Daimonische aspecten van trauma in de innerlijke wereld
In deze blog wil ik het hebben over psychotrauma. En vooral over innerlijke beleving ervan. Wat gebeurt er als je dieper kijkt dan de symptomatische, uiterlijke verschijningsvormen van psychotrauma? Wat gebeurt er als je de binnenwereld van (chronische) traumatisering werkelijk en van binnenuit probeert te begrijpen? In de greep van welk Jungiaans Archetype verkeert de ziel zich? En welke betekenis heeft het archetype van de Trickster bij trauma wanneer we het proces van herstel van chronische traumatisering proberen te begrijpen? (gemiddelde leestijd: 22 min.)

Wat zie je verschijnen, wanneer je aandacht besteedt aan de wezenlijke psychische afsplitsing die schuilt áchter de vaak wel bekende ‘opsommingen’ van symptomen van PTSS: de herbelevingen, de vermijdingreacties, de negatieve gedachten/afgestompte emoties en de hyperactivatie/verhoogde prikkelbaarheid? Welk Archetype is verbonden aan het overleven van trauma? En wat richt deze demonische aanwezigheid volgens Jung eigenlijk aan in de getraumatiseerde ziel?
Op deze vragen (en meer) probeer ik in deze blog antwoord te geven. Deze blog bestaat daarbij uit twee delen. In dit eerste deel heb ik het vooral over de innerlijke belevingswereld van trauma en hoe (o.a.) Jung deze benadert. In het tweede deel (Pan’s Labyrinth, trauma en de Trickster) ga ik dieper in op de Trickster als archetype bij (chronische) traumatisering in de kindertijd.
Psychologische ontwikkeling na chronische traumatisering
In deze blog besteed ik vooral aandacht aan de psychologische ontwikkeling bij de gevolgen van chronische traumatisering in de kindertijd. PTSS zoals die ook kan ontstaan door plotse, onverwachte en vaak gewelddadige gebeurtenissen, of zoals die verbonden kan zijn aan blootstelling aan chronische stress door beroepsfuncties binnen bepaalde vakgebieden (bijvoorbeeld defensie of zorg) zullen ongetwijfeld overlap kennen met deze psychologische ontwikkeling in reactie op psychotrauma. Maar uiteindelijk gaat deze blog daar minder over.
Trauma en psychogebrabbel in het dagelijkse taalgebruik
De aanzet van deze blog komt voort uit het idee dat het begrip van ’trauma’ in ons dagelijkse taalgebruik steeds meer aan het verwateren is. In het artikel ‘Trauma’s, triggers en toxische sfeer’ wijst schrijfster en journaliste Emma Curvers er in dat kader bijvoorbeeld op dat de taal van therapeuten de afgelopen jaren vanuit de behandelkamers steeds meer in ons dagelijkse gesprek is beland. Therapietaal wordt daarmee steeds vaker gebruikt om de eigen ervaring te dramatiseren en om aan eigen ervaring en persoonlijke mening de illusie van autoriteit te verbinden. Psychotherapeute en relatiespecialist Edith Perel noemt dat ook wel ‘psychogebrabbel’.
De eenzame en geïsoleerde mens
Maar in het trauma treedt de mens naar voren als het werkelijk eenzame en geïsoleerde wezen dat het kan zijn. Hoe zeer we als omstanders ook ons best doen tot empathie en inlevingsvermogen, de gebeurtenis van het trauma toont dat we keer op keer volstrekt alleen staan in onze eigen ervaring. Ná de ervaring kunnen we, vaak met veel moeite en pijn, en met uitgeputte woorden en verdraaide beelden, misschien leren om te delen over hoe het was. Maar ín de ervaring staan we alleen, verdwaald in de uitgestrekte velden van nachtmerrie, doorns en naalden. In het psychotrauma blijkt de mens oprecht naakt, teer en door en door kwetsbaar.
