Nee, wees maar niet bang. Ik ga hier niet mekkeren over liefdesverdriet. En dit wordt ook geen gejengel over hoe groots de liefde zou zijn. Of hoe diep de val kan zijn wanneer de liefde je ontglipt. Nee, dat ga ik niet doen. Ik wil slechts schrijven over de vraag waar iemand naar zoekt wanneer diegene zegt: ‘Ik zoek de liefde’. De liefde, ongrijpbaar en vluchtig, zoals als de stilte tussen de woorden of het wit tussen de letters. Wat vind je eigenlijk wanneer je de liefde vindt?
Ik ga schrijven over de liefde, zoals we die steeds weer terug vinden in ons leven – opnieuw, opnieuw en opnieuw – maar niet herkennen. Want, zo luidt mijn stelling: liefde is eigenlijk de onzichtbare herhaling van wat er in onbereikbare herinneringen is geëtst. Liefde is een herschepping van een herinnering waar we geen woorden voor hebben, opgeslagen als het is in een geheugen waar we geen directe toegang toe hebben. Liefde is onze poging die situatie te herscheppen van waar we in oorsprong, als kind, als onschuldige in de wereld, vandaan komen.

Verliefd lichaam
Voordat ik verder schrijf over liefde is het belangrijk om aan te geven dat ik altijd heel nadrukkelijk een onderscheid maak tussen ‘liefde’, ‘verliefdheid’ en ‘lust’. Uiteraard, de drie termen hangen met elkaar samen. Maar de begrippen zijn niet hetzelfde, ze zijn niet inwisselbaar. Als verschijnselen kunnen de liefde, verliefdheid en lust namelijk heel goed individueel bestaan. En ze hoeven ook helemaal niet noodzakelijkerwijs in elkaar over te lopen.
Een ieder die wel eens verliefd is geweest, die zal – de verleden tijd geeft het al weg – bijvoorbeeld weten dat juist de verliefdheid ooit eindigt. Een constante staat van verliefdheid bestaat niet, lichamelijk is dat simpelweg niet vol te houden. Verliefdheid is eindig. Verliefdheid vervaagt, onherroepelijk.
Verliefdheid is een lichamelijk proces, het is de wisselwerking tussen twee lichamen die onzichtbaar stoffen uitwasemen die in elkaar grijpen als lego-steentjes (feromomen). Bij dit proces worden, in reactie op deze ‘klik’, amfetamineachtige stoffen aangemaakt – waaronder bijvoorbeeld dopamine, een stofje dat zorgt voor een gepassioneerd, euforisch gevoel. (Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat mensen met veel dopamine in hun hersenen vaak en in hoog tempo verliefd kunnen raken.)
Het verliefde lichaam kan echter de voortdurende stimulans en productie van amfetamineachtige stoffen niet oneindig aan. De binding zal op den duur ‘oplossen’, het proces zal uitgewerkt raken en dat zal gebeuren, ongeveer tussen de 6 en ongeveer 18 maanden, misschien iets eerder, misschien iets later. Wie geluk heeft, schakelt na deze periode van verliefdheid over op de liefde. Maar het is ook goed mogelijk dat, met het vervagen van de verliefdheid, de liefde verder nooit start. Pijnlijk, maar zo is het leven.

Lustig lichaam
Lust is eveneens vooral een hormonale kwestie, maar totaal andere hormonen spelen een rol. Met name de hormonen testosteron, adrenaline en noradrenaline spelen een belangrijke rol. Testosteron beïnvloedt in de hersenen – overigens zowel bij mannen als vrouwen – een netwerk van centra die verantwoordelijk zijn voor opwinding en lust. (Zo geldt voor een vrouw bijvoorbeeld dat ze met alcohol méér testosteron aanmaakt en een verhoogde zin in seks krijgt. Voor een man geldt juist het omgekeerde: te veel alcohol zorgt voor een daling van de testosteron, waardoor hij minder voor elkaar krijgt.)
Verliefdheid en lust zijn dus biochemisch twee verschillende dingen. Tegelijk lopen ze vaak in elkaar over en kennen ze ook in biochemisch opzicht wel een duidelijke verwantschap. Want de hormonen adrenaline en noradrenaline, die dankzij de amandelkern in de hersenen worden geproduceerd bij het gevoel van seksuele opwinding en het opwekken van lust, zijn nauw verwant aan het eerder genoemde dopamine, de boodschapper van verliefdheid. Een overgang van lust naar verliefd is dan ook heel natuurlijk. Maar nog steeds niet noodzakelijk. De processen kunnen stoppen.
