Bestaansangst en het Leven Zelf

In deze blog ga ik in op een basale, menselijke kernervaring die we het liefste zouden willen ontkennen: onze bestaansangst. In tegenstelling tot wat vaak wordt veronderstelt, is deze angst voor het leven volgens mij namelijk géén psychologische dysfunctie die we eenvoudig als ‘angststoornis’ als DSM-classificatie weg kunnen stoppen. Onze bestaansangst komt niet voort uit oude, primitieve mythologieën en kinderlijke, religieuze verhalen. Mythen en religieuze oerverhalen kan men niet simpelweg ter zijde schuiven als waren ze onzinnig en betekenisloos.

In deze blog stel ik juist het omgekeerde. Onze Oude Verhalen zijn juist van betekenis en dragen een diepere zin in zich, precies omdat ze voortkomen uit onze eerste ervaringen met het Leven Zelf. Onze basale, werkelijke en existentiële angst was er éérst. Vanaf ons eerste begin was er, naast een ontembare nieuwsgierigheid en ontdekkingsdrang, voor de Primitieve Mens ook een alomvattende, verlammende angst voor de gegevenheid van het bestaan. Die onderliggende, ongrijpbare angst ligt volgens mij voor een groot deel ten grondslag aan de Oude Grote Verhalen die we elkaar vanaf het eerste begin hebben verteld. En we vertelden ze, precies als mechanisme om die angst voor het onvoorspelbare, onbeheersbare leven hanteerbaar te maken.

De wortels van onze oude, mythologische verhalen halen hun voeding volgens mij dan ook juist in onze ervaringen van angst, van schuld, van onmacht en eerbied voor het alomvattende Leven Zelf. Om dit te illusteren bespreek ik in deze blog uitgebreid de film ‘Life itself’ (2018). Let op, ik maar daarbij gebruik van aanzienlijke spoilers van de film! Dus als je ‘Life itself’ nog niet hebt gezien en dat wel van plan was: eerst kijken (het is een hartverscheurende aanrader)! En daarna natuurlijk deze blog lezen (aantal woorden: 7178, gemiddelde leestijd: 24 min)

‘Life Itself’ (2018)

De film ‘Life itself’ kwam in 2018 uit. De film had een sterrencast, met o.a. Olivia Wilde, Antonio Banderos, Laila Costa en Olivia Cooke in de hoofdrollen en was van de hand van regisseur en originele scriptschrijver Dan Fogelman (destijds al populair en bekend als bedenker van de ontroerende hitserie ‘This is us’).

De film flopte echter jammerlijk in de bioscopen. De film resulteerde in een wereldwijde opbrengst van een kleine 8 miljoen dollar, ten opzichte van een geschat productiebudget van 10 miljoen. De film werd daarbij ook genadeloos afgekraakt door filmcritici. “Emotioneel sadistisch,” kopte alleen al één vernietigende recensie (en dat zou nog niet eens het ergste aan de film zijn, vervolgde de kop nog).

Destijds zag ik de film in de bioscoop. En ik, zo herinner ik me, wilde me gedurende de eerste paar minuten van de aftiteling niet bewegen. Ik wilde langer in de film blijven. Ik wilde in de emotie blijven. Ontroerd blijven. ‘Life itself’ had me diep in mijn hart geraakt. Het is een film die ik dan ook bij me draag en die ik bewaar in mijn ziel, diep weggeborgen, als een kostbaar en kwetsbaar kleinood dat met tederheid omringd moet worden om het niet te beschadigen. Een beetje als het Leven Zelf, in feite.

Symbolische bewustzijn

Een kleine twee jaar later zat ik aan tafel tijdens de lunch met iemand te praten over het belang van mythen en verhalen. We hadden het over over het idee van ‘symbolisch bewustzijn’ en over mijn nieuwe, kleine zoektocht naar de betekenis van een onderdeel van het menselijk bestaan dat we – zo ervaar ik het tenminste – het liefste ontkennen: onze bestaansangst. 

We hebben het dus over existentiële angst. (Wie mij een beetje kent, weet overigens dat dit voor mij geen bijzonder vreemd onderwerp hoeft te zijn tijdens de lunch.) Zo kabbelt ons gesprek verder, waarbij ik vertel over mijn idee dat deze ongrijpbare angst voor het leven misschien wel samenhangt met de bijna vergeten Westerse mythe van de ‘original sin’: het idee van de erfzonde. 

Dat wil zeggen: ik veronderstel dat de kern van onze onderhuidse, liefst ontkende, bestaansangst misschien verbonden zou zijn het verhaal over hoe de oer-zonde van de mens in de wereld kwam.

Het verhaal van de erfzonde (Genesis 3: 6-13) is, zo stel ik, in feite het verhaal over hoe één bepalende gebeurtenis – hoe één ondoordachte handeling, tegen beter weten in – letterlijk álles mis kan laten gaan. Het is niet voor niets het verhaal waarin het paradijs verloren gaat. En waarin één handeling generaties later nog gevolgen heeft. Het is een verhaal met daarin een boodschap van onderhuidse angst – een onbepaalde, ongrijpbare, onderhuidse angst die we met ons meedragen, zonder dat we meer te weten waarom of hoe. 

Dat is een angst die – soms nauwelijks merkbaar, soms immens en ondraaglijk – op ons hart drukt. Deze angst – deze bestaansangst – is, zo vertel ik, misschien wel verbonden aan dit bepalende verhaal, waarvan we de diepliggende symbolen zijn vergeten. Of, belangrijker: waarbij we de betekenis van de symbolen die in dit verhaal zijn verwerkt, zijn kwijt geraakt. 

Het Leven Zelf

Terwijl ik hier enthousiast over vertel, kijkt mijn gesprekspartner me plotseling aan. Hij knikt en zegt: “Een beetje zoals in die ene film, over hoe één, tragisch en bepalend, moment van onoplettendheid resulteert in een fataal ongeluk. En waarbij die tragiek uiteindelijk op zo’n manier samenhangt dat alle verhaallijnen samenkomen in het ongrijpbare van het leven zelf.” 

Met die reactie voelde ik de intens ontroerende emotie van ‘Life itself’ weer door mijn hart spoelen. En plotseling wist ik met zekerheid dat mijn blog ook over deze film ging. “Ik weet precies over welke film je het hebt,” antwoordde ik. “En dat is precies waar ik het hier over heb. Het Leven Zelf.