Het psychotrauma als een scheur in de ziel
In het trauma raken we doorboord door de genadeloze onverschilligheid van het leven zelf – en proberen we bloedend overeind te blijven. Soms/vaak wordt die onverschilligheid van het leven ook vertegenwoordigd door de sadistische wreedheden waar onze medemens toe in staat is. Met ons psychogebrabbel en een naïeve benadering van het idee van psychotraumatische groei (PTG) is er dan ook het wezenlijke gevaar dat we steeds minder serieus nemen hoe vernietigend trauma eigenlijk – werkelijk – is voor de psychische structuur van een mens. Want trauma – psychotrauma, wel te verstaan – is uiteindelijk een scheur in de ziel. En de waarachtige ernst ervan zie je terug in de desastreuze wijze waarop het psychotrauma de mogelijkheid tot ‘gezond’ (of in ieder geval evenwichtig) functioneren in de wereld kan verbrokkelen, saboteren, of zelfs kan vernietigen.
“No way out but through”
Overigens ben ik zelf zeker geen tegenstander van het idee van groei na een ervaring. Ik geloof ook zeker dat er positieve ontwikkeling en persoonlijke groei na PTSS mogelijk is. Er is een weg naar buiten, daar geloof ik in. Maar de weg voorbij het trauma is nog steeds een pad van doorns dat met blote voeten betreden zal worden. Er is geen omweg. Zoals Robert Frost het stelt in zijn gedicht ‘Servant to Servants’(r.58): “I can see no way out but through.” Kortom: vóór de ontwikkeling erna, zal het trauma eerst nog steeds onder ogen moeten worden gezien. Het één kan niet zonder het ander. Herstel van trauma is simpelweg niet mogelijk zonder de wond zelf onder ogen te zien.
Traumatologie en het psychische domein
Trauma benoemen als wond maakt het interessant om eerst kort stil te staan bij de ontwikkeling van trauma naar ‘psychotrauma’. Tot in het midden van de 19de eeuw werd het begrip ‘trauma’ namelijk alleen gebruikt als aanduiding voor fysieke verwondingen die door ongevallen of geweld waren veroorzaakt. De ‘traumatologie’ is ook in de tegenwoordige tijd nog steeds een subdiscipline binnen de chirurgie. Het betreft de behandeling en bestudering van fysiek letsel. Er heeft dan ook rond het einde van de 19de eeuw een wezenlijke begripsverschuiving plaatsgevonden. Daarbij is trauma in de loop van de afgelopen eeuw steeds meer tot het psychische domein gaan behoren.
Van ‘trauma’ naar ‘psychotrauma’: een kleine geschiedenis
Het voert te ver om in deze blog gedetailleerd aandacht te besteden aan de geschiedenis van de ontwikkeling van het begrip ‘trauma’ naar ‘psychotrauma’. Er zijn in ieder geval meerdere interessante boeken geschreven en te vinden over de (culturele) geschiedenis van het traumabegrip. Om tenminste één boek te noemen, denk bijvoorbeeld aan ‘Traumatic pasts: history, psychiatry and trauma in the modern age’. Of, als je toch heel graag een (hele) korte cultuurgeschiedenis van het begrip trauma wil lezen, klik dan hier.
Industrialisering en de Railway Spine
Het is in ieder geval goed om te beseffen dat de intuïtie van (de mogelijkheid van) het idee van psychotrauma níet begint bij de welbekende Vader van de Psychoanalyse, Sigmund Freud. Het begint (veel) eerder, bij het ontstaan van de spoorwegen als symbool van de industriële samenleving. De mogelijkheid van het begrijpen van de mens als psychologisch traumatiseerbaar wezen begint met de geboorte van de moderne vooruitgang en met het ziektebeeld van de ‘Railway Spine’ dat ermee samenhangt.
