Het imposter syndroom? Fake it till you make it!
Het imposter syndroom. Meestal gaat er wel een lampje branden als het gepopulariseerde begrip in de mond wordt genomen. Het begrip is overigens inmiddels zo breed, dat het al bijna met een schouderophalen wordt ontvangen. “Iedereen heeft weleens last van het imposter syndroom,” hoor je dan. “Just Fake it till you make it,” is het leidende advies. Toch is juist dat het moment dat we onze mond branden aan het idee.
Want wie hardop bekent: “Ik lijdt onder het Imposter Syndroom,” is vaak zelf letterlijk de ‘imposter’, ‘de bedrieger’. Omdat het hele idee achter het imposter syndroom is juist dat het onzegbaar is om zelfs maar een scheurtje toe te laten in de perfecte façade van het masker dat de innerlijke bedrieger draagt. De perfectie, dat is waar het bedrog bij het ‘imposter syndroom’ eigenlijk over gaat. Want imperfectie in de buitenwereld is voor de imposter onverdraagllijk in de binnenwereld.
De ‘alsof’-persoonlijkheid achter het Imposter Symdroom
Dit is het – heel werkelijke, reële – dilemma van de ware ‘imposter’. De waarheid mag niet uitsproken worden. Als de waarheid van het bedrog wordt toegegeven, dan is dat vaak een indicatie dat het niet waar is – of beter gezegd: er is op letterlijke wijze sprake van ‘bedrog’. Maar dit betreft dan een ander bedrog dan dat van de ‘alsof’-persoonlijkheid waar het ‘imposter syndroom’ eigenlijk over gaat.
Of eigenlijk (laten we het vanaf het begin maar lekker ingewikkeld maken) zijn er verschillende ‘imposter syndromen’ – en je moet heel zorgvuldig zijn in je terminologie om te onderscheiden over wélke versie je het hebt in jouw hoofd en in je taalgebruik. In deze blog gaat het over het Imposter Syndroom als een persoonlijkheidsstoornis, die diep onder de oppervlakte ligt van het gevoel van bedrog en die in de psychoanalyse ook wel de ‘alsof’-persoonlijkheid wordt genoemd.
Voor deze ‘alsof’-persoonlijkheid geldt dat, zolang de waarheid niet gezegd wordt, er van binnen eigenlijk een soort leeg gat in het hart brandt. Tegelijk, en hier schuilt het werkelijke drama: deze werkelijke leegte mag nooit uitgesproken worden. Het Niets mag geen woorden krijgen. Dat is de ultieme angst. Het is de waarheid die niet gezegd mag worden: dat er een gat, een leegte, een essentieel gemis, diep in het zielenhart huilt.
Het Imposter Syndroom als bedrog?
Overigens, zie hier ook de begripsverwarring. De geschiedenis van het begrip van het imposter syndroom – en de culturele evolutie ervan – zorgt er al vrij snel voor dat we helemaal niet meer zo goed weten waar we het over hebben als we het over ‘het imposter syndroom’ hebben.
Niet voor niets verschijnen er de afgelopen jaren ook geregeld allerlei video’s en andere vormen van online content door allerlei ‘toktikinstafacesnap’-goeroe’s die dingen roepen als ‘The imposter syndrom does not exist’! of ‘Imposter syndrom is not real’. En elk heeft eigenlijk, op eigen wijze, gelijk. Maar dat komt vooral doordat het hele begrip met de tijd zelf vervormd is geraakt.
Een korte geschiedenis van het Imposter Syndroom:
1978: “The Imposter Phenomenon in High Achieving Women”
Het ‘imposter syndroom’ kent een duidelijk beginpunt. Het heette in oorsprong overigens het ‘imposter phenomenon’. En het is bedacht tijdens een onderzoek uit 1978 door twee vrouwelijke onderzoekers, Pauline Rose Clance en Suzanne Imes. (Voor een leuke geschiedenisschets, lees vooral dit artikel, waarin het hele begin van het Imposter fenomeen wordt verteld vanuit het perspectief van de twee originele onderzoeksters.)
Samen bevroegen Clance en Imes in dit onderzoek 150 hoogpresterende vrouwen die, ondanks het tastbare en onafhankelijke bewijs van hun kunnen, hun presentaties consequent bagatelliseerden en minimaliseerden. De betreffende hoogfunctionerende vrouwen schreven hun succes stelselmatig toe aan geluk, of aan het feit dat anderen hen overschatten. Kortom: ze beschouwden zichzelf als ‘imposters’.