Voor wie de film niet kent, een korte samenvatting van ‘Life itself’

Na een korte, misleidende introductie komt de jonge, hoogzwangere Abby Dempsey tragisch om het leven door een busongeluk. Afgeleid door haar geliefde Will, aan wie ze net heeft verteld dat ze zwanger is van een meisje, kijkt Abby bij het oversteken naar hem om, in plaats van dat ze naar rechts kijkt. En zo eindigt een liefde in de tragiek van het leven: plots, onafwendbaar, genadeloos. Door een bus die niet kan stoppen. 

Will, radeloos van verdriet, laat enkele maanden later zijn pasgeboren dochtertje Dylan, die het ongeluk heeft overleefd, achter. Hij kan die ene, afschuwelijke scheur in zijn hart, de vernietiging van de spil van zijn liefde, niet langer verdragen. Hij maakt, bijna even abrupt als Abby eerder uit het leven werd gerukt, een einde aan zijn eigen leven.

Een continent verderop, in een paradijselijke olijfgaarde in Spanje, groeit een kleine jongen, Rodrigo Gonzalez, op. Hij is geboren in een complexe relatie tussen zijn vader – een simpele, eerlijke en hardwerkende olijvenplukker – en de rijke eigenaar van de betreffende olijfgaard. En daartussen bevindt zich zijn tedere, lieflijke moeder Isabel: het object van liefde van deze twee mannen. 

Wat de relatie is tussen die jongen, het ongeluk en de uiteindelijk verteller van de film, is in feite de kern van de film, die ik hier dan ook niet wil verraden. Wel kan ik vertellen dat de film ‘Life itself’ vooral draait om de kracht van verhalen. 

‘Life itself’ laat op geniale en hartverscheurende wijze zien hoe het perspectief van verhalen voortdurend kan draaien, spiegelen en steeds voortleeft in de verhalen van weer anderen, verhaal na verhaal. De moeder van Rodrigo, die in de loop van de film terminaal ziek wordt, onderstreept dat nog, wanneer ze tegen haar zoon zegt: 

“Mijn leven, mijn verhaal, zal doorgaan nadat ik niet meer ben. Omdat jij mijn verhaal bent. Je bent je vader’s verhaal. En dat van je oom.”

Verhalen en bestaansangst

In de wijsheid van de woorden van deze stervende moeder schuilt een kern die mensen vaak en duidelijk vergeten in hun contact met elkaar. Ten minste dele, zijn we elkaars verhaal!

Zelden of nooit ontmoeten we elkaar anders dan in verhalen. Dat zijn overigens niet altijd de verhalen die we elkaar ook daadwerkelijk vertellen. Vaak zijn het juist verhalen die stilzwijgend rondzwerven in onze hoofden. Het zijn dan verhalen die we projecteren op de ander, en die we hebben gecreëerd door eerdere ervaringen, door onze opvoeding, door onze omgeving. 

Vaak merken we die verhalen niet eens echt op. Soms schieten ze opeens naar boven. In een plotselinge ontmoeting met iemand in een deuropening. In het schudden van een hand. In een simpele hoofdknik. Zo ontmoette ik bijvoorbeeld een keer iemand en plotseling zat ik gevangen in een oud verhaal van mijn moeder, over hoe ik niet deugde – en nooit zou deugen – in haar ogen.

Het was een lelijk verhaal, gevuld met angst en haat, zoals de meeste verhalen rond mijn moeder dat zijn. En ik kon niet voorkomen hoe dat oude verhaal op deze manier onvermijdelijk doorsijpelde in het heden. En hoe dat verhaal ongemerkt – en destructief – doorlekte in het contact met deze ander. 

Daarmee maakte ik die ander tot ‘mijn verhaal’. En zo zal het ongetwijfeld ook omgekeerd werken: ik ben onderdeel van het verhaal van anderen – zonder dat ik daar perse weet van heb. En vaak ook, zonder dat ik mij daar tegen kan verweren. 

We hebben dan ook, vaak onbewust, geen verweer tegen de verhalen die nog steeds leven. Daarbij gaat het niet alleen om recente, jonge, individuele en persoonlijke verhalen die invloed hebben op ons hedendaagse bestaan. Er zijn ook hele oude verhalen die ons (nog steeds) beïnvloeden. 

Één van de meest invloedrijke verhalen ooit verteld, zijn we volgens mij zelfs in feite vergeten. Dat verhaal heeft tegelijk nog steeds een bepalende invloed op hoe wij onszelf – als Mens – beschouwen. Ik heb het hier over een van de oudste mythen van de Westerse wereld. Ik heb het over de mythe van de zondeval en de erfzonde. 

Zondeval en erfzonde

Voor wie het verhaal van de erfzonde niets zegt, laat ik eerst een paar woorden vallen om het geheugen op te frissen. ‘Appel’. ‘Slang’. ‘Paradijs’. Ja? Daar gaat ongetwijfeld weer een lampje branden!

In dit derde vers van het eerste hoofdstuk uit de Westerse scheppingsmythe is het paradijs net af. God heeft de eerste mens – man en vrouw – alle geschapen vruchtbare weelde in beheer gegeven. Zoals bekend mag er van alle bomen gegeten worden. Behalve, je raadt het al: één. Er is een boom met de kennis van Goed en Kwaad, met sappige appels waar helaas niet gegeten mag worden. Natuurlijk is er ook een slang die misleidt om toch van dat lekkere fruit te peuzelen. Met het eten van die vrucht breekt dan eigenlijk het werkelijke avontuur van de mens los. 

Of beter gezegd: het avontuur van de mens begint in deze welbekende, duistere Westerse mythe over de ontstaansgeschiedenis van de mensheid in feite met één doordringende, bijna verlammende vervolgvraag: “Mens, waar ben je?” 

De mens heeft immers van de appel gegeten. Het heeft de kennis van Goed en Kwaad tot zich genomen. En met die kennis ontdekt het plots dat het naakt in de wereld staat. En het verbergt zich. De mens verbergt zich, voor elkaar. En voor het leven. 