Van fysieke aandoening naar psychologische factoren
De Railway Spine was een aandoening die steeds vaker werd waargenomen bij de nieuwe ontwikkeling van de spoorwegen. Het was een fenomeen dat zich aandiende bij treinongevallen en waarbij de slachtoffers allerlei ‘nerveuze’ symptomen ontwikkelden, zoals bijvoorbeeld slapeloosheid en onverklaarbare pijnen aan rug, armen en handen. Het was bij dit verschijnsel dat de blik van de arts voor het eerst van een fysieke verwonding begon te verschuiven richting het idee van een psychische verwonding.
Freud, trauma en een overdruk aan affect
Na een steeds verdere verschuiving van lichamelijke naar psychologische verklaring voor de symptologie van psychotrauma, is het uiteindelijk Sigmund Freud die de verklaring exclusief in het psychologische domein zoekt. Freud stelt dat iedere psychische indruk of ervaring uitgerust is met een bepaalde ‘affectwaarde’. Affect verwijst daarbij naar de directe emotionele reactie op een situatie. Deze reactie kan een bepaalde waarde hebben: te sterk (verhoogd affect) of juist te gering (vlak affect). Maar welke reactieniveau het affect ook heeft, de affectwaarde moet zich kunnen ontladen. Hetzij door middel van een motorische reactie (bijvoorbeeld huilen of beven). Of door associatieve psychische arbeid (erover praten).
Trauma als “Lijden aan herinneringen”
Gebeurt dat niet, dan krijgt de herinnering aan de indruk of ervaring zelf volgens Freud het gewicht en lading van het trauma zelf. Wat is gebeurt – en dat in realiteit een ‘start-midden-einde’ kent – zet zich zo voort in de tijd. De herinnering laadt zichzelf op met de niet afgevoerde affectwaarde. Totdat dit tot psychische symptomen leidt, waarbij er geen plek meer is voor andere associaties. De herinneringen beginnen de patiënt van binnenuit aan te vallen – en de overdruk aan affectwaarde zorgt ervoor dat de herinnering gescheiden raakt van andere associaties: ze worden afgesplitst. De herinneringen passen niet meer in het regulerende autobiografisch narratief (waarmee we normaliter ‘de dingen een plek geven’, zoals we dat tegenwoordig zeggen.). De herinneringen krijgen hun eigen leven. De getraumatiseerde patiënt lijdt, aldus Freud, op die manier aan herinneringen.
PTSS en de terugkeer van het lichaam in het traumabegrip
Het artikel van Breuer en Freud, ‘Over het psychische mechanisme van hysterische fenomenen’, waarin Freud deze overstap maakt van lichaam naar de exclusieve psyche, van de neurologische verklaring naar de psychologische, verschijnt in 1893. En – hoewel toegegeven, enigszins kort door de bocht samengevat: het duurt vervolgens bijna een hele eeuw voordat het lichaam weer in beeld komt bij het verschijnsel van trauma. Dat gebeurt met name met de opname van de diagnose PTSS – het Post-Traumatische Stress Stoornis – in de DSM-III in 1980.
Het verband tussen stress en trauma
Natuurlijk was men in die tussentijd zeker wel bekend met het verschijnsel van traumatische stress. Dat was met name vanuit militaire hoek. Verschijnselen als ‘oorlogsneurose’ (die bij Freud uiteindelijk leidde tot diens begrip van de herhalingsdwang als de ‘doods- en destructiedrift’ en het idee van Eros en Thanatos). Het soldatenhart (syndroom van Da Costa) en de behandeling van shellshock werden die afgelopen honderd jaar tussen Freud en de DSM-III al ontwikkeld. Toch duurde het nog steeds tot rond de jaren ‘80 van de vorige eeuw dat er een causaal verband werd gelegd tussen traumatische stress en de biologie van het lichaam. De opname van de diagnose PTSS in de DSM-III in 1980 kwam daarbij ook voort uit het initiatief van een groep Vietnamveteranen en uit hun traumatische herinneringen en directe oorlogservaringen.