Je zou wellicht denken dat het een teken van de betreffende tijd was – in Nederland werden vrouwen bijvoorbeeld pas vanaf 1979(!) voor de wet fiscaal zelfstandig – dat het imposter fenomeen in oorsprong vooral beschouwd werd als vooral een vrouwelijk verschijnsel. Let bijvoorbeeld ook op de specifieke zijnoot in het onderzoek zelf, waarin aan dit aspect specifiek aandacht wordt besteed.
Komt het imposter syndroom ook bij mannen voor? Nee, zo luidt de conclusie. Het is toch echt vooral bij vrouwen waar het imposterfenomeen speelt, zegt het onderzoek uit 1978. Overigens stelt een artikel anno nu – d.w.z. juli 2024(!) dat er uit een actuele metastudie blijkt dat het imposter fenomeen ook nu nog, 46 jaar later, nog steeds vaker en intenser door vrouwen wordt beleefd.
1990 – 2010: psychogebrabbel van de oplichter
Clance en Imes moesten in hun tijd nog veel moeite doen om hun artikel te laten publiceren. Maar eenmaal gepubliceerd wisten ze bijna niet wat hen overkwam. Het begrip sloeg áán en hoe. Ze hadden met hun onderzoek echt de vinger op een zere plek gezet. Maar met de tijd raakte het fenomeen steeds meer onderhevig aan de gebruikelijke vervloeiing met de populaire cultuur. Het werd opgenomen in de zogenoemde ‘therapyspeak’ en onderdeel van het psychogebrabbel (ik schreef over dit specifieke verschijnsel al eerder een blog in het kader van de veralgemenisering van ons traumabegrip).
Met de popularisering van het begrip veranderde het fenomeen in een ‘imposter syndroom’, dat in betekenis steeds breder werd en minder genuanceerd. Het imposter syndroom ging steeds meer om het gevoel van een soort ‘oplichter zijn’, het knagende, ontevreden, onzekere gevoel dat het eigen succes onverdiend is en dat iemand de boel eigenlijk voor de gek aan het houden is. Ook (succesvolle) mannen in het bedrijfsleven bleken er last van te hebben.
Zo rond de jaren 90, begin 2000, was het ‘imposter syndroom’ bijna volledig ingeburgerd. Toen vond er, met de opkomst van social media en de spectaculaire groei van het internet, en vooral op gebied van contentcreators en online influencers, opnieuw een relatief radicale verschuiving plaats. Nu, met de waarheid zelf die steeds meer op het spel kwam te staan.
2010 – nu: van bedrieger voelen, naar bedrieger zijn
Het kernprobleem dat met de opkomst van sociale media en contentcreators is ontstaan, is met de jaren enkel uitvergroot. Met de inzet van content als marketing begonnen de eerste vragen te spelen: wat is er eigenlijk waar van wat we op sociale media delen? Het concrete antwoord was vanaf het begin altijd al ‘helemaal niets’.
Sociale media is manipulatie pur sang. Filters. Photoshop. De belichting. Het perspectief. ‘Toevallige’ camera-aanwezigheid. De glimlachen, de welvingen, de hartjes. Die piepjes, de bliepjes. Alles achter en in de sociale media bleek manipulatie. Het hele sociale media terrein, zo werd steeds duidelijker, was in feite één grote manifestatie van massale manipulatie.
Het was – en is – intrinsieke manipulatie, die enkel steeds groter werd – en wordt. Van het verslavende effect van het ‘infinite scroll’-systeem tot de ‘rode’ dopamine-kwekende pushmeldingen – de afhankelijkheid van ‘u heeft een bericht/reactie/message’ en de drie stipjes. Het was – en is – externe manipluatie, die alleen maar steeds groter werd – en wordt.
Aanvankelijk was er al de steeds verder groeiende vorm van innerlijke onzekerheid (ben ik wel goed genoeg? De Ander doet het altijd beter en is gelukkiger en heeft meer). Inmiddels is de innerlijke onzekerheid uitgemond in een externe onzekerheid – en (nog dreigender) in een wantrouwen van de buitenwereld. Nepnieuws en post-truth leeft door sociale media.
Wat is gezegd in een video, kan al jaren met AI tot leven gebracht worden. Wetenschappelijke feiten kunnen worden weggezet door te zeggen: ‘ik voel het niet’. Algoritmes achter sociale media leiden actueel tot verkiezingsmanipulaties (denk bijvoorbeeld aan het data schandaal van Cambridge Analytica – en dat was in 2018! Jaren vóór de huidige tijden van Open AI en ChatGPT, Gemini en Copilot). Het bedrog is, kortom, echt geworden.