Dan komt echter daar het wezen van het leven – we noemen het voor het gemak maar even God, maar je mag ook ‘het Goddelijke’, het ‘Al’, ‘de Werkelijkheid’ of ‘Het Leven Zelf’ noemen. Het Leven Zelf is hier op zoek naar de mens. Het is nieuwsgierig naar waar de Mens nu mee bezig is. En deze Mens heeft zich nu verborgen voor dit lot. Het Leven Zelf roept de Mens daarop ter verantwoording en vraagt: “Mens, waar ben je?”

Historische oorsprong van de Erfzonde

Nu zijn er allerlei variaties op de verhalen van de erfzonde. Er is het verhaal dat het begint met het eten van de appel zelf – en daarmee: met het overtreden van het gebod. (En vanzelfsprekend zijn er dan ook weer allerlei discussie over waarom dan dit gebod?).

Er zijn ook variaties van het verhaal die stellen dat de erfzonde in feite later aanvangt. De zondeval begint bij de ruzie tussen de eerste zonen van die eerste mensen. De erfzonde ligt in deze variant niet bij Adam en Eva, maar bij hun nageslacht, de broers Caïn en Abel. De erfzonde zit dan verscholen in het verhaal over de jaloezie van Caïn, die hem innerlijk verscheurde en die uiteindelijk tot de eerste (broeder)moord leidde. 

Interessant is het overigens dat de erfzonde zelf niet wordt genoemd in dit eerste bijbelboek Genesis, het oorsprongsverhaal van de mens. Het idee van het begrip ‘erfzonde’ is van latere afkomst, en is ergens anders ontstaan. Binnen de Bijbel komt het idee later naar boven in het boek Psalmen (51:7) en in Romeinen (5:12-19)

Buiten de bijbelse mythologie komt het idee van de erfzonde terug in de geschriften van de oer-kerkvader Augustinus van Hippo (354 – 430 na Christus). Daarmee zit dit idee over de zondige mens verstrikt in de ontstaansgeschiedenis en wortels van het Christendom. (Hoewel Augustinus overigens niet de eerste was. Er zouden al enkele vóór hem zijn geweest die het begrip introduceerden). 

In kritisch onderzoek naar de geschiedenis van de bijbel als ‘boek’ wordt echter ook aangenomen dat het bijbelboek Genesis in feite een samenstelling is van verhalen die ‘pas’ zo rond de 5de en 6de eeuw vóór Christus zijn samengebracht tot één boek (lees hiervoor bijvoorbeeld een ‘The Hebrew Bible today: an introduction to critical issues’ voor interessante kost!). 

Dit betekent echter dat er hoe dan ook een tijdsgat zit tussen verhaal en een eerste interpretatie ervan. Een gat van, welteverstaan, een kleine 900 tot 1000 jaar. Deze breuklijn heeft echter in het heden, in 2020, nog steeds invloed!

Erfzonde en Mensbeeld

Het heersende mensbeeld is nog steeds – en hardnekkig – dat van de niet-deugende (lees: zondige) mens. Ook anno 2020 is dat negatieve beeld van de Mens alom aanwezig. Je vindt dit beeld terug in overheidsbeleid, in werkgevers/werkenemersverhoudingen, in ons systeem van verzekeringen en belastingen (bewijs eerst maar dat je écht schade hebt geleden of dat je aangifte jusit is). Onuitgesproken is de aanname nog steeds dat de mens in feite inherent slecht is: geboren uit en met zonde. 

De mens is met andere woorden – onderhuids, ongrijpbaar, onuitgesproken – op de een of andere manier nog steeds het van die appel-snoepende, gebod-overtredende wezen, dat zich verborg na die slechte, gebrekkige daad. De Mens is het schepsel dat in wezen terecht uit het Paradijs werd verstoten: een zondig wezen, dat slechts met heel veel moeite in staat is tot iets goeds. 

Het punt van deze mini-historische analyse van één enkel, bepalend verhaal en vooral van de diepe, allesdoordringende invloed ervan, is om aan te wijzen hoe diepgaand we in feite beheerst worden door verhalen. Verhalen zitten tot in onze genen, in ons bloed, in onze biologie.

Mijn stelling? Precies in dít verhaal – dit verhaal dat we grotendeels zijn vergeten, of nog erger: dat we hebben verworpen óm het te kunnen vergeten – in dit verhaal van de erfzonde en onze verbanning uit het Paradijs, ligt volgens mij de symbolische wortel van onze bestaansangst. 

Het begrip angst

Om te weten waar ik het over heb als ik heb over ‘bestaansangst’, of ‘existentiële angst’, is het goed om eerst nog een korte uitstap te maken naar Søren Kierkegaard. Deze 19de eeuwse Deense filosoof, theoloog en cultuurcriticus wordt door zijn denken vaak beschouwd als de vader van het existentialisme.

Kierkegaard zelf noemde zich ook wel een ‘experimenteel psycholoog’. Hij was een literair productief schrijver. En tussen al zijn andere werken schreef hij o.a ook een klein (maar intens en gecompliceerd) werk met de titel: ‘Het begrip angst’.  In dit boek maakt Kierkegaard allereerst een allesbepalend onderscheid tussen ‘angst’ en ‘vrees’. 

Het begrip ‘Vrees’

Met ‘vrees’ bedoelde Kierkegaard in feite wat wij tegenwoordig ‘angst’ noemen. Vrees is de angst voor iets concreets, voor iets wat in de werkelijkheid bestaat. Het is de angst die verweven zit in de ervaring van ‘hoogtevrees’: wie ergens hoog op de rand van een toren of een berg staat, ervaart de concrete, gefocuste angst om te vallen. De mogelijkheid van het vallen is echt en concreet. Dat is vrees.

Het begrip ‘Angst’

‘Angst’ daarentegen is volgens Kierkegaard ‘vrees zonder focus’. Het is de onderhuidse, ongrijpbare gedachte – al is het maar voor een fractie van een seconde – dat er niet alleen een kans bestaat om te vallen, weg te glippen, weg te glijden. Er is nóg een mogelijkheid. Je kan namelijk ook loslaten en springen. 

In dat ongrijpbare moment, in dat doodsangst opwekkende besef, doorleef je volgens Kierkegaard in feite de ervaring van de keuze van de vrijheid, doorweeft door angst. Het is de absolute angst voor deze keuzevrijheid. Iets in onze menselijke aard is zich bewust van onze vrijheid. We zijn in feite níet gebonden. We kunnen doen wat we niet laten kunnen, zelfs als we wéten dat we het zouden moeten laten. En dat bewustzijn creëert daarmee een andere vorm van angst: het is onze bestaansangst. 