Stresshormenen en een verbroken toestand evenwicht
Psychiater en welbekend specialist op gebied van posttraumatische stress, Bessel van der Kolk, vertelt in zijn baanbrekende en aan te raden boek ‘Traumasporen’ (origineel: ‘The body keeps the score’) onder meer hoe een groep jonge onderzoekers begin jaren ‘80 constateren dat juist getraumatiseerde mensen grote hoeveelheden stresshormonen blijven afscheiden, lang nadat het werkelijke gevaar is afgeweken. Idealiter veroorzaakt ons stresshormoonsysteem namelijk een bliksemsnelle reactie op gevaar. Maar deze piek in stijging van de stresshormonen hoort vervolgens ook weer evensnel terug te keren naar een toestand van evenwicht. Bij traumapatiënten blijkt dit niet te gebeuren.
Een voortdurende alarmbel van vecht/vlucht/freeze
Met name onderzoekster in de psychiatrie en neurologie, Rachel Yehuda, liet daarbij zien dat precies het stresshormoon dat ervoor zorgt dat de golf van stresshormonen na de betreffende noodzakelijke piek ook weer wordt afgebroken – cortisol – juist bij traumapatiënten laag blijft. Hierdoor kan de balans – de weg terug, van stress naar rust – niet gevonden worden. Het signaal vecht/vlucht/freeze blijft actief en de fysieke alarmbel blijft zo rinkelen. De voortdurende afscheiding van stresshormonen begint zich op den duur op te hopen. Het krijgt zo de uitingsvorm van agitatie en paniek, ver nadat de oorspronkelijke gebeurtenis zich aandiende- en dus afgesplitst van de normale context.
Het trauma áchter het begrip ‘trauma’
Met het geweld tegen het lichaam zoals dat in oorlogsomstandigheden plaatsvindt, dient het lichaam zich dus weer aan bij het begrip van trauma. Toch blijft het verhaal van het ‘begrip’ trauma een bepaalde afstand kennen, tegenover de innerlijke ‘beleving’ ervan. Het lijkt wel alsof de beleving van trauma in feite zo onverdraaglijk is, dat we in de theorie van trauma zelf eveneens steeds proberen te ontsnappen aan de werkelijkheid van de traumatische beleving zelf. Daarbij ben ik de eerste om te erkennen dat, hoewel ik mijn best doe, ook deze blog tot nog toe enigszins afstand houdt tot de procesbeschrijving van het psychotrauma van binnenuit. Met de introductie van Carl Jung probeer ik vanaf nu langzaam de weg naar binnen te vinden bij de ervaring van trauma.
Dissociatie is de essentie van trauma
Een van de weinige figuren die ik ken die de werkelijkheid van trauma nooit heeft ontweken, deze werkelijk onder ogen durfde te zien samen met zijn patiënten en die werkelijk ruimte bood aan de innerlijke beleving van trauma, is iemand die in de geschiedenis van het traumabegrip opvallend genoeg eigenlijk niet genoemd wordt. Het is Carl Jung. Jung doet met zijn analytische psychologie werkelijk recht aan het idee van wat Bessel van der Kolk in zijn boek schrijft: “Dissociatie is de essentie van trauma.”
Jung en dissociatie
De reden waarom Jung één van de weinigen is die de innerlijke beleving van trauma serieus neemt, is vermoedelijk omdat hij de dissociatie zag als een natuurlijk proces van ons bewustzijn. Deels komt dat wellicht omdat Jung zich vanaf het begin van zijn studie tot psychiater al zich bezig hield met de behandeling en studie van psychose en schizofrenie – ziektebeelden die nauw verbonden zijn aan, en grote overlap kennen met, dissociatie.
