Jaloezie en analytische psychologie

Jaloezie is een complexe emotie en een potentieel vernietigende emotie. Zo omschreef ik jaloezie in ieder geval in mijn vorige blog. Maar, hiertoe mede geïnspireerd door een essay van Thomas Moore, schreef ik tevens dat  jaloezie een bron kan zijn voor creativiteit en passie. Moore liet me daarbij echter ontevreden achter. De vraag die Moore voor mij namelijk onbeantwoord liet, luidde: op welke wijze dan? Hoe kon jaloezie zowel een vretende, kwellende kracht zijn en tegelijk een mogelijk bron vormen voor schepping en daadkracht?

Moore beantwoordde naar mijn mening deze vraag in zijn essay niet en dit inspireerde mij tot het schrijven van mijn vorige blog. Want: hoe buig je een emotie om die zoveel boosheid, machteloosheid en rauwe kwaadaardigheid in zich draagt? Hoe begeleidt je iemand die lijdt onder jaloezie en help je iemand om jaloezie om te zetten in een positieve kracht?

road-983675_640

Melanie Klein over jaloezie

Om dat te ontdekken heb ik in mijn vorige blog eerst jaloezie bekeken vanuit psychoanalytisch perspectief. De nadruk lag daarbij op de visie van Melanie Klein, grondlegster van de objectrelatie en controversieel psychoanalytica in de jaren ’40 van de vorige eeuw.

Klein beschouwde jaloezie, zo schreef ik in het kort samengevat, als verkeerd geprojecteerde doodsdrift. Om het kwetsbare Zelf te beschermen tegen de pijnlijke confrontatie met eigen gevoelens van (o.a.) afhankelijkheid en agressie, zo stelde Klein, splitst het kind vanaf de geboorte deze gevoelens af en projecteert ze naar buiten, op de wereld. Het kind deelt daarbij de wereld voortdurend op in ‘goede’ en ‘slechte’ objecten. Dit mechanisme noemde Klein ‘splitting’ en werd door haar als een natuurlijk onderdeel beschouwd van het psychologisch ontwikkelingsproces van een kind.

Bij jaloezie projecteert het kind, aldus Klein, de eigen gevoelens van agressie en ‘doodsdrift’ echter op een ‘goed’ object – een object waar naar het kind eigenlijk verlangt en waar het in hoofdzaak afhankelijk van is. Dit is, zo stelde Klein, in de kern het mechanisme van jaloezie.

Dit model van Klein, zo schreef ik, bood mij een aanvaardbaar en ‘te begrijpen’ verklaring voor hoe jaloezie werkt en hoe het ontstaat. Maar ik had nog steeds het gevoel met lege handen te staan. Ik bevatte met het model van Klein in redelijke termen een verklaring voor waarom iemand kon lijden aan jaloezie. Maar de vraag bleef: hoe dan verder? De vraag bleef: Wat kan iemand die lijdt aan jaloezie doen met deze informatie?

Jaloezie vanuit Jungiaans perspectief

Zou er iets zijn dat een patiënt die leed onder de vernietigende kracht van jaloezie zelf kon doen? Méér dan enkel zich neerleggen bij de psychoanalytische duiding en het daarmee aanvaarden van de emotie? Aan het einde van mijn vorige blog stelde ik dan ook de vraag: Zou Jung misschien een actiever antwoord hebben? Om op die vraag een antwoord te vinden, wil ik in deze blog daarom jaloezie bekijken vanuit het perspectief van de Analytische Psychologie van C.G. Jung.

Om het perspectief van de analytische psychologie op jaloezie te begrijpen is het wellicht allereerst belangrijk om (opnieuw) te verwijzen naar een belangrijk onderscheid tussen de Freudiaanse psychoanalyse en de Jungiaanse analytische psychologie, een onderscheid waarnaar ik  in een eerdere blog al verwees (kijk voor meer informatie hierover hier). Het betreft daarbij het klassieke begripsonderscheid tussen causa efficiens en causa finalis – het onderscheid tussen waarom en waartoe.

Verschil tussen psychoanalyse en analytische psychologie

Kort samengevat: ‘de’ psychoanalyse van Freud[1] richt zich grotendeels op het verleden en op het, door middel van duiding en interpretatie, aanleveren van een ‘waarom’ van de problematiek.  De analytische psychologie van Jung richt zich daarbij juist meer op de toekomst en op het vinden van een antwoord op de vraag waar toe een conflict dient, wat het duidelijk wil maken. In de analytische therapie wordt met name gezocht naar wat de problematiek voor een patiënt biedt aan ontwikkelingskansen.