Impliciet geheugen
Uiteraard betekent bovenstaande niet dat verliefdheid en lust gereduceerd kunnen worden tot ‘slechts’ biochemie. Verliefdheid en lust zijn geen ‘simpele’, enkelvoudige kwesties van biochemische processen. Er is meer van invloed. De processen beginnen niet vanuit het niets te lopen. Ze worden ergens door geactiveerd, het lichaam reageert ergens op, automatisch en onbewust. Wat ‘triggert’ dan de processen?
Het antwoord op die vraag ligt verscholen in ons impliciete geheugen. In modern geheugenonderzoek wordt er onderscheid gemaakt tussen impliciete en expliciete geheugenprocessen. Het expliciet geheugen verwijst daarbij naar de opslag van gebeurtenissen en feiten die via het gesproken woord toegankelijk zijn. Het gaat over herinneringen waar we gemakkelijk toegang tot hebben door terug te denken.
Het impliciete geheugensysteem echter bevat informatie die niet onder woorden gebracht kan worden. Impliciete kennis wordt niet herinnerd, maar wordt ‘gehandeld’, het wordt ‘tot uitvoering’ gebracht. In het bijzonder komt het impliciete geheugen tot uitdrukking in de relationele patronen, dat wil zeggen: het impliciete geheugen manifesteert zich o.a. in verliefdheid en de lust. En in de liefde.
Impliciete liefdesval
Ook de liefde wordt dus, net als verliefdheid en lust, bepaald door het impliciete geheugen. In de liefde zit dan ook iets preverbaals, iets waar geen woorden voor zijn, maar wat vooral met het lichaam aangeduid kan worden. Naar die ervaring wijst de prachtige Engelse uitdrukking ‘falling in love’ al. Net als de Nederlandse uitdrukking naar vooral die lichamelijk ervaring verwijst met de woorden: ‘Ik ben voor je gevallen’.
Iets in de liefde heeft te maken met vallen, met onderwerpen. Werkelijke ‘liefde’ is niet zozeer een overwinning, maar vooral een beweging van vallen. Het is een onderschikking, een (psychologisch) neerstrijken aan de voeten van je partner. Het is een onderwerping, niet zozeer aan de ander – hoewel de ander natuurlijk wel een rol speelt – maar vooral aan een bijzonder krachtig, fundamenteel menselijk en eigenlijk onontkoombaar proces. Dat proces noemen we hechting. Het is de hechting waar we ons – onbewust – aan onderwerpen.
Hechting is daarbij eigenlijk een veel te eenvoudig woord voor iets dat feitelijk essentieel en fundamenteel is aan ons menselijke bestaan en aan hoe wij relaties aangaan. Hechting omvat de kern van al onze relaties. Het is wat al onze relaties doorspoelt. Het is het woord dat bepaalt wat onze invulling is van het woord ‘liefde’, wanneer iemand zegt: ‘Ik zoek liefde’.
Biologie van de liefdesval
De biologie van hechting – en daarmee de biologie van de liefde – maakt de liefde tot een val, maar dan meer in de ‘strikkende’ zin van het woord. Vanuit de biochemie bekeken kan je stellen dat de liefde een valstrik is, iets waarin je verzeild raakt en waarbij eventuele ontsnappingspogingen ernstige gevolgen kunnen hebben.
Dat ligt er vooral aan dat het proces van hechting verbonden is aan de productie van endorfine: een aan morfine verwante stof met een pijstillende werking, dat een gevoel van geluk en welbevinden veroorzaakt. En endorfine kan, net als morfine, een verslavend effect hebben. Liefde kan dus biochemisch letterlijk verslavend zijn. En ontsnappen aan een verslaving is pijnlijk en kan, als er geen goede begeleiding is, daadwerkelijk schadelijke gevolgen hebben.
Het schrikbarend diepliggende fundament dat onze hechting ons biedt, wordt ook vooral duidelijk op het moment dat mensen voorbij het stadium van de verliefdheid komen, zich wagen aan de liefde – zich dus hechten – en dan vervolgens geconfronteerd worden met een breuk. De partner wijst bijvoorbeeld iemand af en besluit de relatie te beëindigen. Het biochemische resultaat is daarbij dat de kraan tot de endorfine wordt dichtgedraaid – de toevoer van de stof die even verslavend is als morfine wordt stopgezet.