Jung’s eigen ervaring met trauma
Anderzijds speelt misschien ook wel een rol dat Jung zelf ook verschillende trauma’s in zijn leven heeft meegemaakt. De (psychotische) burn-out na de breuk met de man die hij zag als zijn plaatsvervangende intellectuele vader Freud was daar één van. Maar het vermoeden is groot (en Jung zou dit zelf ook hebben aangegeven in een intieme brief aan Freud) dat Jung zelf in zijn jeugd het slachtoffer is geweest van traumatiserend misbruik.
Dissociatie als noodzakelijk voor de ontwikkeling van het Zelf?
De theorie van Jung suggereert dat dissociatie, dat meestal wordt gezien als een pathologie – of op z’n minst als een abnormaal proces – eigenlijk een natuurlijk en zelfs noodzakelijk proces is van ons bewustzijn. Het vermogen om te dissociëren stelt de geest namelijk in staat om zich te ontwikkelen en te groeien, door verschillende delen van het Zelf te creëren.
Dissociatie als normaal psychisch verdedigingssysteem
Het is een normale reactie van de psyche op een traumatische ervaring om zich terug te trekken van de verwonding. Als terugtrekken niet mogelijk is, dan moet ten minste een deel van het Zelf worden teruggetrokken. Om dit te bereiken moet het normaliter goed geïntegreerde Ego zich splitsen in fragmenten – het is dit proces dat we dissociëren noemen. Dissocatie is dan ook een ‘normaal’ onderdeel van het pychische verdedigingssysteem tegen de potenteel beschadigende impact van trauma. Een groot deel van deze theorie vindt je al terug in het vroege werk van Jung, met name toen hij zich in 1904 bezighield met zijn woordassociatie-experimenten.
Dissociatie als kern van trauma
Aan het begin van de 20ste eeuw begreep Jung dus al dat dissociatie de wezenlijke truc van de psyche is om zichzelf te beschermen. Deze truc zorgt ervoor dat leven als het ware ‘door kan gaan’, door een onverdraaglijke ervaring zelf op te delen en deze delen te verspreiden over de verschillende onderdelen van de geest en het lcihaam – en dan met name de onbewuste aspecten van lichaam en geest. Voor iemand die ondraaglijke pijn – lichamelijk, dan wel psychisch – heeft geleden, stelt de psychologische verdediging van de dissociatie iemand in staat om door te kunnen gaan in het externe leven. Maar wel tegen een grote interne prijs.
De ervaring van het het externe trauma wordt beëindigd door de effecten ervan te splitsen en deze te ‘vergeten’ of te ‘verdringen’. Maar de psychologische gevolgen van het trauma leven nog steeds door in de innerlijke wereld. Dat doen ze in de vorm van bepaalde innerlijke beelden die rond een sterk ‘affect’ draaien. Met andere woorden – en in Jungiaanse terminologie: het wordt een complex.
(Eerder schreef ik al over de Complextheorie van Jung in “Affectieve psycho-neurologie, complextheorie en onze emoties”)
Trauma en gevoelstonen-complex
Jung noemt deze beelden ‘gevoelstonen-complexen’. Deze complexen hebben de neiging om autonoom te gaan functioneren in ons onbewuste. Ze manifesteren zich in de vorm van sterk angstaanjagende, innerlijke wezens. In dromen worden ze vaak gerepresenteerd als aanvallende vijanden, beesten en roofdieren. Of ze worden ervaren als een soort ‘bezetenheid’ die buiten onze wil om functioneert (bijvoorbeeld bij verslaving). Als de complexen voldoende autonomie hebben bereikt, manifesteren ze zich in de vorm van een archetype in onze dromen en ons onbewuste.
De autonome aard van het trauma-complex
In ‘De therapeutische waarde van het afreageren’, het enige essay waarin Jung het onderwerp van trauma expliciet behandelt, schrijft Jung het volgende over traumatische complexen:
“Een traumatisch complex leidt tot een dissociatie in de psyche. Het complex staat namelijk niet onder controle van de wil, maar bezit psychische autonomie. Deze autonomie bestaat hierin, dat het complex zich onafhankelijk van de wil manifesteert, en zelfs direct tegen de bewuste tendensen in kan gaan. Het complex dringt zich tiranniek op aan het bewustzijn. Het uitbreken van een affect betekent een overval op de persoonlijkheid: het individu wordt overvallen, als door een vijand of een wild dier.