Wat eens symbolisch was, is nu concreet
Van een innerlijk, symbolisch verschijnsel van innerlijke vertwijfeling over wat echt is van het zelf, is het imposter syndroom inmiddels een uiterlijk, concreet verschijnsel van bedrog geworden. Het ‘imposter syndroom’ staat inmiddels gelijk aan het echte liegen: het slaat op de onderliggende onzekerheid, de spanning, onrust en angstigheid, die schuilt onder het claimen dat je een expert bent – terwijl je dat eigenlijk niet bent.
Daar hoeft overigens geen hele boosaardige kwaadaardigheid achter te schuilen. Maar als je de capaciteiten en de vaardigheden er nog niet voor hebt om echt waar te kunnen maken wat je zegt – maar zegt dat je die capaciteiten en vaardigheden wél hebt, dan ben je feitelijk aan het bedriegen. Het is dan ook niet langer dat je op metaforische, symbolisch wijze, bang bent om door de mand te vallen. Met de concrete leugen bestaat de wérkelijke kans dat je door de mand valt – dat je onkunde botst met de werkelijkheid en wordt doorzien.
Op deze manier is inmiddels wel duidelijk hoe het imposter syndroom cultureel is geëvolueerd, van het figuurlijk bedrog in het hart (met nog altijd de werkelijke, concrete, succesvolle prestaties als tegenwicht). Naar het letterlijk bedrog anno nu, met post-truth verborgen in een virtuele, digitale ruimte van illusie en binaire algoritmes, in de palm van onze hand, gevuld met een mobiel.
Doen alsof: de leegte achter het masker
Carl Jung sprak in zijn Liber Novus al over de geest van de diepte en over de geest van de tijden. Hoe meer we verstrikt raken in de culturele tijd die ons omringt, zo wist Jung, hoe minder we nog de tijd hebben voor de Ziel, voor het innerlijke hart. Hij was er zelf in verstrikt geraakt en raakte in een psychose. En tegenwoordig leven mensen steeds vaker vanuit vervreemding, isolatie, eenzaamheid en leegte. De online ruimte waarin we ons meer en meer bewegen, reflecteert eigenlijk een steeds verder fragmenterende wereld.
Er is daarbij een heel werkelijk, toenemend onderliggend gevoel van breekbaarheid. Er is sociale onrust buiten ons. Onze levenskwaliteit raakt steeds meer bekneld door externe dreigingen: klimaat, economie, oorlogen. Het zijn allemaal verschijnselen waar we geen invloed op hebben.
Ondertussen blijkt uit onderzoek dat het verschijnsel van het imposter syndroom de laatste jaren signifant lijkt te stijgen (lees bijvoorbeeld dit artikel). Vermoedelijk is het dan ook geen toeval dat er een parallel lijkt te zitten tussen deze signifante stijging en de steeds urgentere, externe dreigingen die optreden in de wereld om ons heen.
Instinctief en onbewust weten we namelijk dat er iets niet klopt. We kunnen niet – maar willen wel – langer ontkennen dat er iets mis is met de wereld. Ons geluk, onze welvaart, was altijd al gebaseerd op gebakken lucht. We waren altijd al de bedrieger. Ons geluk is niet van ons – dat was het nooit. Het zelfbedrog was eigenlijk altijd al heel echt.
Wat het imposter syndroom in ieder geval niet is: 4 P’s
Het is onderdeel van deze tijd dat we (met name) psychologische verschijnselen graag vereenvoudigen tot gedrag. Met bijna sadistisch plezier hollen we de ziel uit tot we deze hebben gereduceerd tot een uittreksel van vragenlijsten en statistiek. Met als uitkomst: een diagnose die mijlenver van de dieper liggende realiteit ligt. Psychisch lijden wordt gereduceerd tot een samenvatting – en de samenvattig wordt gepresenteerd als ‘oplossing’ (die niets oplost).
Hetzelfde fenomeen treedt op bij de beschrijving van het Imposter Syndroom en de ‘alsof’-persoonlijkheid. Zo wordt het imposter syndroom bijvoorbeeld – met name in het managementwezen – beschreven aan de hand van de ‘4 p’s van het imposter syndroom’.