De analytische psychologie zoekt dus naar een antwoord op de vraag waartoe de problematiek dient. Het perspectief van de psychologie van Jung op jaloezie is dan ook een perspectief dat er vanuit gaat dat jaloezie niet enkel een potentieel vernietigende kracht is, maar inderdaad ook een kracht is die potentieel iets te zeggen heeft op gebied van kans en ontwikkeling. Jaloezie heeft, vanuit het perspectief van de analytische psychologie, een functie.

Om uit te leggen hoe jaloezie – en in feite ieder psychisch conflict – vanuit de analytische psychologie bezien een functie heeft, is het misschien gemakkelijk om te beginnen bij de grondbeginselen van de analyse bij Jung.

Grondbeginselen bij de analytische therapie

Net als bij Freud vormt voor Jung dé voorwaarde voor succesvolle therapie het bewust maken van innerlijke conflicten. Voor Freud betreft dit vaak het bewust maken van een bepaalde herhaling uit het verleden. Met andere woorden: voor de psychoanalyse bestaat een psychisch conflict er vaak in dat de ervaringen uit het verleden worden herhaald in het heden. Omdat het verleden niet thuishoort in het heden, vormt dit een probleem en verwordt dit tot een innerlijk conflict.

Voor Jung echter betekent het bewust maken van innerlijke conflicten het bewust worden van een verstoring van het gehéél van de psyche. Een psychisch conflict zegt in de analytische psychologie iets over het psychische geheel. Met andere woorden: een conflict duidt op een teveel of een tekort aan iets, waardoor het geheel van de ziel verstoord is geraakt. Deze ‘totaliteit’ van de ziel streeft naar herstel van deze verstoring en geeft daartoe een signaal af: dit signaal is het innerlijke conflict.

In dit psychische geheel, in dit geheel van de ziel, wordt het onbewuste niet opgevat als ‘vergaarbak’, zoals die door de psychoanalyse wordt beschouwd, niet zoals bij Freud een ‘verdomhoekje’ voor alle verdrongen inhouden van het bewustzijn. Voor Jung maakt het onbewuste onderdeel uit van het geheel, is het onbewuste zelfs min of meer de diepere ‘onderlaag’ van het geheel, als het ware het primaat ervan. Voor Jung heeft het onbewuste een autonomie, iets ‘zelfbepalends’.

Het onbewuste is voor Jung de primaire en scheppende instantie van de mens – het onbewuste is in de analytische psychologie de ‘eeuwig scheppende moeder van het bewustzijn’. In die scheppingskracht zit een beweging verscholen, een energieke, creatieve, stuwende kracht, die – bij gebrek aan een betere omschrijving – ‘voorwaarts’ is gericht, naar te toekomst verwijst. Kort gezegd: het onbewuste wil, aldus Jung, tot bewustzijn komen, wil tot ontwikkeling komen.

Contact met het psychische conflict

Daarmee is de analytisch therapeutische visie op psychische conflicten in hoofdzaak dan ook niet (zoals dat bij de psychoanalyse wel het geval is) gericht op het verleden. De psychoanalyse is gericht op het opheffen van de psychologische remming die optreedt, doordat het verleden voortdurend in het heden wordt getrokken door herhaling in het psychische conflict. De analytische psychologie is eveneens gericht op de opheffing van psychologische remmingen, maar gaat er daarnaast vanuit dat een psychische conflict de wens symboliseert van het onbewuste om iets tot stand te brengen, om zich te voegen bij het bewuste en tot één geheel te worden.

Dit ‘geheel’ te worden, komt aldus Jung tot stand wanneer het bewuste weer in contact komt met het onbewuste. En dit contact komt tot stand, door contact te maken met het psychische conflict. Dit maakt dat een psychisch conflict als jaloezie voor Jung niet slechts als iets negatiefs ziet, niet enkel als een potentieel vernietigende kracht, maar ook als iets positiefs.

Een psychisch conflict kan, aldus Jung, een heilzame factor verbergen, een kracht die leidt tot vorming en verdere ontwikkeling – tot heel-ing – van de persoonlijkheid. Precies het psychische conflict nodigt namelijk uit om het contact tussen het onbewust en het bewustzijn te herstellen.

Individuatie en individuatieproces

Dit proces wordt door Jung het individuatieproces genoemd. Individuatie betekent daarbij ‘tot individu worden’, dat wil zeggen: ‘tot een eigen Zelf worden’. Dit proces is in feite een natuurlijk en autonoom proces in de persoonlijkheid, het is gegeven aan elk mens. Individuatie is de aanduiding voor een natuurlijk rijpings- of ontplooiingsproces, dat parallel loopt aan het groeien en ouder worden van het lichaam.