“Ik heb vaak gezien dat het typisch traumatische affect in dromen als een wil en gevaarlijk dier wordt uitgebeeld – een treffende illustratie van de autonome aard van het traumacomplex wanneer het van het bewustzijn is afgesplitst.”
- Carl Jung (Verzameld werk, Deel 1 – Psychologie en praktijk, p. 86-87)
Trauma, zelfbescherming en herhaling
Daimonische figuren in traumadromen
Bij slachtoffers van chronisch trauma uit de kindertijd komt ook met regelmaat een demonische figuur voor. Deze ‘demoon’ kan verschillende vormen aannemen. En in zekere zin is ‘demonisch’ ook niet de juiste aanduiding voor deze figuur, omdat dit direct geassocieerd wordt met ‘kwaadaardig’. Maar demoon is eigenlijk afkomstig van ‘daimon’, wat zowel boze als goedaardige geest kan betekenen. Het begrip krijgt pas later, in de culturele religieslagvelden, de door en door negatieve betekenis.
Daiomai – ‘verdelen’ of ‘uitdelen’
Van oorsprong komt ‘daimoon’ vanuit het klassieke Griekse ‘daiomai’ wat eigenlijk ‘verdelen’/’uitdelen’ betekent. Dit ‘verdelen/uitdelen’ moet dan vooral in het kader van het ‘verdelen’ of ‘uitdelen’ van het lot begrepen worden. Niet voor niets groeit het begrip ‘daimon’ op den duur uit naar het idee van ‘godheid’, ‘goddelijke macht’ of ‘half-god’.
Daimonische verdedigingsmechanisme
In oorsprong is ‘daimonisch’ dan ook verbonden aan die momenten dat het bewustzijn zich verdeeld. In ‘normale verschijningsvorm’ komt dit ‘daimonische’ aspect tot uiting in de vorm van spraakverwisselingen (‘slip of the tongue’), momenten van onoplettendheid, of andere momenten waarop die andere dimensie van ons onbewuste de kop opsteekt. Het onbewuste breekt op die momenten door in de werkelijkheid van ons bewustzijn. Hetzelfde proces van het verdelen van de innerlijke belevingswereld lijkt hoe dan ook het doel van deze demonische figuur.
Personificatie van de dissociatie
Deze ‘verdeling van de innerlijke belevingswereld’ noemde Jung ‘dissociëren’. Wanneer deze verdeling, van normaal psychisch proces omslaat en zich begint te manifesteren als autonoom functionerende, innerlijke (droom)demoon dan kan dit worden opgevat als de personificatie van een psychische verdedigingsmechanisme. Dit verdedigingsmechanisme zorgt ervoor dat de psychische re-integratie van de trauma-ervaring binnen het Zelf onmogelijk wordt gemaakt. Het doet dit echter met een belangrijke reden. Instinctief weet dit mechanisme namelijk dat her-integratie van dit traumadeel niet zorgt voor heling, maar juist voor het tegenovergestelde. Het zorgt voor een desintegratie van het Zelf.
Stagnatie en herhalingsdwang
Deze innerlijke psychische figuur is nauw verbonden aan de therapeutische ervaring dat er – vaak na een proces van groei en verbetering – een soort ‘plateau’ wordt bereikt van stagnatie in het herstelproces. De patiënt raakt vast te komen zitten in een soort ‘herhalingsdwang’, soms in actueel gedrag (een terugval bij verslaving bijvoorbeeld), maar soms ook in psychische fenomenen: de terugkeer van nachtmerries. Dit levert een actueel gevoel van machteloosheid, verslagendheid en vooral zinloosheid op, dat de mensen soms bekruipt wanneer ze werken aan herstel van traumatische ervaringen. Het lijkt erop dat het eigen verdedigingsmechanisme – de eigen heling in de weg staat. En misschien zelfs actief tegenwerkt.