Met vier P’s in de hand kun je dan als ‘teamleider’ – of zogenaamde ‘manager’ – het ‘oplichtersverschijnsel’ identificeren wanneer het optreedt bij een teamlid. Deze kunstmatigheid heeft overigens alles te maken met het idee van prestatie en productiviteit. Het gebeurt niet vanuit medemenselijke bezorgdheid, nee zeg! Het gebeurt, omdat het de productiviteit en de prestatie van het team in de weg kan gaan staan!
Last van het imposter syndroom? Gewoon anders denken!
Voor wie het impostersyndroom eigenlijk (niet) wil herkennen, maar vooral wil scoren op gedrag, moet daarom letten op de volgende kernmerken:
- Perfectionisme (geen hele slechte eigenschap van een werknemer, overigens. Probeer het eens tijdens een sollicitatiegesprek te vermelden als ‘zwakke’ eigenschap.
- People pleasing (dus eigenlijk ben je heel sociaal – een echte teamplayer! 🙂 :-{
- Procrastinatie (d.i.: uitstelgedrag)
- Project paralysis (verlamd door grootsheid en piekergedrag)
Omdat nu het gedrag goed in kaart is gebracht, is de oplossing voor het imposter syndroom vervolgens natuurlijk ook heel eenvoudig. Gewoon anders denken!
Heb je last hebt van perfectionisme? Je moet wat minder perfect proberen te zijn: fouten maken mag! Stop met people pleasen. Wees gewoon jezelf zijn: nee zeggen mag! Uitstelgedrag overwin je natuurlijk gewoon met meer discipline en wilskracht. Even een tandje bijzetten. En neem op tijd pauze! En die verlamming in het project? Gewoon even ‘reframen’ hoe je denkt. Dat piekeren loop je er wel uit. Af en toe even goed bewegen. Je mag ook een cursus yoga proberen!
Laten we daarop kort zeggen: zo werkt het dus niet.
Wat het imposter syndroom wel is: het innerlijke verhaal
Iemand vertelde me ooit dat ze niet wist dat ze iets anders kon doen dan de mensen om haar een plezier te doen en voortdurend blij te lijken. Met een klaterende lach, het gezicht afgewend, vertelde ze dat ze eigenlijk niet wist wie ze werkelijk was zonder de spierpijn van de voortdurende glimlach. Direct keek ze beschaamd naar de vloer. Dat scheurtje in haar pantser, zo wist ik, zou nog weken blijven nazweren, door haar hoofd malen, in gedachten geanalyseerd en met innerlijke kritiek afgebrand worden.
Ze keek nog steeds op naar haar vader, vertelde ze, met wie ze haar jeugd urenlang had doorgebracht. Haar vader was inmiddels dement en vroeg veel zorg. Zorg die ze eigenlijk niet meer kon opbrengen met haar drukke baan, maar hij was altijd dol geweest op verhalen vertellen. Het ene verhaal was nog groter en glorieuzer dan het andere. Haar vader was slim, een charmante gladdekker. Hij had altijd wel een verhaal paraat.
Een verhaaltje voor het slapen gaan. Een verhaal voor zijn vele affaires. Een verhaal om de vele schulden van het gezin te verklaren en de vele faillisementen van zijn talloze bedrijfsideeën. Ze groeide op in armoede, met vele zorgen, angstig en voortdurend onderweg naar een nieuwe plek om te wonen – in feite op de vlucht voor schuldeiser, als haar vader het weer eens te bont had gemaakt op de ene plek waar het verhaal al was geweest: nu beginnen we opnieuw.
Voor haar vader was de waarheid irrelevant. Eerlijkheid was niets anders dan een woord. Ze leerde van haar vader om voor hem alles – haar uiterlijke omstandigheden en haar innerlijke leven – steeds meer geheim te houden. Ze leerde dat het vooral goed werkte als ze de waarheid wist te vervormen tot wat anderen graag wilden zien. Ze werd steeds bezorgder dat wanneer ze iets zei, of als ze haar eigen mening zou delen, dit de ander zou kwetsen en deze haar dan zou afwijzen en alleen zou laten.
Daarom begon ze steeds vaker dingen te zeggen waar de ander blij mee zou zijn en die de ander een plezier zou doen. Ze wilde anderen niet bezwaren met haar eigen ongelukkige gevoel of haar problemen, uit een diepe angst om verlaten te worden. Dit was niet de irreële angst van een volwassen, zelfstandige vrouw die op eigen benen stond en een succesvol leven leidde. Dit was de angst van een klein tienermeisje dat alleen in de wereld stond. Daarom zweeg ze erover.
