In het briljante boek ‘Onzichtbaar’ van de Amerikaanse auteur Paul Auster (auteur van o.a. ook ‘Maanpaleis’, waarover ik hier schreef) wordt de lezer met een opvallende leegte geconfronteerd. De hoofdpersoon van het verhaal blijkt namelijk afwezig. Of beter gezegd, naarmate het verhaal vordert, ontdek je steeds meer dat je de hoofdpersoon van het verhaal eigenlijk helemaal niet kent.
Al na afronding van het eerste deel van het boek blijkt de grote misleiding: het verhaal waaraan begonnen is, is niet het verhaal waar het boek eigenlijk om draait. De ik-persoon waarmee de lezer heeft kennisgemaakt, heeft nog niet het ‘echte’ verhaal vertelt. Het echte verhaal leert de lezer ook slechts uit tweede hand kennen. Een oude vriend van de ik-persoon blijkt de eigenlijke verteller te zijn (en – als je dieper doordenkt – in zekere zin is ook dat niet waar, immers, de schrijver Paul Auster is de ‘werkelijke’ verteller).
Aan de hand van een niet-voltooid script vertelt de oude vriend wat het echte verhaal van de ik-persoon eigenlijk is en welk geheim de ik-persoon in schaamte probeert te verbergen. De ik-persoon ontmoet de lezer uiteindelijk nooit: hij overlijdt, vlak voordat de lezer hem in het verhaal kan ontmoeten. En als de lezer de ik-persoon al leert kennen, dan is dat via zijn omgeving: via de oude vriend, een zus, een echtgenote, een dochter.
Wie de ik-persoon nu werkelijk was, ontdekken we dan ook eigenlijk alleen via de verhalen die over hem worden verteld. Zelf blijft hij onzichtbaar.
Misleidende verhalen
Een dergelijke verhaalstructuur klinkt misschien erg ingewikkeld en vergezocht. Maar het is volgens mij minder ingewikkeld en vergezocht dan het op het eerste gezicht lijkt. Sterker nog, volgens mij legt Auster met zijn verhaal iets heel wezenlijks bloot over de menselijke aard en identiteit. Mensen kennen zichzelf en elkaar immers altijd en enkel door middel van verhalen. Maar juist die verhalen, precies omdat het verhalen zijn, dragen ook misleiding in zich. Verhalen laten ons kennen, maar verbergen ons tegelijk. Wat er ook verteld wordt, er wordt ook altijd iets niet verteld. Er blijft iets onzichtbaar.
Paul Auster laat wat mij betreft dan ook met zijn boek een essentiële paradox zien, namelijk dat verhalen tegelijk wel en niet waar zijn. Het eerste deel van die paradox ligt voor de hand. Verhalen zijn verzonnen. Ze bevatten altijd iets dat niet waar is. Het verhaal kan immers nooit het werkelijke leven vervangen: het kan het symboliseren, het kan het schetsen, het kan het her-vertellen, maar verhalen zitten er altijd net naast.
Het tweede deel van de paradox is lastiger. Dat verhalen iets bevatten dat niet waar is, dat ze er altijd net naast zitten, betekent niet dat verhalen niets te vertellen hebben. Juist in de symboliek, juist in het schetsmatige of in de uitvergroting, laten verhalen immers iets zien dat toch waar-achtig is. Zoals het boek van Paul Auster enerzijds verzonnen is (het eerste deel van de paradox), maar tegelijk toch iets zeer wezenlijks laat zien over de mens en zijn omgang met identiteit: het waarachtige.
Medusa als symbool van waarheid
Verhalen kunnen ook de functie hebben van de spiegel waarmee Perseus het monster Medusa mee versloeg. Medusa, één van de godinnen van de onderwereld, gruwelijk om aan te zien, een vrouw met haren als slangen, wiens aangezicht mensen kon veranderen in zoutpilaren, werd immers verslagen door Perseus, doordat hij haar benaderde door middel van een spiegel. Zijn blik kon nooit rechtstreeks zijn, dan zou hij eveneens in een zoutpilaar veranderen, maar door de spiegel kon hij wel naar haar kijken.
In Medusa, met al haar monsterlijke gruwelijkheid, zouden we het symbool van de waarheid kunnen zien. De waarheid, die soms zo afgrijselijk is dat we haar niet kunnen vertellen, niet letterlijk kunnen benoemen zonder te verstijven van angst, zonder innerlijk in een te krimpen en te verstarren tot zoutpilaren. Denk bijvoorbeeld aan trauma’s als mishandeling, misbruik, oorlogstaferelen. Kan het dan zijn dat juist de verhalen die we zijdelings over al dat monsterlijke vertellen, ons de omgangsmethode verschaft – de ‘spiegel’ als het ware – om het monsterlijke te verslaan en er toch naar te kijken? Maar dan in symbolische bewoordingen, via een bespiegeling: via een verhaal?
Paradox van verhalen
De paradox van verhalen is hoe dan ook moeilijk te verdragen. De spanning die het oproept om ons er bewust van te zijn dat verhalen enerzijds altijd verzonnen zijn, maar tegelijk toch ook iets waarachtigs in zich dragen, is soms zelfs zo ondraaglijk dat we het liever gewoon ontkennen en kiezen voor één deel van de oplossing: we zeggen dat een verhaal ‘slechts’ een verhaal is, een verzinsel, en dat we ze dus niet te serieus moeten nemen. Vanuit psychoanalytisch perspectief noemen we dat verschijnsel ‘splitting’.