Trauma en weerstand tegen verandering
Mensen die lijden onder trauma komen vaak voor therapie vanuit pure noodzaak. Er is sprake van een bepaalde vorm van desintegratie in het dagelijkse leven. Of er is iets dat het dagelijkse functioneren in de weg staat. Door de stagnatie in het helingsproces lijkt het er soms tegelijk op dat deze mensen niet echt zouden willen groeien. Of dat ze niet zouden willen veranderen op juist die manieren die werkelijk zouden voldoen aan hun behoeften. Dit is echter een incorrecte (en bovendien een bijzonder ongevoelige) observatie.
‘J’accuse!’ en de eigen verantwoordelijkheid
Op bewust niveau willen deze mensen echt veranderen. Maar er is een ander deel – een veel dieper deel – dat zichzelf inderdaad actief verzet tegen deze verandering. Door het (met name) hedendaagse idee dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk en prestatie, komt hier al heel snel ook het idee van schuld en schaamte om de hoek kijken. Men zou niet ‘willen’ herstellen. Iemand werkt niet mee aan zijn ‘eigen’ proces. J’accuse…! Maar we vergeten dat er iets in ons aanwezig is dat zich roert en dat een werkelijke invloed heeft op ons eigen handelen – buiten ons Zelf om.
De autonomie van het innerlijke leven
Hier komt Jung om de hoek kijken. Met zijn theorie van de personifcatie van de dissociatie en het gevoelstonen-complex erkent de Jungiaanse theorie namelijk de autonomie van het innerlijke leven. De Jungiaanse theorie neemt precies de manifestie van dit verzet tégen de verandering als autonome aanwezigheid in de geest van de patiënt serieus. Het geeft er woorden en beelden aan – en erkent zo de innerlijke ervaring van psychotrauma.
De innerlijke ervaring van pyschotrauma
Maar let op: de Jungiaans analytische theorie is géén taalspel. Achter de mythologische woorden en symbolische beelden die Jung gebruikt – Archetypen, complexen – vinden hele reële neuro- en biologische processen plaats. Het imaginaire, mythopoetische taalgebruik van Jung lijkt soms zo op te gaan in het sprookjesgehalte ervan, dat de betekenis ervan blijft hangen in de dimensie van het fantastische en het ‘irreële’. Maar er vindt een wezenlijke afsplitsing in de geest plaats in het trauma – een innerlijke verdeling – die op regressie lijkt, maar die vooral dissociatief van aard is.

Het innerlijke slagveld van trauma
Dissociatie is daarbij niet ‘passief’ van aard. Het is ook géén goedaardig proces dat onder de controle van de patiënt staat. Er is innerlijke verdediging, maar daarbij geen ‘eigen wil’ bij betrokken. Het gaat om verschillende delen van de geest die los van elkaar raken. En ze worden daarbij als het ware ‘uit elkaar geduwd’ – of eigenlijk uit elkaar gescheurd. In het trauma zijn oeroude instincten bezig. Deze vechten om te overleven. Maar deze instincten staan buiten de wil of het bewustzijn van de patiënt. De patiënt vormt er slechts het slagveld van.
‘Splitting’, trauma en innerlijke agressie
Dit is de werkelijke ervaring van de patiënt in de innerijke beleving van trauma. Er vindt een gevecht plaatsvindt – en dit wordt buiten de eigen macht, en soms zelfs buiten het eigen bewuste, uitgevochten. Het proces van dissocatie gaat in wezen dan ook gepaard met een flinke hoeveelheid innerlijke agressie – het lijkt eerder op een actieve aanval van het ene deel van de psyche op andere delen.
