

Voor mij is de vraag naar vrijheid echter niet zo belangrijk. We zijn eenvoudigweg niet vrij, zo denk ik zelf. In tegendeel zelfs, we zijn in allerlei opzichten gebonden: cultureel, sociaal, economisch, fysiek en psychologisch. Daarmee bedoel ik overigens niet te ontkennen dat er zoiets is als ‘vrijheid van gedachten’, ‘vrijheid van bewegen’ of ‘keuzevrijheid’. Ik wijs er alleen op dat vrijheid nooit alleen komt, maar altijd ook vergezelt gaat met de vraag: ‘vrijheid waartoe?’. Vaak wordt echter in het verlengde van vrijheid gezegd: als we niet vrij zijn, dan zijn we ook niet verantwoordelijk. (Denk hierbij o.a. maar aan het gemiddeld juridische pleidooi voor ontoerekeningsvatbaarheid: een ontoerekeningsvatbaar persoon handelt niet uit vrije wil en is dus niet verantwoordelijk voor zijn of haar handelen.) Een precieze discussie hierover voert wat mij betreft te ver. Zelf denk ik in ieder geval juist het tegenovergestelde:

  • (a) zelfs in vrijheid zijn we niet vrij en;
  • (b) juist in onze onvrijheid en in onze gebondenheid zijn we verantwoordelijk, voor de wereld en voor onszelf.

Gebonden áán de wereld, verantwoordelijk vóór de wereld

Een dergelijk idee kan ik goed onderbouwen vanuit het gedachtegoed van Dewey. Dewey stelt namelijk, vanuit een evolutietheoretisch standpunt, ten eerste dat de mens volledig deel uitmaakt van de natuurlijke wereld: de mens en de wereld, geest en materie, zijn dus niet op Cartesiaanse wijze ‘gescheiden’ van elkaar. Ten tweede, eveneens evolutietheoretisch, is de wereld een wereld in ontwikkeling. Die ontwikkeling is open, kent geen voorbestemming of -programmering, en die ontwikkeling kan daarom ook mede bepaald worden door de inbreng van de mens. Juist dat laatste maakt de mens, als wezen in en van de wereld, dus niet a-moreel, geen nihilistisch wezen zonder ethiek. Het maakt de mens juist uitermate verantwoordelijk en ethisch, want wat de mens inbrengt in de wereld telt. Gebonden áán de wereld, en daarom, verantwoordelijk vóór de wereld. Een dergelijk uitgangspunt houdt me bij de les.

Een tweede punt dat me aanspreekt aan Dewey is zijn uitgangspunt voor de pedagogiek. Dewey’s standpunt is dat daarbij noch uitsluitend voor het kind, noch uitsluitend voor cultuur moet worden gekozen. Het ‘probleem’ van de opvoeding zit niet in de individuele ontwikkeling, maar ook niet in de culturele aanpassing. Het probleem ligt in de afstemming tussen beide: zou het kind zich alleen individueel ontwikkelen, dan is de vraag waartoe het zich ontwikkelt. Zou de opvoeding enkel worden ingezet om het kind aan te passen en toe te rusten om de sociaal-culturele orde te kunnen betreden, dan wordt het kind als het ware ‘opgeofferd’ aan de samenleving en verliest het zichzelf.

Doel van de opvoeding

Doel van de opvoeding volgens Dewey is dan ook dat het kind enerzijds de eigen individuele mogelijkheden kan ontwikkelen om ‘zichzelf tot uitdrukking te kunnen brengen’, maar dan wel zo dat daarmee ‘sociale doelen’ worden gediend. Interessant hierbij vind ik vooral dat dit géén compromispositie betreft. Beide onderdelen tellen. Waar het, aldus Dewey, om gaat bij de opvoeding is het tot stand brengen van een dynamisch evenwicht, waarbij beide aspecten tot hun recht kunnen komen. Bezien vanuit counselling- en therapeuttechnisch standpunt is dat vooral ook een interessant uitgangspunt.

De problematiek van cliënten die counsellors en therapeuten bezoeken is immers vaak nauw verbonden aan de jeugd en vooral de opvoeding die mensen hebben gehad. Daarmee bedoel ik overigens niet de beschuldigende vinger te wijzen naar de ouders ‘die het wel gedaan zullen hebben’. Ik bedoel erop te wijzen dat, door wat voor omstandigheden dan ook, vaak volstrekt aan de individuele mogelijkheden en talenten van kinderen is voorbij gegaan, vaak met als voornaamste doel de volledige aanpassing aan de sociale context – of dit nu de aanpassing van het kind is aan een misbruikende of mishandelende vader en/of moeder om zichzelf in veiligheid kunnen te stellen of dat de aanpassing betekent het voortdurend zo hoog mogelijk te moeten ‘scoren’ op school, omdat het kind daarmee later ‘status’ kan verkrijgen die de ouder(s) zelf niet bezit(ten). Doel van therapie en counselling lijkt dan ook vaak te zijn om juist de mogelijkheden en talenten van de cliënt zelf weer naar boven te halen.

Therapie als opvoeding?

Ik stel mezelf hierbij verschillende vragen, die ik op dit moment nog niet kan beantwoorden, omdat ik er zelf ook nog mee worstel. Een eerste vraag is bijvoorbeeld: in hoeverre betekent dit dan dat therapie, maar ook counselling, in essentie een opvoedkundig proces is – waarbij de cliënt wellicht een volwassene is en daarom ook een bredere verantwoordelijkheid draagt, maar in essentie nog steeds ‘kind’ in de zin dat de cliënt nog steeds niet volkomen in staat is ‘zichzelf tot uitdrukking te brengen’? (En jazeker, ik ben me er zeer van bewust dat de opvatting ’therapie als opvoeding’ hoogst controversieel is en als schoppen tegen zere knieën kan worden opgevat, zowel aan de kant van de therapeut als aan de kant van de cliënt.)

Een tweede vraag is bijvoorbeeld: als de (menselijke) ontwikkeling ertoe dient dat ‘sociale doelen’ ermee worden gediend, in hoeverre wordt therapie of counselling dan niet opnieuw een aanpassingsproces aan de sociale context? Die vraag raakt volgens mij vooral aan het meer algemene vraagstuk van de normaliteit: wie bepaalt er eigenlijk wat ‘gek’ is en wat ‘normaal’? De vragen daarbij zijn vooral: is die bepaling terecht en zo nee, wat behelst het dan therapie, of voor wat dat betreft: opvoeding, te beschouwen als zijnde gericht op het dienen tot ‘sociale doelen’? Wat is een ‘sociaal doel’?

Er zijn hoe dan ook nog zat andere vragen te stellen en er valt nog meer dan genoeg te vertellen over Dewey’s filosofie, psychologie en pedagogiek. De vraag wat het betekent om mens te zijn in deze wereld is wat mij betreft nog lang niet beantwoord…

“The self is not something ready-made, but something in continuous formation through choice of action.” – John Dewey


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie