Jaloezie en psychoanalyse
Jaloezie is een complexe emotie. Een emotie, verbonden aan schaamte en aan woede, aan kinderlijkheid en aan machteloosheid. Het is een emotie die veel kapot kan maken en die voor veel persoonlijke problemen kan leiden, soms zelfs met desastreuze gevolgen. Juist de schaamte voorkomt vaak dat er open over gepraat kan worden. En juist de boosheid voorkomt vaak dat er nog objectief gekeken kan worden. Maar hoe ga je er dan mee om?
Hoe ga je om met de jaloezie van iemand, wanneer het dusdanige vormen aanneemt dat iemand er werkelijk onder begint te lijden, maar het uit schaamte, omdat er een sociaal taboe op ligt, niet durft te bespreken? Of door boosheid zo verbitterd is, dat iemand zich er niet bewust van is dat het jaloezie is die deze boosheid voedt? Om hierop antwoord te geven, wil ik in deze en in de volgende blog de emotie van jaloezie bekijken vanuit twee perspectieven. In deze blog bekijk ik jaloezie vanuit psychoanalytisch perspectief. In de volgende blog bekijk ik jaloezie vanuit het perspectief van de Jungiaans analytische psychologie.
Thomas Moore en ‘Ons diepste zelf’
Het idee voor deze blog kwam bij me op bij het lezen van een essay in de bundel ‘Ons diepste zelf: een paradoxaal en authentiek leven’, een verzameling beschouwingen van Thomas Moore. Moore was ooit kloostermonnik, studeerde theologie, filosofie, muziekwetenschappen en psychologie, trad uit het klooster en voerde daarna een eigen praktijk voor psychotherapie. Inmiddels is Moore een veelgelezen auteur en geeft hij lezingen op gebied van spiritualiteit, kunst en zielszorg. Veel van zijn schrijven draagt een duidelijke Jungiaanse inspiratie in zich.
Het essay in de bundel dat me inspireerde tot deze blog betrof Moore’s essay over jaloezie. De visie van Moore op jaloezie vond ik zeker genuanceerd en Moore aan te prijzen. Maar er school naar mijn mening ook iets clichématigs in zijn visie op jaloezie. Iets maakte dat ik me enigszins met lege handen voelde staan na het lezen zijn verhaal.
Ja, zo geeft de auteur in zijn essay toe, jaloezie is geen aan te prijzen emotie en kan zelfs ronduit gevaarlijk zijn. Jaloezie kan leiden tot geweldsuitbarstingen en kan iemand zelfs tot moordlust drijven. Maar jaloezie biedt ook kansen tot ontwikkeling, zo stelt Moore. Nu sluit ik me in principe bij deze visie van harte aan, maar de vraag die Moore wat mij betreft niet duidelijk beantwoordde was: op welke wijze dan?
Ik vond de visie van Moore op jaloezie dan ook boeiend en ontoereikend tegelijk. Boeiend, omdat Moore goed uitlegt hoezeer jaloezie een diep menselijke emotie is en een emotie die, hoewel beschadigd en misvormd, verbonden is aan passie en creativiteit. Ontoereikend echter, ten eerste omdat Moore wel aangeeft dat het therapeutische of vriendschappelijk bedoelde advies om zich ‘boven de emotie van jaloezie te stellen’, bij iemand die lijdt aan jaloezie niet helpt. Alleen komt Moore in mijn ogen daarbij niet met een helder antwoord op de vraag: ‘Wat helpt dan wel?’. Ontoereikend ten tweede, omdat Moore jaloezie in zijn essay vooral plaatst in het kader van de liefdesrelatie tussen twee mensen. Maar jaloezie is naar mijn mening niet enkel toegespitst op de liefdesrelatie tussen mensen.
Melanie Klein
Jaloezie komt immers op allerlei vlakken voor. Zo brengt Melanie Klein, de psychoanalytica wiens theorie over jaloezie ik hieronder zal bespreken, bijvoorbeeld uitgebreid ter sprake hoe jaloezie de overdrachtssituatie tussen analysant en analyticus negatief kan beïnvloeden en de behandeling kan dwarsbomen. Vaak is daarbij sprake van de patiënt die de inzichten van de analyticus benijdt. Echter, de Jungiaans analytisch therapeute wiens theorie over jaloezie ik in de volgende blog bespreek, brengt ook weer de omgekeerde situatie ter sprake: de analyticus die jaloers kan zijn op de patiënt, bijvoorbeeld op de wilde, onbegrensde seksuele avonturen die een patiënt beleeft en bij de behandeling bespreekt met de therapeut als analysemateriaal.
Ook komt jaloezie voor tussen familieleden. Een vader kan weldegelijk jaloers zijn op de liefde die de zoon ontvangt van de moeder. En omgekeerd kan de moeder weldegelijk jaloers zijn op de liefde die een vader de dochter schenkt, zoals ook broers en zussen jaloers op elkaar kunnen zijn. En ook op de werkvloer komt jaloezie voor, iets dat inmiddels zelfs tot bedrijfskundig onderzoek naar dit onderwerp heeft geïnspireerd (hieraan zal ik in een latere blog aandacht besteden).
Jaloezie lijkt in mijn ogen dan ook primitiever en meer basaal van aard om enkel beperkt te worden tot de liefdesrelatie. Het draait bij jaloezie volgens mij vooral om het basale aspect van de relatie. En pas daarna, op de tweede plaats, om het specifieke aspect van de liefde. Absoluut verbonden aan de relationele dimensie van het menselijke bestaan lijkt jaloezie voor mij meer een principe dat, als een soort onderliggend en dreigend vergiftigend potentieel, in algemene zin meedrijft met de primitieve, funderende behoefte van de mens om relaties aan te gaan en verbonden te zijn. Jaloezie lijkt samen te hangen met de kwetsbaarheid die samen gaat met het verlangen zich ingebed te voelen in het weefsel van sociale verbanden en de angst voor de macht van de ander(en) om iemand de vervulling van dit verlangen te ontzeggen.
In die zin lijkt jaloezie in mijn ogen dan ook meer in algemene zin verweven met de feitelijke, wederzijdse relationele afhankelijkheid die de menselijke conditie kenmerkt. Ik wilde daarom dieper gaan. Meer achtergrond hebben. En zo ging ik op zoek naar uitgebreidere, diepgaandere theorieën over jaloezie. Wie vervolgens op die grond in de (enorme) psychoanalytische verzameling aan literatuur op zoek gaat naar een theorie over jaloezie stuit daarbij onherroepelijk op Melanie Klein.
Melanie Klein (1882-1960) was een controversieel figuur in de geschiedenis van de psychoanalyse. Ze was de eerste die de traditionele psychoanalytische theorie consequent toepaste bij de behandeling van jonge kinderen (en één van de belangrijkste grondleggers van de objectrelatie theorie in de psychoanalyse). Klein botste in de jaren ’40 van de vorige eeuw in haar doordenken van de psychoanalytische theorie op harde wijze met Anna Freud, de dochter van Sigmund en destijds een van de belangrijkste vertegenwoordigsters van de psychoanalytische leer in London. Anna Freud ging zo ver om Klein ervan te beschuldigen geen ‘echte’ Freudiaan te zijn. Uiteindelijk leidde deze controverse zelfs tot een breuk in de psychoanalyse en ontstonden er twee (of eigenlijke drie) scholen: een psychoanalyticus was vanaf die tijd ofwel volgeling van Klein, ofwel volgeling van (Anna) Freud, of was onafhankelijk.
Naast de belangrijke theorie van Melanie Klein over het idee van splitting (een onderwerp waar ik hier aandacht aan besteed) heeft Klein ook uitgebreid aandacht besteed aan de emotie van jaloezie (zie hiervoor voornamelijk haar monografie ‘Envy and Gratitude’ uit 1957[1]). Klein definieert jaloezie daarbij als ‘het kwade gevoel dat wordt ervaren wanneer een andere persoon iets begerenswaardigs bezit en hiervan geniet – waarbij de jaloerse impuls is om het begeerde af te pakken of te bederven’. Klein verbindt jaloezie daarbij aan een duidelijke agressieve impuls.
Thanatos – doodsdrift
Deze agressie verbindt ze vervolgens aan de eerste ontwikkelingsfasen van het kind en aan de Freudiaanse ‘doodsdrift’ – de Thanatos, het destructieve instinct van de mens. Klein werkt in haar vroege werk al het idee van ‘splitting’ uit, dat grotendeels deze Thanatos, deze vernietigende libido, integreert in de ontwikkeling van het kind. Daarbij stelt ze dat er in het individu vanaf de vroegste jeugd een instinct aanwezig is dat geneigd is tot (onbewuste) vernietiging, tot kapot maken, tot vertroebelen. Dit instinct is tegelijk een grote bron van angst en spanning voor het kind en om zichzelf te beschermen tegen deze pijnlijke gevoelens in zichzelf projecteert het Ego deze emoties op externe objecten – waardoor er ‘goede’ en ‘slechte’ objecten ontstaan buiten het kind.
Bij jaloezie is er echter iets anders aan de hand. Bij jaloezie wordt, aldus Klein, door het kind de eigen destructieve impulsen niet simpelweg geprojecteerd op een extern object dat daarbij ‘slecht’ wordt, maar wordt het geprojecteerd op een object dat reeds als ‘goed’ is bestempeld. Vaak treedt dit op bij een object waar van het kind in grote mate van afhankelijk is.
Jaloezie wordt op deze wijze een primitieve, destructieve kracht die het object aanvalt dat als ‘goed’ wordt ervaren. Het Ego ‘besluit’ zich in dit geval te beschermen tegen het verlangen om het ‘goede’ object te accepteren en doet dit door het ‘goede’ object aan te vallen als ‘slecht’. De bescherming van het Ego tegen het verlangen van acceptatie van het ‘goede’ object is daarbij vooral een bescherming van het Ego tegen de pijnlijke gevoelens die worden opgeroepen door de positie van afhankelijkheid van dit object en de krenking die deze afhankelijkheid toebrengt aan het Ego.
Jaloezie heeft daarbij, volgens de definitie van Klein, een aantal kenmerkende eigenschappen. Ten eerste: jaloezie is gerelateerd aan de fantasie om het ‘goede’ object te vernietigen, met als doel te voorkomen dat anderen het object kunnen bezitten en ervan kunnen genieten. Daarbij wordt jaloezie vaak gericht op een ander wanneer deze meer ‘fortuinlijk’ wordt ervaren dan zichzelf en leidt tot de wens dat de ander iets slechts overkomt. Ten tweede: deze extreem negatieve en destructieve emotie is vaak onbewust. Ten derde en tot slot: jaloezie is niet alleen destructief voor anderen, maar ook voor zichzelf, omdat het een impuls is die niet gericht is op zelfbehoud, maar op vernietigen, desnoods ten koste van zichzelf.
Splitting
Herstel van het lijden onder jaloezie vindt vanuit psychoanalytisch oogpunt dan ook plaats door middel van herintegratie van de geëxternaliseerde, naar buiten geprojecteerde, gevoelens van ‘splitting’. Het proces van integratie kan daarbij pas plaatsvinden wanneer eerst eenmaal door de angst heen is gebroken die de jaloezie zelf teweeg heeft gebracht.
Dit op zichzelf is al een ingewikkeld en langdurig proces. Dat komt allereerst mede doordat er sprake is van angst op meerdere sporen: niet alleen heeft de confrontatie met een positie van afhankelijkheid een dusdanige angst ontlokt dat jaloezie, als agressief verdedigingsmechanisme, opkwam. Maar ook draagt jaloezie een dusdanige agressieve en destructieve impuls in zich, dat dit op zichzelf leidt tot angst (de angst voor het geweld waartoe men in staat zou kunnen zijn). Wanneer eenmaal de angst handelbaar is geworden, kan er gewerkt worden aan het terugbrengen van het ‘goede’ object dat als ‘slecht’ wordt ervaren, naar een ‘object’ dat op zichzelf staat, niet goed of slecht is, maar gewoon ‘zichzelf’ is.
Dan kunnen de gevoelens van ‘goed’ en ‘slecht’ teruggebracht worden naar degene die er in feite voor verantwoordelijk was: de lijdende zelf. Hiermee ervaart de lijdende allereerst weer een gevoel van ‘controle’: hij of zij beseft dat de agressie niet zozeer ‘ontlokt’ wordt, maar in oorsprong in hem- of haarzelf rust. Daarmee vindt tevens in steeds grotere mate een integratie plaats van het Ego, een Ego dat eerst was opgesplitst geraakt in een ‘goed’ en een ‘slecht’ búiten zichzelf. Een geïntegreerd Ego hersteld zich vervolgens tot één geheel dat beíde kanten, goede en slechte kanten, in zichzelf draagt, van zichzelf kan verdragen en van zichzelf kent.
Daarbij is een tweede belangrijk vertragend en complicerend element bij behandeling dat jaloezie voor de patiënt zelf, zoals door Melanie Klein al gekarakteriseerd werd, vaak onbewust is. Er is dus bij aanvang van behandeling wel sprake van lijden, maar het is vaak voor de patiënt zelf onduidelijk wat er aan de oorsprong van dit lijden ligt – en voor zover het wél duidelijk is voor de patiënt zelf, worden de gevoelens van jaloezie vaak in eerste instantie verdoezeld door gevoelens van schaamte, angst en agressie. Er zal dus aanvankelijk sprake zijn van veel weerstand die allerlei vormen aan kan nemen, van boosheid tot cynisme, van ontkenning tot grote innerlijke verwarring bij de patiënt.
Interpretatie van jaloezie in de overdracht
Hoe zal er vanuit psychoanalytisch perspectief met deze fase worden omgegaan? Basale uitgangspunt van de klassieke psychoanalyse is in principe relatief eenvoudig.[2] Er wordt gewerkt aan de opbouw van een (vertrouwens)relatie tussen analyticus en analysant. In deze relatie zal op den duur overdracht tot stand komen. Deze overdracht wordt geïnterpreteerd door de analyticus en deze interpretaties leiden tot inzicht bij de patiënt. Het is het inzicht, samen met de door de analysant ervaren vertrouwens- en overdrachtsrelatie (waarin geëxperimenteerd kan worden door de patiënt met ander gedrag), die uiteindelijk leiden tot herstel.
Melanie Klein stelt dat er bij de behandeling van het lijden onder jaloezie de meeste energie in eerste instantie zal liggen bij het werken aan de opbouw van een vertrouwensrelatie. Zoals gesteld is er immers sprake van een (immense) angst die aan de oorsprong ligt van de ontwikkeling tot jaloezie. Dit zal een angst zijn die grotendeels voortkomt uit de ervaring van de positie van afhankelijkheid en daaraan verbonden machteloosheid. Deze angst – en daaraan verbonden, het wegnemen en verdragen van deze angst bij de analysant (en dóór de analyticus), zal een grote rol spelen in de opbouw van een vertrouwensrelatie tussen analyticus en analysant.
Er zal daarbij sprake zijn van een soort ‘testfase’ waarbij de ‘test’ er voortdurend uit zal bestaan dat de analyticus verdraagt wat de analysant in zijn of haar verweer in eerste instantie onbewust en op den duur steeds meer bewust projecteert op de analyticus. Centraal thema zal daarbij zijn: is de analyticus/therapeut in staat om de gevoelens van de patiënt te laten bestaan, zonder te versmelten met deze emoties en hierin volledig mee te gaan, en tegelijk zonder volledig afstand te doen van deze emoties en ze af te wijzen als ‘onacceptabel’.
Relationele afhankelijkheid als wezenlijk aan het mens-zijn
Herstel is hierbij (misschien zelfs in hoofdzaak) afhankelijk van de vraag of de patiënt in staat is om de angst te verdragen dat hij of zij, in ieder geval voor een groot deel in het begin, afhankelijk is van de analyticus / behandelaar. Let wel: deze afhankelijkheid is in essentie een uitvergroting van wat algemeen onderdeel is van de basale menselijke conditie. Relationele afhankelijkheid is, kort gesteld, wezenlijk aan ons ‘mens-zijn’. De – uitvergrote – ervaring van afhankelijkheid bij de patiënt, en zijn of haar onvermogen hiermee om te gaan, zowel binnen als buiten de behandelkamer, is daarmee hét overdrachtselement dat de bepalende rol speelt in het lijden van de patiënt. Inzicht geven in en duiding geven aan deze ervaring is waar uiteindelijke de (aanvankelijk onbewuste en op den duur steeds meer bewuste) focus op ligt bij de psychoanalytische behandeling van jaloezie.
Relatie- en vertrouwensopbouw is hiervoor essentieel bij de psychoanalytische behandeling van het lijden onder jaloezie. Dit geldt voor zowel bij het op den duur leren verdragen van de angst voor de eigen agressie, als bij het tot stand komen van bewustwording hiervan.
Maar zijn dan relatieopbouw, leren verdragen, bewustwording en inzichtverschaffing de enige elementen bij de behandeling van jaloezie? Wat helpt inzicht bij het verlichten van het gevoel van jaloezie? Jawel, dan weet iemand waar het vandaan komt en hoe het is ontstaan. Maar hoe dan verder?
Het lijkt nog steeds een nogal passief verhaal. Het is al wel beter dan de lege handen waarmee Moore me achterliet bij zijn bespreking van de vraag hoe om te gaan met jaloezie. Maar is het ook mogelijk om een meer actieve houding aan te nemen door de patiënt zelf? Kan er sprake zijn van minder overlevering van de analysant aan de inzichten en verdraagzaamheid van de analyticus?
Misschien dat we hierbij te raden kunnen bij de Jungiaanse analytische psychologie?
[1] Klein, M (1997). Envy and Gratitude. and Other Works 1946 – 1963. London: Vintage Random House
[2] Zo eenvoudig is dit overigens in werkelijkheid niet. Allereerst kan er in feite al niet gesproken worden over ‘de’ psychoanalyse, want er zijn vanaf Freud steeds nieuwe visies ontwikkeld op wat psychoanalyse is en hoe een psychoanalytische behandeling eruit ziet – getuige in de vroege geschiedenis van de psychoanalyse hiervan is bijvoorbeeld al de breuk tussen Freud en Jung en later de reeds genoemde breuk tussen Melanie Klein en Anna Freud. Überhaupt is de psychoanalyse een dynamische discipline die zichzelf heeft ontwikkeld in dialoog met tal van andere psychologische, filosofische, cultuurwetenschappelijke en medische disciplines, waarmee de moderne, huidige psychoanalyse dan ook mijlen ver verwijderd staat van (maar in de wortel nog steeds verbonden is aan) de psychoanalyse zoals voor het eerst geïntroduceerd door Freud.
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



Beste Rogier,
wat een interessante gedachten beschrijf je over jaloezie en psychoanalyse, dank! Groet Nathalie Ladan
Beste Nathalie, dank voor je reactie op mijn blogs over psychoanalyse en jaloezie. Fijn dat je ze interessant vond! Hartelijke groet, Rogier Teerenstra