De normale geneigdheid tot intergratie van de psyche wordt bij trauma met kracht onderbroken. Dit proces wordt ook wel ‘splitting’ genoemd. En ‘splitting’ is een geweldadige zaak – te vergelijken met het natuurgeweld dat plaatsvindt bij het splitsen van een atoom.
Chronische traumatisering, structurele dissociatie en splitting
De ‘splitting’ zoals die optreedt als gevolg van chronische traumatisering is minder verbonden aan het proces van ‘splitting’ van Melanie Klein en Ronald Fairbairn, waarbij ervaringen worden opgedeeld in ‘absoluutheden’ en extremen van of absoluut goed of volledig slecht en waarbij de dichotomie van ervaring als positief/negatief niet als één geheel kunnen worden beleefd. De splitting van Klein en Fairbairn gaat in zeker zin over een externalisatieproces. Trauma-splitting gaat over de structurele aard van de dissociatie in de geest van de patiënt. Het betreft vooral de innerlijke leefwereld van de patiënt.
Primitieve afweersystemen en de archetypen van Jung
De hedendaagse psychoanalyse erkent dat daar waar de innerlijke wereld gevuld is met gewelddadige agressie, er primitieve afweersystemen aanwezig zijn. In Jungiaanse terminologie wordt de energie van dit primitieve, instinctieve afweersysteem, zoals die voortkomt uit de innerlijke aggressie die het proces van structurele dissociatie faciliteert bij chronische trauma, gebundeld in een voorliggend ‘intra-psychisch beeld’ – een archetype, zo je wil.
Een archetypisch systeem van zelfzorg
Dit tweezijdige beeld bij trauma vormt een psychische structuur die beschouwd kan worden als een archetypisch systeem van zelfzorg. Het lijkt een universeel, innerlijk systeem van de psyche te vertegenwoordigen, met als doel de verdediging en het behoud van een onaantastbare, persoonlijke kern, verscholen in het Ware Zelf van het individu. Maar dit systeem wordt gekenmerkt door zoveel agressie dat het feitelijk de innerlijke wereld alsnog traumatiseert. Dit Archetype heeft een duidelijk tweegezicht: het traumatiseert de binnenwereld, om zo her-traumatisering in de buitenwereld te voorkomen.
De trickster als archetype bij trauma
Instinctieve (en primitieve) bescherming is dan misschien het doel van dit Archetype. Het ‘weet’ namelijk dat integratie van de angst in het Zelf onvermijdelijk zal leiden tot een desintegratie van dit Zelf. Maar dat maakt de bescherming zelf nog geen ‘goedaardig’ proces. Het perverse – verdraaide – effect is namelijk dat dit archetypische zelfzorgsysteem het Zelf autonoom en onbereikbaar opsluit. Het weerhoudt het Zelf de wereld te betreden, uit bescherming voor een jong kinderlijk hart dat te vaak of te wreed is gebroken door de mensen die dat hart juist tot bloei hadden moeten laten komen. Dit archetype beschermt. Maar de prijs van deze bescherming is de isolatie en het opgesloten zitten met de agressieve energie die het trauma zelf in stand lijkt te houden.
Het is precies deze dubbelzijdigheid – enerzijds bescherming, maar wel een vernietigende bescherming, enerzijds zorg, maar wel een isolerende zorg – die verwijst naar de eigenschappen en de aanwezigheid van de Trickster als archetype van het psychotrauma.
Noot 1: Deze blog bestaat uit 2 delen. Het vervolg lees je in ‘Pan’s Labyrinth, trauma en de Trickster‘
Noot 2: Deze blog is grotendeels geïnspireerd door het eerste hoofdstuk van ‘The Inner world of Trauma‘ van Donald Kalsched, van wie binnenkort ook het boek ‘Trauma en de Ziel‘ verschijnt.
Ontdek meer van Rogier Teerenstra
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.



















2 thoughts on “Trauma, dissociatie en de Trickster (deel 1)”