Dit is onze existentiële angst. Die we allemaal, zo stel ik, in meer of mindere mate ervaren. 

Het ‘Onverstaanbare’ Verhaal

Op het oorspronkelijke verhaal en de nagekomen interpretatie van de erfzonde in de religieuze (christelijke) traditie is veel – en veelal ook terechte – kritiek gekomen. De mythe van de erfzonde heeft onnodig leed veroorzaakt. Het heeft tot (nog meer) angst in het menselijk bestaan geleid: angst over wie we zijn als mens. Het heeft ons bij voorbaat veroordeeld en afgeschreven.

Daarmee is de mythe afgeschreven als onbruikbaar. En terecht, zo zou je op het eerste gezicht zeggen. Tegelijk is echter volgens mij dit verhaal ook ‘onverstaanbaar’ geraakt. Met ‘onverstaanbaar’ bedoel ik hier: we begrijpen de oorsprong van het verhaal niet meer. We kunnen de symbolen in het verhaal niet meer ‘verstaan’. 

Weet je nog dat ik deze blog begon met een verhaal over ‘symbolisch bewustzijn’? Precies dit symbolisch bewustzijn zijn we volgens mij grotendeels kwijt. We begrijpen daarom veel Oude Verhalen niet meer, omdat we symbolen letterlijk nemen. We begrijpen niet langer dat in verhalen elementen vaak naar iets ánders dan zichzelf verwijzen.

We begrijpen dan ook niet meer, dat onze bestaansangst er waarschijnlijk al was – lang vóór het Verhaal van de Erfzonde ontstond. En we begrijpen ook niet dat het verhaal van deze erfzonde misschien juist is ontstaan om – in symbolische taal – precies die originele angst van het bestaan onder controle te krijgen. De angst ontstond niet uit het verhaal. Het Verhaal ontstond uit de Angst.

We hebben kortom, zo luidt mijn stelling, het verhaal van de erfzonde juist uitgevonden om om te kunnen gaan met een bestaansangst die we allemaal al ervoeren, ruim voordat het verhaal erover er was.  En we móesten een dergelijk verhaal wel voor onszelf ontwikkelen. Want zonder een dergelijk verhaal hadden we misschien geen stap verzet uit onze spreekwoordelijke grotten en schuilplaatsen. 

De angst die bezworen werd met het verhaal, is echter eveneens moeilijk te bevatten en ook moeilijk te beschrijven. Ook deze wezenlijke angst zelf is in feite nog moeilijk door ons te ‘verstaan’. We hebben immers geprobeerd deze angst zo ver als mogelijk weg te dringen.  

We hebben geprobeerd de angst te verdoven, met onze cultuur, pillen, technologie en materiële rijkdom. We hebben de verdoving zo groot gemaakt dat wanneer deze angst wel de kop opsteekt (en dat doet het onherroepelijk) – die angst eigenlijk nauwelijks meer herkend, laat staan besproken, kan worden.

Bestaansangst: abstract en concreet

Het voorbeeld van Kierkegaard is sprekend. De man die op de rand van het dak staat en daar de tegenstelling ervaart tussen de vrees om te vallen en het verlangen om te springen. En die, precies ín die tegenstelling de wezenlijke angst voor de vrijheid – de angst voor de mogelijkheid – ervaart. 

Maar alle sprekendheid ten spijt: tegelijk is die beschrijving van de bestaansangst nog steeds relatief abstract. Er zijn weinig mensen die zich regelmatig op een dak bevinden. En die bovendien ook weten hoe het voelt om de door Kierkegaard beschreven angst te ervaren. 

Dat is echter tegelijk wel het probleem met deze angst. Ik geloof namelijk dat we allemaal best weten dat het er is. Ik geloof dat we het allemaal in meer of mindere mate ervaren. Maar dat we er ook het liefste over zwijgen. Bij voorkeur ontkennen we dat het er is. Of we stoppen het weg in een hokje met etiketten als ‘onbruikbaar’, ‘hysterisch’, ‘laf’ en ‘afwijkend’.

Wanneer deze bestaansangst dan toch doorlekt in ons dagelijkse leven, kan dat zo plotseling en met zulke grote hevigheid plaatsvinden, dat we het niet langer kunnen herkennen als angst, maar denken ter plekke dood te gaan. Ons lichamelijke systeem zegt dat in feite op zo’n moment ook tegen ons. Symbolisch spreekt het lichaam op zo’n moment de taal van de plotse dood tegen ons.

We krijgen in één moment tegelijk hartkloppingen. Gaan transpireren, trillen, beven. We hebben gevoelens van ademnood of verstikking, we voelen ons misselijk, duizelig, vallen misschien flauw. We denken dat we gek worden. We denken dat we een hartaanval hebben. Maar wat we hebben is onze angst die ons in de greep heeft en ons volledig en letterlijk door elkaar schudt. We hebben een paniekaanval.

Bestaansangst hoeft echter niet altijd zo heftig door te lekken in het leven. Zo ken ik bijvoorbeeld iemand die zijn existentiële angst iedere zondagavond ervaart. Ieder begin van de week, in de overgang van zondag op maandag, slaapt hij slecht. Hij voelt zich in de loop van de avond onrustig worden, de bezorgdheid neemt toe.

Zijn irrationele bezorgdheid voor de komende week laat zich tegelijk niet wegredeneren. Het kan alleen verdragen worden. Rationeel herinnert hij zich aan alle ervaringen van voorgaande weken. Hij denkt aan zijn professionaliteit, aan zijn kennis en vermogens om te kunnen gaan met wat er in de toekomst zou kunnen liggen. Het baat niet. 

Vroeger greep deze bezorgdheid hem bij de keel. Met de jaren is het minder geworden. Maar verdwenen is het nooit. Aan het begin van ieder week ervaart hij de angst voor het onbekende van wat voor hem ligt. Hij ervaart de angst voor de mogelijkheid, voor het potentieel van de week die komen gaat. 

Deze angst is niet allesoverheersend. Het is geenszins te vergelijken met een paniekaanval, het verlamt niet. Maar het is er in de vorm van onrust, van een gevoel van ongerustheid, van bezorgdheid, die zich niet laat verdrijven of zich laat beteugelen. 