Het concept van splitting is met name uitgewerkt door psychoanalytica Melanie Klein en daarna verder ontwikkeld door de Schotse psychiater en psychoanalyticus Ronald Fairbarn in de object-relatietheorie. Splitting gaat over het volgende. Om te kunnen gaan met de innerlijke agressie die wordt opgeroepen door de frustratie die de spanning van twee tegengestelden in één aanwezigheid met zich meebrengt (denk hierbij bijvoorbeeld aan de moeder die voor de baby tegelijk al dat heerlijke lekkers – de moedermelk – vertegenwoordigt, maar voor het kind tegelijk ook de afwijzing representeert, namelijk het moeten stoppen met drinken omdat moeder weer verder moet), splitsen we onze gevoelens soms af in een ‘all good’ en ‘all bad’.
Iets kan in het geval van splitting niet ‘een beetje goed en een beetje verkeerd’ zijn en dat is dan oké. Nee, het één is volkomen goed én het ándere is volkomen verkeerd. Splitting wordt gekenmerkt door denken in termen van ‘zwart-wit’ en ‘alles-of-niets’. Voor verhalen geldt dan dat het ‘goed’ is om verhalen als verzinsels te beschouwen. En ‘slecht’, soms zelfs ‘gek’, is om verhalen te beschouwen als een vorm van ‘echt’ – een middel om waarachtigheid af te spiegelen.
Splitting
Hoe ‘splitting’ optreedt om om te kunnen gaan met de paradox van verhalen, heb ik zelf ervaren tijdens mijn opleiding tot docent, jaren geleden. In mijn stageklas zat een meisje dat al meerdere malen voor schrijfopdrachten gruwelijke horrorverhalen inleverde, meestal over dinosaurussen die een primitieve stam volledig ten gronde richtte, vaak op de meest afschuwelijke manieren (denk: Texas Chainsaw Massacre, maar met dinosaurussen).
Hoewel ik de verhalen enerzijds vermakelijk vond en ze niet letterlijk nam, verontrustten ze me toch enigszins. Er zat iets krampachtigs in de verhalen, iets dwangmatigs, en er bekroop mij het gevoel dat er in haar verhalen iets naar buiten leek te komen dat ze niet goed in een andere vorm kon verwoorden. Ik besprak mijn waarneming en intuïtie met mijn stagebegeleider.
Ik herinner me nog goed hoe mijn begeleider de wenkbrauwen optrok toen ik de verhalen ter sprake bracht. ‘Nog steeds?’ bromde hij. ‘Dat doet ze nou al jaren. Ze moet toch echt eens ophouden met die verzinsels,’ was zijn verdere commentaar. Toen ik opperde dat haar verhalen misschien iets meer zouden kunnen bevatten, dat als die verhalen zich zo vaak al herhaalden, ze misschien toch ergens mee zat, werd ik meewarig aangekeken door mijn begeleider. Hij verwees even naar de scheiding van de ouders van het meisje en ik kreeg verder te horen dat ik me maar niet zo druk moest maken. Ik moest die verhalen vooral ‘niet zo serieus’ nemen.
Zwart/wit-denken
Toch maakte ik me eigenlijk helemaal niet druk en nam ik het verhaal ook niet serieus. Tenminste, ik nam haar geschreven verhalen niet letterlijk. Ik vertaalde haar verhaal niet één-op-één: als ze al die gruwelijke dingen schreef, dan wilde ze die gruwelijke dingen ook uitvoeren. Nee, natuurlijk niet, dat zou een onzinnige gedachte zijn. Ik was me echter wél bewust van de paradox van verhalen, de schijnbare tegenstelling van verzinsel en waarachtigheid. En ik probeerde vooral die paradox ter sprake te brengen.
Het mechanisme van splitting werd hierop vrij direct toegepast. Verhalen waren, aldus mijn begeleider, duidelijk verzinsels. Dus het meisje was enkel aan het fantaseren. En iemand – ik, in dit geval – die verhalen serieus probeerde te nemen, was gek en raar en moest zich vooral niet te druk maken. Het was denken in zwart-wit, in helder afgebakende hokjes. Een afgesloten geheel.
Onzichtbaar
Kort daarna eindigde mijn stage en ik had zelf niet meer de gelegenheid om met de leerlinge te praten. Maar dat meisje en haar moorddadige dinosaurussen zijn me wel altijd een beetje bijgebleven.
Toen ik het boek van Auster las, moest ik plotseling weer aan de gruwelverhalen van die leerlinge denken. En ik realiseerde me dat ik destijds verstrikt was geraakt in de paradox die verhalen nu eenmaal in zich dragen en in de onvermijdelijke manier waarop mensen proberen die paradox te hanteren door middel van splitting.
De leerlinge had me met haar verhaal geconfronteerd met een opvallende leegte. De echte hoofdpersoon, de persoon waar het verhaal werkelijk over ging, bleek namelijk steeds afwezig, dat was waar mijn intuïtie mij waarschijnlijk op wees.
Onbewust zocht ik naar het ‘echte’ verhaal, het verhaal waar het eigenlijk om draaide. Dat echte verhaal – of in ieder geval ingrediënten ervan – leerde ik uiteindelijk kennen uit tweede hand: de scheiding. Maar wie de vertelster van het verhaal nu werkelijk was, en wat haar dreef haar verhaal te vertellen, dat kwam ik nooit echt te weten. Want dat meisje, de schrijfster en verteller zelf?
Zij bleef onzichtbaar…
Foto’s: CC Alessandra Celauro, JD Lasica, Thomas Hawk, Chris, Paško Tomić
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.






2 thoughts on “De paradox van verhalen”