Afhankelijk van de wijze waarop je gehecht bent – ben je veilig gehecht, onveilig-vermijdend, ambivalent of gedesorganiseerd – kan dit stopzetten van de productie van de endorfine heftige gevolgen hebben. De liefdespartner die verlaten wordt kan te maken kan krijgen met een heftig en obsessief verlangen om de ander te zien, om het weer goed te maken, om hem of haar weer terug te veroveren.
Die behoeften zijn eigenlijk nauwelijks meer te sturen met de ratio en dat heeft er met name te maken dat de behoefte eigenlijk puur fysiek is. Rationeel kan je misschien nog weten: het klopt niet wat ik doe. Maar op lichamelijk niveau smacht je, zoals een harddrugsverslaafde ook smacht, naar de volgende ‘shot’ van geluk en euforie. Lichamelijk wordt er bij liefdesverdriet vrij letterlijk afgekickt: cold turkey.
Onvermijdelijk treden er ontwenningsverschijnselen op, die ook lichamelijk goed voelbaar zijn. Zelf herinner ik me bijvoorbeeld nog goed hoe, toen een relatie van mij werd beëindigd, ik letterlijk fysiek misselijk was, last had van intens kokhalzen en rillingen die over mijn rug en armen gleden en een grote mate van nervositeit en rusteloosheid ervoer die in de buurt kwam van paniek. Het waren in eerste instantie verschijnselen die ik nauwelijks kon hanteren en ik wilde slechts één ding: er van af komen. Ik wilde terug, het veilige nest van geluk in.
In feite had ik dus letterlijk last van afkickverschijnselen, want de toegang tot mijn geluksdrugs was me ontzegd. Of je nu de training voor counselor hebt gevolgd, volleerd therapeut bent of de directeur bent van een groot bedrijf: jouw ratio beschermd je niet tegen de irrationaliteit van je lichaam. En misschien zijn die afkickverschijnselen ook niet perse verkeerd. Ze zijn uitermate onaangenaam, maar tegelijk duiden ze iets aan: ze laten zien dat je je oprecht gehecht had aan iemand: dat je werkelijk voor iemand ging.
Afhankelijk van de wijze waarop iemand gehecht is, kan de schade echter werkelijk bijzonder groot zijn. In psychologisch opzicht – waarbij zeker ook de persoonlijkheid en de draagkracht van degene die verlaten wordt een rol speelt – kan liefdesverdriet zelfs leiden tot een daadwerkelijke posttraumatische stressstoornis. Niet onvoorstelbaar wanneer liefdesverdriet in feite de ervaring is van het zonder begeleiding, radicaal afkicken van een verslaving. Een trauma op zich.
In menselijk gedrag kan liefdesverdriet – kan het doorbreken van de hechting – leiden tot drama’s van stalking en obsessie, puur om de ‘fiks’ terug te krijgen. Feitelijk is dat geen abnormaal gedrag: gezien wat er aan de hand is, is het vooral te voorspellen gedrag, dat voorkomt uit een intens lichamelijke behoefte om een biochemisch evenwicht te herstellen.
Zelfs publieke figuren kunnen van dit gedrag last krijgen na een afwijzing. Kijk bijvoorbeeld naar de zaak van Heleen Mees, de econome, publiciste en ‘powervrouw’ die uiteindelijk door top-econoom Buiter werd aangeklaagd omdat ze hem en zijn familie zou stalken en bedreigen en met honderden mails en sms had bestookt, nadat een uit de hand gelopen affaire tussen de twee abrupt was stopgezet.
Let wel: ik pleit het stalkersgedrag door Mees hiermee niet goed – het is angstaanjagend en in psychologisch opzicht uitermate pijnlijk en intimiderend gedrag. Maar ik zeg dat het te verklaren valt. Er was immers sprake van iemand die zich gehecht had aan iemand, die zich daarbij aanvankelijk kon verlustigen in een warm bad van geluksendorfine en die toen plotseling uit het paradijs gegooid werd: de drug stopgezet.
Dat alles gebeurt echter tegelijk zonder dat iemand daar zelf grip op kan krijgen, omdat er niet wordt uitgelegd wat er eigenlijk – vooral ook lichamelijk – allemaal aan de hand is. En daarbij is er ook moeilijk hulp bij te krijgen, want vaak schrijven we de liefdespijn maar al te gemakkelijk af als ‘ludduvudu’. Maar dat laconieke woord dekt simpelweg de lading niet van wat er allemaal aan de hand kan zijn.