Er is het vermoeden, een ongerustheid, dat het leven, hoe hij het ook wendt of keert, precies en werkelijk dat is: het Leven Zelf. Dat wil zeggen: onbetrouwbaar. Onvoorspelbaar. Onverwacht. 

‘Life itself’ en de Onbetrouwbare Verteller

In de film ‘Life itself’ stormt hoofdpersoon Abby Dempsey op een bepaald moment de ruimte binnen, vol enthousiasme uitroepend: “De Onbetrouwbare Verteller”! Ze heeft met die woorden volgens haar dé thesis voor haar afstuderen gevonden. 

De Onbetrouwbare Verteller, zo ratelt ze gepassioneerd in haar uitleg aan haar geliefde Will (en tegelijk aan de kijker), is een narratief gereedschap. In een verhaal wordt er een soort ‘Trickster’ mee ingebouwd. De Onbetrouwbare Verteller is wat een verhaal een plotse wending kan geven, omdat je als lezer of kijker plotseling ontdekt dat het verhaal over iets anders gaat dan je al die tijd dacht.

De Verteller zelf blijkt plotseling iemand anders is dan je al die tijd dacht (ik schreef bijvoorbeeld al eerder uitgebreid over het idee van de Onbetrouwbare Verteller en de Trickster in mijn blog ‘Joker en de verwarde samenleving’). 

Tegelijk, zo stelt Abby vol enthousiasme, is het idee van de ‘onbetrouwbare verteller’ in feite geen verhaaltechnisch ‘gereedschap’. De Onbetrouwbare Verteller is geen gimmick, volgens Abby. Het is inherent onderdeel van íeder verhaal. Omdat er immers altijd een afstand is tussen verteller en verhaal.

Verteller en verhaal vallen nooit samen. Er is altijd een wending. Zelfs bij een verhaal in ‘ik-persoon’ is er een afstand tussen verhaal en ‘ik’, omdat het verhaal in retrospect wordt verteld. De enige manier dat verhaal en verteller samen zouden kunnen vallen is wanneer de verteller het verhaal zef ís: ofwel, ‘het Leven Zelf’.

Daarmee is Abby echter nog niet klaar. Want, zo stelt ze: het Leven is in feite de Ultieme Onbetrouwbare Verteller! Omdat het precies het Leven Zelf is dat je voortdurend voor verrassingen stelt. Het leven biedt de meest plotse wendingen van alle verhalen. Het leven overvalt je, het verbaast je, het stelt je op de proef. 

Het Leven Zelf is in feite het meest onbetrouwbare verhaal ooit!

‘Life itself’ en ‘Make you feel my love’

Vormt bovenstaande nog niet voldoende reden om ‘bestaansangst’ als indirect thema te zien in de film ‘Life itself’? Dan is nog een reden om ‘bestaansangst’ te verbinden aan ‘Life itself’. De film vertelt namelijk wat het essentiële, fundamentele en in feite énige ingrediënt is dat een mens in staat stelt deze bestaansangst te hanteren.

In de film verhaalt de Verteller hoe er, in het favoriete album van Abby, ‘(Time out of mind’ van Bob Dylan), midden tussen al die songs die gekenmerkt worden door een oneindige melancholie en die stuk voor stuk een diep verdriet in zich dragen, plotseling een onvervalst romantisch liefdeslied verschijnt.

Het betreft de Bob Dylan song: ‘Make you feel my love’. Hoewel, zo verhaalt de Verteller, deze plotselinge uitschieter in het album een bron van veel kritiek vormt, is deze uitschieter volgens sommigen echter precies het hele punt van Dylan.

Dat wil zeggen: het vormt in wezen zijn antwoord op de vraag: ‘Als er zoveel lijden is – als het leven zoveel pijn doet – hoe kun je dan nog verder gaan?’ 

Hoe kan je het leven nog verdragen, wanneer, zoals Dylan dat zelf zingt in de song ‘Trying to get to heaven’: 

“When you think you’ve lost everything, you find out you can lose a little more.” 

Hoe, op zo’n moment – of zelfs: wáárom op zo’n moment – nog verder gaan? Dylan’s antwoord – en het antwoord in de film ‘Life itself’ – op deze bestaansangst, op de reële, donkere, angstige realiteiten van het leven, is eenvoudigweg: de Liefde

Dat antwoord lijkt cliché. Het is echter wel een liefde die veel verder gaat dan enkel de romantische liefde. Het is de liefde over de generaties heen. Het is de liefde van vergeving. Het is de liefde van menselijke verbondenheid, over alle tijd heen. 

Erfzonde als oermythe

‘Life itself’ gaat dan ook over de liefde van verhalen. De liefde van de hoop. Het is de liefde van moed om toch – wanneer het leven je neerslaat, neersteekt, op je neerkomt als een golf van onmacht en overmacht – om dan toch nog, toch weer, op te kunnen staan. 

Want in die confrontatie met het leven, in dat moment van pure bestaansangst, heb ik – heeft iedere Mens – een Verhaal nodig dat hem of haar verder helpt. Een verhaal dat de Mens weer een gevoel van betekenis, van zin, van controle, geeft.

Daarmee ben ik bovendien terug bij mijn verbinding tussen bestaansangst en de erfzonde. Gaat de film ‘Life itself’ dan over de erfzonde? Nee, zeker niet! Maar misschien, in indirect zin, toch ook weer wel.

Dat wil zeggen: als het verhaal van de erfzonde, zoals ik dat stel, in feite een oermythe is – een mythe die ooit, in primitieve oorsprong, bedoeld was om de Mens om te laten gaan met de fundamentele gebrokenheid die zo kenmerkend is aan het menselijk bestaan? Dan gaat ‘Life itself’ in indirecte wijze volgens mij ook over de ‘erfzonde’.

Om dat uit kunnen leggen is het van belang om nog twee dingen vooraf te begrijpen: 

  1. ‘Schuld’ kan een manier zijn om te gaan met angst, om de controle terug te grijpen
  2. De menselijke conditie is er een van ultieme, oneindige kwetsbaarheid

De menselijke conditie als ultiem kwetsbaar

Te beginnen bij het laatste: de menselijke conditie. De menselijke conditie is er, in tegenstelling wat veel mensen wel lijken te denken, niet één van perfectie. De menselijke conditie is er juist één van ultieme kwetsbaarheid. In het leven – groots, onvoorspelbaar, ons immer omringend – worden wij mensen juist in een ontzagwekkende, nederig makende, verwonderlijke naaktheid en kwetsbaarheid geboren. 