Een psychisch conflict als jaloezie maakt echter duidelijk dat dit natuurlijke proces verstoord is geraakt. Bovendien duidt het innerlijke conflict niet alleen op deze verstoring; het lijden spoort er tevens toe aan om het individuatie proces (opnieuw) in gang te zetten, om de remming, de verhindering of de afbuiging te herstellen en het proces weer terug op de rails te zetten.

De eerste fase van het individuatieproces leidt tot de ervaring van de schaduw – het symbool van onze ‘andere  kant’. De schaduw is, in de analytische psychologie, onze ‘donkere broeder’, in eerste instantie vaak onzichtbaar voor onszelf, maar tegelijk altijd al onafscheidelijk aan ons verbonden, onderdeel van onze totaliteit. Vaak en bijna vanzelfsprekend toont de schaduw zich als eigenschappen van onszelf, maar wel die eigenschappen waar we slechts met grote moeite en tegenzin bereid zijn om toe te geven dat ze bij ons horen.

De Schaduw

De Schaduw vormt de eigenlijke tegenpool van ons bewuste Ik en bevindt zich op de drempel naar het onbewuste. Om, aldus de analytische psychologie, in contact te komen met het onbewuste, om  de energie van het onbewuste weer laten stromen, moet de Schaduw onder ogen gezien worden.

De Schaduw vertegenwoordigt daarbij het gebied van alle persoonlijke, duistere belevingen die nooit in het daglicht treden. Voor een deel bevinden zich in de schaduw bijvoorbeeld onze plots opkomende woedeaanvallen die ons overvallen, ons grove gedrag, onze kleingeestigheid, onze brutaliteit of tactloosheid, onze meedogenloosheid of juist ons schaamteloos geflirt en seksuele verlangens en fantasieën. Voor een deel bestaat de Schaduw dus uit eigenschappen die onder normale omstandigheden zorgvuldig onderdrukt en/of verborgen worden en waarvan het bestaan vaak nauwelijks wordt vermoed.

Maar de Schaduw betreft meer dan enkel ‘het verborgene’. In feite betreft de Schaduw in zijn geheel onze primitieve en onaangepaste zijde. Niet alles daarvan is per definitie schadelijk of in absolute zin iets verkeerds. De Schaduw kent namelijk ook kinderlijke en primitieve kanten, die het leven juist iets energieks en moois geven. Echter, deze kanten worden vaak afgestoten, meestal onder de druk van het sociale, om aan vooroordelen van de omgeving te ontkomen en te voldoen aan de regels van sociaal fatsoen en maatschappelijke gewoonte, opgelegd door het collectief.

candle-335965_640

De Schaduw als moreel probleem

Judith Hubback, een Jungiaans analytisch therapeute die in 2006 op 88-jarige leeftijd is overleden en zich in haar eigen leeranalyse o.a. heeft beziggehouden met jaloezie, schreef in 1972 een prachtig artikel over jaloezie en de Schaduw.[2] Hubback wees in dit artikel op een interessant gegeven, namelijk: dat schaduwproblematiek vaak problematiek betreft die van morele aard is.

Hubback wijst er in haar artikel nadrukkelijk op dat Jung de problematiek van de Schaduw en het innerlijke conflict regelmatig verbindt aan problemen van morele aard. Zo wijst Jung er in zijn opstel over de functie van het onbewuste bijvoorbeeld op dat dwangneurosen vaak aan de oppervlakte de schijn in zich dragen van een moreel probleem[3]: omdat iets niet mag, moet dit kwaad bezworen worden door middel van ceremonies die de dwangneurose vormen. In hetzelfde opstel schrijft Jung over de ervaring van het psychische conflict: ‘Men voelt zich verstrikt in een denigrerende, onvrije en onethische situatie.’[4]

Op basaal niveau is dit goed te begrijpen: de Schaduw vertegenwoordigt immers vaak precies datgene wat een persoon niet wil zijn – de Schaduw doorkruist dus simpelweg de moraal waaraan een persoon wil voldoen. Of confronteert met de onbewuste wens of fantasie niet te voldoen aan de geldende moraal. Op ingewikkelder niveau wil dit zeggen dat de innerlijke problemen en psychische conflicten van iemand ontstaan doordat er een eigenschap of verlangen in iemand botst op het geheel van door de groep of cultuur geaccepteerde gedragsregels.

De individuele Schaduw breekt dus in feite met de algemeen geldende moraal. De confrontatie met de Schaduw betekent daarbij vaak ook een confrontatie met de sociale regels, met normen en waarden van de groep waartoe men behoort en graag toe wil blijven behoren, maar waar de Schaduw zich tegen afzet. Hier begint het psychische conflict.