Psychologie van de liefde
Tot slot is er nog een derde manier waarbij er gesproken kan worden van een liefdesval. De liefde is namelijk een psychologisch spiegelpaleis: wat je ziet – wat je zoekt – is in feite steeds een terugwijzing naar jezelf. Psychologisch is de liefde de terugwijzing naar die eerste eigen herinnering die je niet bewust meer kan hebben, maar die je in je gedrag, in de wijze waarop je relaties aangaat, steeds opnieuw tracht te herleven.
In de psychoanalyse is de visie dat iedere liefde, iedere speurtocht en zoektocht naar liefde, in feite een zoektocht is naar die éérste, volstrekt afhankelijke en toch almachtige liefde, zo zalig in al haar volkomenheid: de relatie tussen ouder en kind. Zoeken naar de liefde is het zoeken naar het innerlijke kind dat tevreden en voldaan aan de moederborst kan liggen. Wie zoekt naar de liefde, zoekt naar die ervaring van eenwording.
De liefde is, wat Freud zo mooi noemde, het ‘oceanische gevoel’. Het is het ervaren van iets eeuwigs, een gevoel van iets grenzeloos – zoals de zuigeling dat mag ervaren in de ontmoeting met een wereld die op dat moment niet ‘anders’ is dan de zuigeling, maar ermee samenvalt, er volstrekt aan gelijk is: zuigeling en wereld zijn één. De liefde is de herinnering aan die ervaring, waarbij de grenzen tussen wereld en het ik, tussen zelf en de ander, wegsmelten, één worden.
Maar dat is tegelijk ook de val van de liefde. Mensen trachten in hun zoektocht naar de liefde vaak voortdurend iets te herscheppen dat echter voorgoed voorbij is. Wie dus denkt de liefde te hebben gevonden, die raakt het eigenlijk op hetzelfde moment kwijt. Want het moment van de herkenning van de liefde, is nóóit het moment van de oorspronkelijke liefde zelf. Die liefde, die oorspronkelijke liefde, bestaat niet langer en leeft slechts in het verlangen achter het eigen handelen voort.
Het onverzadigbare verlangen naar liefde, zoals dat zich bij sommige mensen kan manifesteren, zal per definitie onvervuld blijven. Deze mensen die zich daarbij, in hun zoektocht naar de liefde, van de ene relatie, hals over de kop in de andere storten, in de overtuiging bij die volgende wél de liefde te vinden, die komen dan ook voortdurend bedrogen uit.
Waarschijnlijk geldt voor die personen dat het gevoel van geluk, veroorzaakt door endorfine, eigenlijk niet te bereiken valt. In ieder geval niet totdat wat ervoor ligt aan blokkades kan worden opgelost. Hoogstwaarschijnlijk geldt bij die personen namelijk dat er een grote mate van endorfineresistentie is ontstaan. Kortom: de stof is er wel – en kan ook ervaren worden – maar de ervaring is te kortstondig.
Het effect is zodanig afgenomen – door trauma’s, wegstoppen van emoties, overmatige hoeveelheden stress – dat er een voortdurende zoektocht is om de leemte, de leegte, te vullen. Er is dan sprake van een omgekeerde verslaving: er is geen sprake van een daadwerkelijk tekort, maar de ervaring van de endorfine is op den duur steeds te zwak, schiet omhoog, maar zakt ook heel snel weer en wekt zo een voortdurende verlangen op om de afwezigheid van euforie op te vullen.
Het verhaal dat de endorfine lichamelijk aan de liefdeszoeker vertelt, kan geen stand houden; de hechting kan geen plek vinden. Want de ander is nu eenmaal permanent anders. En éénwording bestaat niet langer, de staat van de zuigeling is voorgoed voorbij. De ruimte voor de liefde wordt kortom steeds opnieuw gevuld met iets een herinnering die onherroepelijk vervluchtigt, oplost en vergaat. En dan begint de zoektocht opnieuw.

Liefde zoeken
Wie zegt: ‘Ik ben op zoek naar liefde’, loopt het gigantische risico dat hij of zij op de verkeerde plek zal zoeken. Dat er bij de zoektocht namelijk vooral naar de ander wordt gekeken om de liefde te vinden. Maar in dat geval zal zoektocht onherroepelijk zal falen. De liefde kan niet bij de ander gevonden worden. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen.