Wie zich deze realiteit werkelijk tot zich laat doordringen, wordt geconfronteerd met de realiteit van de bestaansangst. 

Het  is het indringende besef dat Wij het Leven niet hebben: het leven heeft ons! Wij hebben het leven niet ‘gecreëerd’; het is ons gegeven. Het is ons geschonken. En tegelijk: we kennen de reden achter dat geschenk niet. En het kan ons daarmee, even zo goed, ontnomen worden. Het leven ligt in die zin NIET in onze handen. Voor dat besef hoef je overigens zeker niet in begrippen als God te geloven. De ons alomringende werkelijkheid – het Grote Leven Zelf – is al meer dan voldoende.

Zelfs als iemand geneigd is om ieder begrip van ‘God’ of ‘het goddelijke’ van tafel te vegen als verzinsel: het Leven Zelf ís geen imaginatie. Leven is geen ‘bedenksel’. Het leven is onontkenbaar reëel. En hoe graag we ook beweren dat we dit ‘reële’ kunnen kennen, beheersen, ‘maken’; voorbij alle wiskunde, natuurkunde, wetenschap en statistiek schrijft dat Leven voor dat we in de onbewaaktheid van het moment, gevangen in het toeval van een passerende bus, van onze geboorte, van onze familie – van de onweerstaanbaar grijpende beweging waarmee we een glimmende zoete appel van een boom plukken – onbeheersbaar en volledig zijn overgeleverd aan dat Leven Zelf. En het is dat Leven dat zich op momenten ook onwrikbaar zal laten gelden en juist dan vraagt: “Mens, waar ben je?”. 

Op die momenten breekt de menselijke wil. Dan opent de afgrond zich. Dan toont het Leven zich in al haar gruwelijke, onmetelijke, onbetrouwbare, onvoorspelbare, onverschillige wreedheid. (Ik schreef in feite al eerder over de onwrikbaarheid van het ‘Leven’ in mijn blog ‘Zwaartekracht en Spiritualiteit’)

Wanneer je dat besef in zijn volle realiteit over je heen laat spoelen, is het niet verwonderlijk dat een paniekaanval je overvalt. Hoe sta je überhaupt nog op, als die realiteit tot ons doordringt: je kan dit – Het – niet beheersen, controleren, in je macht houden. Die macht heb je niet. Je bent overgeleverd.

Deze wet van het Leven Zelf dwingt je hoe dan ook op je knieën. Dus hoe dan toch om te gaan met deze angst?

Schuld als regulatiemechanisme voor angst

Oog in oog met het Leven Zelf zou een mens bijna geen stap meer durven verzetten. Deels kunnen we de angst misschien nog bezweren door het zo veel mogelijk te negeren. Door het te ontkennen en te doen alsof het er niet is. 

Maar er nóg een methode om onze bestaansangst in onze menselijke psyche te kunnen reguleren. Dat is het mechanisme van het schuldgevoel. Hoe dit mechanisme werkt, wordt het meest helder uiteengezet in de menselijke ontwikkelingstheorie van psychoanalyticus Erik H. Erikson

Erikson (1902 – 1994), leerling van Freud, onderscheidde in zijn theorie een aantal fasen in de menselijke ontwikkeling. Eén van deze fasen is het moment dat de Mens, om verder te kunnen komen, initiatief moet gaan tonen.

De Mens moet immers, om zich te kunnen ontwikkelen, in beweging komen. Het moet dingen uit gaan proberen. Deze fase van de menselijke ontwikkeling vat Erikson samen onder de tegenstelling: ‘initiatief vs schuld’. 

In Erikson’s psychoanalytische klassieker ‘Childhood and Society’ uit 1950, over de verhouding tussen het menselijke ego en samenleving, analyseerde deze psychoanalyticus de archaïsche, primitieve elementen waardoor de menselijke drift wordt gedreven. Erikson veronderstelde daarbij dat de Mens meerdere sociaalpsychologische ‘ontwikkelingsfases’ doorloopt, onder meer een fase waarin het een besef van schuld ontwikkeld. 

Dit schuldbesef ontstaat volgens Erikson op een heel specifieke manier. Schuldbesef is in feite de alchemische reactie op de overkoepelende en overheersende wens van de (kinderlijke) wens van de Mens tot speelsheid, initiatief en zelf-expressie.

Deze wens – en het tot werkelijkheid brengen van dit eigen initiatief – is in psychologisch en biologisch perspectief tegelijk volstrekt noodzakelijk om tot innerlijke ontwikkeling te kunnen komen. Zelfexpressie en initiatief is noodzakelijk voor de Mens. Je zou kunnen zeggen dat precies die noodzakelijkheid ervan, het idee van schuld juist uitsluit.

Maar om tot een gezond evenwicht te komen kan deze zelfexpressie en initiatief niet grenzeloos bestaan. In diezelfde beweging ervaart de kinderlijke Mens dan ook iets onaangenaams. Het ervaart een innerlijke agressieve energie – een energie die het tegelijk nodig heeft om tót die beweging te komen. En schrikt in diezelfde beweging dan ook zelf van deze energie. Het vreest deze onbewust.

Zo, veronderstelt Erikson, ontstaat er een angst binnen het kind die bijvoorbeeld tot uiting komt in enerzijds: overdag het spelen dat het een grote tijger of een immense reus is, die van alles kapot kan maken en oppermachtig is. Maar anderzijds lijdt het in de nacht onder de nachtmerries dat diezelfde reus het kind verplettert, of dat de tijger het kind achtervolgt en opjaagt. 

Om deze angst te kunnen reguleren ontwikkelt de primiteve, kinderlijke Mens, in navolging en met ondersteuning van de regulerende samenleving, een gevoel van morele verantwoordelijkheid. De kinderlijke Mens leert met dit gevoel van morele verantwoordelijkheid dat de innerlijke agressieve energie die in feite schuilgaat achter de wens tot speelsheid, zelfexpressie en eigen initiatief, niet persé hoeft te worden omgezet in vernietiging. 