Altijd was er een knagende bezorgheid diep in haar. Dat ze veroordeeld en afgewezen zou worden als ze iets fout zou doen. Dus ze leerde perfect te zijn, braaf te zijn, altijd lief te zijn, altijd zorgzaam in de ogen van anderen. Ze groeide op met een gevoel van schaamte voor de armoede thuis, voor het gebrek aan emotionele ondersteuning. Ze begon zich te schamen voor haar eigen kinderlijk plezier. Wat ze wilde was te zijn als anderen. Maar er was altijd een kloof tussen haar en de ander die ze niet wist te overbruggen. Dus deed ze maar alsof. Precies zoals haar vader haar had geleerd.
Ze raakte zo verstrikt in de innerlijke shot dopamine die ze kreeg bij het applaus van anderen als ze weer iets perfect had gedaan, dat ze het zicht op zichzelf verloor. Perfectionisme werd haar anker, haar alles. Ze werkte zo hard aan het theater van wie ze dacht dat anderen wilden zien, dat haar eigen Zelf steeds verder verborgen raakte. Ook voor haarzelf. Haar authenticiteit ging verloren. Als er ooit echt ik achter het masker had gezeten, dan was ze daar elk contact mee verloren. Het was de prijs die ze moest betalen voor het voortdurende bouwen aan een muur van veiligheid die ze overeind moest houden om het beeld van perfectie in de ogen van anderen stand te kunnen houden.
Het resultaat was een steeds diepere innerlijke verwarring over hoe ze moest leven. Als kind had ze zich eenzaam, depressief en verloren voor de wereld gevoeld. Als volwassene herhaalde zich dit patroon. In intieme relaties voelde ze zich niet verbonden. Bij vrienden deed ze alsof. Altijd speelde er een soort angst op de achtergrond. Ze voelde zich gevangen in een voortdurend piekeren – of ze dit of dat wel goed had gedaan. En wat ze ook deed, het was nooit voldoende.
Van binnen was ze onzeker, bezorgd, ervoer ze schaamte en angst. Dus paste ze zich altijd aan en werkte altijd mee met wat ze dacht dat de rest van de wereld van haar vroeg. Ze was altijd de perfecte ‘people pleaser’. En hield daarme de innerlijke angst voor boosheid, confrontatie en afwijzing op afstand.
Het imposter syndroom: geen ‘gevalletje zelftwijfel’
Dit verhaal – wat uiteraard nooit in één keer verteld kán worden, maar dat over een veel langer traject langzaam steeds duidelijker wordt – is één ervaring van één mens, dat tegelijk veel meer waarheid over het Imposter Syndroom blootlegt, dan enige diagnose dat kan. Het laat bovendien zien dat de ‘alsof’-persoonlijkheid dat met het imposter syndroom samenhangt wel iets verder gaat – iets dieper reikt – dan een ‘gevalletje zelftwijfel’.
Er zijn hele diepe, knagende wortels verbonden aan het bedrog van de imposter. Het masker weegt zwaar en kan het Ware Zelf zelfs in gevaar brengen. Burn-out en depressie zijn niet voor niets symptomen die zich bijvoorbeeld stevig kunnen vasthaken aan het imposter syndroom. Deze symptomen verhullen dan wat er werkelijk gaande is in de binnenwereld van de ‘imposter’.
‘Alsof’ bestaat met een reden
Het imposter syndroom waar het in deze blog over gaat, gaat dan ook heel wezenlijk niet over ‘onzekerheid’. Om tot een oplossing te komen is het van belang om voorbij de oppervlakte te gaan, voorbij de snelle oplossingen en voorbij de gemakkelijke conclusies te reiken. En om tot het inzicht te komen: simpelweg tegen het ‘imposter’ gevoel te zeggen ‘just fake it till you make it’, is opnieuw de ander verraden.
Met te zeggen dat iemand de innerlijke leegte ‘weg kan denken’ laat je de ander in de steek. De imposter lijdt. De bedrieger is echt. Het ‘alsof’ bestaat met een reden.
Zijn we nog bereid om de tijd te nemen om naar die reden te luisteren?
In deel 2 van deze blog leg ik de achtergrond van de ‘alsof’-persoonlijkheid verder uit.
P.S.: Deze blog is volledig tot stand gekomen zonder inzet van AI. Al het vooronderzoek is door mijzelf verricht. Alle beeldmateriaal is door mijzelf verzameld, alle tekst is door mijzelf geschreven, geschrapt, gecorrigeerd en herschreven tot de blog zoals die je net hebt gelezen.
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



