Ten eerste: wie de liefde zoekt bij een ander, probeert de eigen ervaring te herscheppen door een ander daarvoor in te zetten. Maar onherroepelijk is die ander, is je liefdespartner, fundamenteel anders dan jij. Je partner lijkt misschien op jou, maar ís niet jou. Hij of zij kan dus ook de rol niet spelen die je wilt – zelfs al zou hij of zij dat met de beste wil voor je verlangen – omdat hij of zij simpelweg niet weet welke rol het is die gespeeld moet worden.
Bovendien kan degene die zoekt, eigenlijk ook niet vertellen wat die herinnering is die herschapen moet worden, omdat die zoekt naar een ervaring die in het impliciete geheugen is opgeslagen. Er wordt gezocht naar de herschepping van een woordeloze ervaring, die niet uit te leggen valt en waarvoor geen instructie te geven is. De ander zal in die zin ook altijd, per definitie falen, omdat hij per definitie afgescheiden is van de ander, zoals de ouder dat uiteindelijk ook, onherroepelijk, was voor het kind.
Ten tweede: wie de liefde zoekt bij een ander, die houdt er geen rekening mee dat geen twee ervaringen gelijk zijn. Wat in het hoofd bij de een zit, hoeft helemaal niet in het hoofd van de ander te zitten. En als het er wel zit, dan zit het er op een andere manier.
Mensen houden nooit op dezelfde manier van elkaar en ook nooit in dezelfde mate. Mensen zijn in de basis op verschillende wijze gehecht en de ervaringen áchter die hechting zijn ook nog eens verschillend. Kortom: wie de liefde zoekt bij de ander en erop vertrouwt dat de ander die liefde herkent en daarom de herinnering kan herscheppen, die komt voortdurend bedrogen uit.
Omdat het geheugen en de liefde zo zeer samenhangen, kan diegene die zegt: ‘Ik zoek de liefde’, de liefde dan ook slechts vinden door de zoektocht niet naar buiten te richten, maar naar binnen. Hij of zij zal de liefde slechts op één plek kunnen vinden: bij zichzelf. De liefde is namelijk geëtst in zijn of haar lichaam, in zijn of haar psyche en in zijn of haar ziel. Het zijn de eigen herinneringen die gezocht moeten worden. Slechts dáár kan de liefde gevonden worden.
Wie werkelijk de liefde wil vinden, die zal de zoektocht naar de ander moeten loslaten. De zoektocht zal zich moeten richten op zichzelf. Er zal gekeken moeten worden naar wat hem of haar zelf drijft. Daar ligt de ware liefde. En pas dan kan ook de ware liefde, niet bij, maar samen met, de ander gevonden worden. Omdat je dan pas niet langer jouw eigen projectie van liefde over de ander heen werpt en hem of haar in een kader duwt waar die ander niet in thuis hoort. Daarmee doe je immers de ander weinig recht en de zoektocht is ermee tot een voortdurende mislukking gedoemd.
Liefde gaat in die zin dan ook vooral over loslaten. Het is het loslaten van het beeld dat je van de ander hebt en je richten op je eigen, innerlijke leven. Het is het werkelijke vallen, in de diepte, in de leegte van onszelf, die een mens leert wat liefde werkelijk is.
Daarom zeg ik, in mijn eigen zoektocht naar de liefde, met respect voor de ander:
Ik laat me vallen. En ik laat je los…
(Voor de informatie over de biochemie van de liefde heb ik vooral gebruik gemaakt van “Liefde: wat hersenonderzoek onthult over de klik, de kus en al het andere.” (Mark Mieras, Nieuw Amsterdam Uitgevers). Voor de psychoanalytische achtergrond van de liefde heb ik gebruik gemaakt van: “Alles over de liefde: anatomie van een onbeheersbare emotie.” (Lisa Appignanesi, De bezige bij).
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.


Dat was verhelderend .. Om over de biochemie te lezen van lust en verliefdheid. En steunend vond ik wat je schreef over liefde, het in jezelf zoeken …dat lees ik zó: dat opent de mogelijkheid om in elke situatie contact met liefde te maken.
Bedankt!
Steven
Mooi Rogier!
Els
Dankjewel Els, leuk om te horen!
“Nee, wees maar niet bang. Ik ga hier niet mekkeren over liefdesverdriet..”
Een follow-up over onbeantwoorde liefde s’il vous plaît.
Hey Deander, een verzoek om een follow-up, wat leuk…ik zal kijken wat ik voor je kan doen….