De mens leert zich, vanuit het voorbeeld van het kleinere systeem van het gezin en groter, de samenleving en de daarin heersende instituties (peuterspeelzaal, school, opvang), een morele verantwoordelijkheid aan waarmee het zichzelf kan beheersen en kan reguleren. Het leert dat zelfexpressie ook een gevoel van plezier en tevredenheid op kan leveren, zónder dat dingen kapot hoeven. 

De onherroepelijke tegenhanger van de ontwikkeling van dit morele verantwoordelijkheidsgevoel echter – en in feite de energetische motor áchter de ontwikkeling van het besef van morele verantwoordelijkheid – is het gevoel en besef van schuld. 

We wéten namelijk dat er, diep binnen ons, diep weggestopt, nog een altijd een verlangen is, een energie zit, om – tegen beter weten in – tegen onze eigen verantwoordelijkheid in te gaan. De angst voor ons eigen vermogen tot initiatief wordt hier beteugeld door ons schuldbesef. Het is de kinderlijke variant van de man op de rand van het dak die beseft dat het – ook al zou het beter niet moeten doen – kán springen. En in gedachten springen we dan ook. Dáár zit het schuldbesef.

Dat betekent dan ook dat in deze ontwikkelingsfase van de kinderlijke Mens – in de angst voor de eigen, innerlijke wens tot vernietiging – hoe dan ook een innerlijk, onzichtbaar verhaal van schuld is verweven. Schuldgevoel, met andere woorden, is op deze manier, in de theorie van Erikson, in feite een manier om het gevoel van angst voor ons eigen initiatief te reguleren en af te grenzen.

Schuld, bestaansangst en erfzonde

De mythe van het Paradijs en de Erfzonde is, in mijn stelling, precies het regulerende Grote Verhaal waarmee de bestaansangst voor het onbewaakte, speelse initiatief van de mens wordt gereguleerd. De bestaansangst, opgeroepen in confrontatie met het Leven Zelf, wordt ermee ingepast in een kader van Schuld.

Dit Oer-Verhaal gaat immers precies over die Kinderlijke Mens van Erikson en over diens wens tot ontwikkeling en initiatief. Het gaat over wat je verliest (het Paradijs), wanneer je initiatief toont in een bijna onbewaakt ogenblik (de hap uit de Appel), wetende dat je het niet zou moeten doen (het Autoritaire Gebod van Samenleving, Gezin, Omgeving en Al). Maar zonder de kennis waarom je het niet zou moeten doen (de boom van kennis van Goed en Kwaad). 

Zat er dan opzet achter dat ogenblik van de Erfzonde? Nee. Alle slangen ter wereld ten spijt: een echte opzet achter de Zondeval was er niet. Er was slechts een onbewaakt ogenblik van speels initiatief. Maar nog steeds: met alle fatale gevolgen. Intentioneel of niet: de wet van oorzaak en gevolg liet zich niet breken. De enige illusie die we hebben dat we deze wet nog enigszins beheersen is in ons schuldgevoel. (“God, vergeef me,” bidden we dan in stilte of zelfs hardop, “ik wil dit terugdraaien, ik had het niet moeten doen…” wetende dat wat gebeurd is, altijd al buiten onze macht ligt, niet ón-gebeurd kan raken.)

Wat er gebeurt, is precies het Leven Zelf.

‘Life itself’ en erfzonde

In de film ‘Life Itself ‘ zijn er ten minste twee van dit soort momenten: erfzondes, zou je ze kunnen noemen. Erfzondes, precies omdat het daden zijn in onbewaakte ogenblikken, waarvan de hoofdrolspelers hadden kúnnen weten dat er niet zo gehandeld moet worden – maar tegen beter weten in: het gebeurde.

Zo loopt Abby bijvoorbeeld in zo’n onbewaakt ogenblik de straat op. Ze is vol trots en vol van liefde. Hoogzwanger en op het hoogtepunt van haar geluk. Ze heeft net aan haar geliefde vertelt dat ze zwanger is van een meisje. Haar geliefde Wil heeft net geraden hoe ze haar dochtertje zou willen noemen. En daar, hoogzwanger – op een moment dat ze het Leven Zelf, het meest kwetsbare dat twee mensen maar kunnen creëren, letterlijk ín zich draagt – blijft ze staan. 

Opgegaan in het moment, gedachteloos gelukkig, blijft ze midden op straat staan.

Is het Abby nu kwalijk te nemen dat ze doet wat ze doet? Nee, natuurlijk niet! Het is volstrekt voorstelbaar dat het zo gaat. Al pratend is er een moment van onoplettendheid. In feite is het zelfs een moment van puur geluk.

En toch blijft er ergens ook een vraag van stille, onuitgesproken verantwoordelijkheid of op z’n minst: van ver-antwoording. “Mens, waar was je?” is de vraag in feite, zoals die in dat Paradijs lang geleden door het Leven zelf gesteld, na die onomkeerbare hap uit de appel. Je was zwanger. Je was verantwoordelijk voor dat leven in je. En je bleef midden op straat staan? 

Is er daarbij sprake van enige kwaadaardigheid? Natuurlijk niet! Toch deed Abby iets, waarvan ze had kunnen weten dat ze het niet had moeten doen. En het Paradijs raakte daarmee tragisch verloren. Voor Abby. Voor Wil. En voor hun dochtertje Dylan die het ongeluk overleeft. Het is het verhaal van de postmoderne erfzonde in een notendop.

Aan de andere kant van het busongeluk is er een klein jongetje dat geniet van een vakantiereis met zijn ouders naar een nieuw land en een nieuwe stad. In een onbewaakt ogenblik tijdens die vakantie staat dit jongetje op, in een bus vol mensen die hem toelachen. Zijn moeder zegt nog tegen hem: ‘Nee, Rigo, niet naar voren, dat is gevaarlijk!’ 

Het jongetje – en zijn vader bovendien – gaat echter op in de magie van het moment. Samen zitten ze vol in het ogenblik. Ze genieten volop. Het jongetje wil zijn plezier delen met die man, daar helemaal vooraan, aan het einde van dat gangpad: de buschauffeur.

En daar komen Abby, Javier, Rodrigo, Dylan, Wil en bus, samen in één moment van onvermogen om het leven te beheersen. 