Individuatie op het niveau van de Schaduw betekent dan ook vaak een losmaken van het collectief. De vorming van de eigen persoonlijkheid als geheel betekent een zich bewust en onvermijdelijk losmaken van de toestand van onbewustheid van de ‘kudde’. Het betekent een Zelf te vormen dat zich onderscheidt van de algemeen geldende moraal die ‘voor iedereen’ – voor het collectief – geldt.

Op deze manier is Zelfverwerkelijking – individuatie – in Jungiaans perspectief, niet alleen een afscheidende beweging –  het is een losmaken van het collectief – maar vooral ook een ethische beslissing. Individuatie betekent autonoom worden, dat wil zeggen: het zelf gaan bepalen van de Eigen wet. In de positieve aanvaarding van het Zelf, schuilt immers de eigen bepaling dat dit Zelf goed is, oké is, aanvaardbaar is.

Dat is een ethische besluit, een beslissing waarbij, door het aanvaarden van de Schaduw, de mogelijkheid is ontstaan om afstand te nemen van de geldende moraal en hier zelfstandig op te reflecteren en zo tot een eigen ethiek te komen.

Jaloezie en analytische therapie

In de Jungiaans analytische therapie zal de patiënt dan ook worden aangemoedigd om het individuatieproces aan te gaan. Daarbij zal de patiënt door de analytisch therapeut begeleid worden zijn Schaduw onder ogen te zien. Wanneer daarbij gestuit wordt op jaloezie, zal de jungiaanse analyse er toe aanmoedigen om deze jaloezie te omhelzen en de jaloerse impulsen in een actieve imaginatie uit te leven om zo te ontdekken wat de jaloezie de patiënt te vertellen heeft.

Let wel: de actieve imaginatie betreft hierbij een proces dat zich in de fantasie en de reflectie afspeelt. Zoals ethiek betekent: de systematische reflectie op wat ons moreel beweegt en moreel doet handelen, zo betekent het individuatieproces: te komen tot een eigen ethiek. Dat wil zeggen: te komen tot een afstand tot de eigen fantasie, zodanig dat deze gemanipuleerd kan worden en gecontroleerd kan worden. En zodat hierop gereflecteerd kan worden.

Actieve imaginatie betekent dus nergens de fantasie uitleven in de werkelijkheid – Jung waarschuwt hier zelf ook nadrukkelijk voor. Het betekent de fantasie uitleven in fantasie. Doel en opzet van de analytische behandeling is dat de patiënt zo actief contact kan maken met het eigen onbewuste. Dit biedt verruiming voor het bewustzijn: de handelingsmogelijkheden en –kansen voor de patiënt worden verbreed.

Jaloezie betekent in deze opzet dat het niet enkel de wens vertegenwoordigd om tot een letterlijke vernietiging te komen van het object waar de patiënt jaloers op is. In de analytische behandeling van jaloezie betekent jaloezie juist dat er vooral de onbewuste wens is om tot ontwikkeling te komen en om die eigenschappen die jaloezie wekken in zichzelf tot groei te laten komen.

Om toe te lichten hoe dit werkt zal ik in mijn volgende blog jaloezie vanuit Jungiaans analytisch perspectief nog wat proberen te verduidelijken.


[1] Zoals reeds eerder vermeld: het is een mythe dat er binnen de psychoanalytische praktijk een eenduidige visie is op de theorie en praktijk van het analyseren. Zelfs Freud zelf bracht in zijn eigen theorie van de psychoanalyse wijzigingen aan – zijn visie op analyse toen hij deze net lanceerde verschilt aanzienlijk van de analyse zoals hij deze presenteert rond het einde van zijn leven. Dé psychoanalyse bestaat simpelweg niet: er zijn vele analyses en vele opvattingen over wat analyse inhoudt en hoe het vorm zou moeten krijgen.

[2] ‘Envy and the Shadow’, in ‘Journal of Analytical Psychology’, volume 17, issue 2, p. 152-165, July 1972

[3] ‘De functie van het onbewuste’, p.65, in ‘Het Ik en het Onbewuste’, in ‘Persoonlijkheid en overdracht’, C.G. Jung, 3de druk 1995

[4] ‘Onderscheid tussen het ik en het onbewuste’, p. 113, in ‘Het Ik en het Onbewuste’, in ‘Persoonlijkheid en overdracht’, C.G. Jung, 3de druk 1995


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought on “Jaloezie en analytische psychologie

Geef een reactie