Opnieuw is hier geen enkele sprake van kwaadwilligheid. Er is geen ‘geboren’ kwaad. We kunnen simpelweg niet altijd op onze hoede zijn. Er zijn voortdurend geboden. Er is weldegelijk kennis van goed en kwaad. Onze morele verantwoordelijkheid bestaat. Zelfs als we vergeten dat we die verantwoordelijkheid in feite hebben.

Maar toch; we zijn mensen. In onbewaakte ogenblikken doen we wat we niet zouden moeten doen. En steeds weer verliezen we daarmee het paradijs. 

‘Life itself’ visueel: de erfzonde symbolisch

Tegelijk wordt het idee van de erfzonde in ‘Life itself’ ook visueel en symbolische ondersteund. Je vindt het idee terug in de hele locatie van de olijfgaard, en met name in de olijfboom zelf. Deze boom staat – ongemerkt, maar voor wie alert is plotseling overduidelijk – centraal in de film. De olijfboom wordt meerdere malen vertoond, met name wanneer de erfgenamen in het verhaal in beeld worden gebracht.

Tenminste viermaal (als het niet vaker is) wordt deze boom prominent op de achtergond in beeld gebracht. De olijfboom is zelfs verwerkt in de omslag van het boek van de Verteller. Vooral interessant is het om daarbij op te merken dat de olijfboom – of in ieder geval een tak van de olijfboom – een belangrijk Bijbels symbool is, dat staat voor nieuw leven.

De olijftak, in de snavel van een duif, is in de mythe van Noach en de Ark symbool voor het Nieuwe Verbond. Het is het teken dat het Goddelijke Al stuurt na de zondvloed, als teken van hoop dat vaste grond is bereikt. Dat de storm van het leven voor dat moment bij is. 

Het is bijna niet te benadrukken hoe belangrijk deze olijfboom – en de hele olijfgaarde – in de film feitelijke is, als je het verhaal beziet vanuit gegeven dat deze olijftak een essentieel symbool is in een Oer-mythe over teloorgang van de wereld en de wederopbouw ervan. De olijftak is immers het Bijbelse symbool van de belofte dat het Al, het Goddelijke – het Leven Zelf – in de stormen van het leven vanaf dat moment mét ons zal zijn, en ons altijd zal vergezellen. 

Het Leven Zelf mag ons dan op onze knieën dwingen, het knielt ook altijd met ons mee.

Dat is het symbool van de olijftak. Het is een teken van hernieuwde Liefde. En liefde is in ‘Life itself’ het essentiële en enige ingrediënt dat ons vooruit kan helpen – en dat ons in beweging brengt als het leven ons keer op keer op onze knieën dwingt.

‘Life itself’ als religieuze film

‘Life itself’ is een emotioneel ontroerende, hartverscheurende film. Ik heb de film inmiddels vier keer gezien. En nog steeds weet het verhaal mij diep te raken. Tegelijk is ‘Life Itself’ voor mij minder spiritueel van aard, zoals de film Gravity dat volgens mij wel was (ik schreef eerder al over de film ‘Gravity’ en haar spirituele boodschap).

Juist vanwege de doordringende Bijbelse symboliek rondom bestaansangst, erfzonde en haar boodschap hoe hoe enkel de Liefde in staat is om ons te doen opstaan in het aangszicht van het Leven Zelf – dat Leven Zelf, dat ons tegelijk ook steeds weer op onze knieën dwingt – is ‘Life itself’ voor mij vooral een religieuze film.

Dat verklaart overigens indirect misschien ook de vele negatieve reviews en de slechte ontvangst van de film door critici. We hebben het immers over een bijzonder ‘onverstaanbare’ Verhaal, waarvan de symboliek intuïtief ‘vertaald’ moet worden en innerlijk ‘verstaan’ moet worden om te kunnen begrijpen waar het verhaal werkelijke om gaat.

‘Life itself’ vormt in mijn ogen hoe dan ook op geheel eigen wijze een postmodern religieus antwoord op de vraag hoe om te gaan met het leven, wanneer dit leven, in al haar terechte verschrikking en ontzagwekkendheid, toeslaat. Wanneer het Leven Zelf de Mens op de knieën dwingt. 

‘Life itself’ gaat over hoe alles in het leven op onvoorspelbare manieren met elkaar samenhangt en op elkaar volgt. Tegelijk is de film een visuele weergave van wat Kierkegaard in één van zijn dagboeken schreef. Deze existentieel filosoof, van wie ik het onderscheid tussen ‘angst voor de sprong’ en ‘vrees voor de val’ aan het begin van deze blog besprak, schreef:

“Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar moet  voorwaarts worden geleefd.”

Je kan de film ‘Life itself’, op precies deze Kierkegaardse manier, eveneens enkel ‘voorwaarts bekijken’. Maar je begrijpt pas hoe alles met elkaar samenhangt wanneer je terugkijkt. 

De conclusie van het Leven Zelf

In de prachtige, hartverscheurende, allerlaatste slotscène van de film, roept een man zijn vrouw liefdevol toe vanuit bed. Hij bekijkt zijn geliefde met een liefdevol ontzag en zijn uitroep is er één die alles in zich draagt wat een mens uit liefde voor een andere mens zou kunnen uitdragen, samengebald in slechts één klank. ‘Hey,’ zegt de man zacht. En zegt daarmee: ‘Ik zie je.’ Hij zegt: ‘Ik heb je lief.’ Hij zegt: ‘Ik ben verbonden met je.’ En hij smeekt: ‘Laat me je zien.’ 

Wanneer de vrouw, in reactie op de tedere stem van haar geliefde, zich omdraait, toont ze hem haar hoogzwangere buik. En in haar eenvoudige, verzuchte antwoord ligt dezelfde klank als die van haar geliefde. Het is een zucht die alles van het leven zelf in zich lijkt te dragen. In haar stem luistert de vreugde; het verdriet; de liefde; de vermoeidheid; de gebrokenheid; de kwetsbaarheid; de trots; de dankbaarheid van het leven. 

En met een blik van ontzag, tederheid, verwondering en ontroering komt de man tot de enige echte conclusie die er misschien uiteindelijk echt valt te verbinden aan de bestaansangst en het Leven Zelf:

“Goddamn….”


Ontdek meer van Rogier Teerenstra

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

One thought on “Bestaansangst en het Leven Zelf

Geef een reactie